Eens op een dag ging een Arowak op de jacht en nam zijn vrouw meê35. Toen hij haar op een morgen in de [85]banab* achterliet, waarschuwde hij haar, alvorens te vertrekken, dat, wanneer een Jawahoe voorbij kwam en deze als een vogel begon te fluiten, zij nalaten moest, te probeeren het geluid na te bootsen, want dat anders haar beide voeten onmiddellijk in een scherpen steen zouden veranderen. Toen zij zich echter daar zoo eenzaam begon te voelen, dacht zij, toen zij een vogel hoorde fluiten: „Wacht, ik zal hem roepen.” Maar nauwelijks had zij het geluid nagebootst, of de Jawahoe—want de vogel was een Boschgeest—werd razend en veranderde oogenblikkelijk elk harer voeten in een puntigen steen. Ook haar hart veranderde hij in steen36. Hierdoor kwam het, dat de vrouw woest en hard werd jegens haar man, en dat zij hem, toen hij ’s avonds van de jacht terugkeerde, onmiddellijk wilde dooden.
Maar toen de man begreep wat er gebeurd was, zette hij het op een loopen en rende hij zoo gauw hij kon om een kreek te bereiken, waarin hij onderdook en haar overzwom. Toen hij aan den anderen oever weêr boven kwam, rustte hij wat uit.
De vrouw was haar man achterna gerend, en toen zij bij de kreek kwam en haar man niet zag, dacht zij: „hij zal zich zeker verborgen hebben tusschen de biezen of in de modder”. Met haar puntige steenen begon zij overal om zich heen te trippelen, uiting gevend aan haar kwaadaardigheid, en zij riep daarbij: „ruwe klant, wacht, ik zal je wel pakken. Ik weet wel wat ik met je zal doen.”
Zij wist echter niet, dat haar man dit alles hoorde, en haar steeds glimlachend aanzag. Zij bleef echter, al maar vloekende, voortstampen, totdat zij met een harer steenen voeten in een alligator stak, dien ze daarna naar den oever sleepte. Hier ging zij nog maar voort met steken, daar zij vast geloofde, dat het haar man was, dien zij zoo toetakelde. [86]
Toen zij over haar werk voldaan was, keerde zij naar haar banab terug. Haar man echter liep naar zijn hut en toen hij daar aankwam, vroegen zijn schoonbroeders hem waar hun zuster was gebleven. Hij vertelde hun het gebeurde, maar de beide mannen wilden er eerst niets van gelooven, en toen zij dreigden, hem te zullen dooden, zei hij: „kom meê, dan zal ik de plaats aanwijzen, waar het gebeurd is”.
Zoo gezegd zoo gedaan, en toen zij bij het tijdelijk verblijf in het bosch waren aangekomen, was de vrouw nergens te vinden. Haar man bootste nu Jawahoe’s gefluit na—nu de Geest niet in de nabijheid was en te ver was om het te kunnen hooren, kon er geen kwaad gebeuren—en onmiddellijk kwam zij met haar steenen voeten woedend aanloopen, gereed om niet alleen haar man, maar ook haar broêrs te vernietigen. Maar deze waren gewaarschuwd, en voordat zij nog iets kon doen, joegen zij haar een pijl door het lichaam.
Toen de broêrs hun zuster dood zagen liggen, erkenden zij dat hij waarheid had gesproken.