Hij was met pijl en boog ver het bosch ingegaan, om zich een voorraad wild te verschaffen. Maar hij zag niets en zijn wapens bleven ongebruikt. Ik vertel hier van een ouden Arowak, die heel lang geleden geleefd heeft. Laat in den namiddag echter schoot hij een baboen*; het bleek een wijfje te zijn. Het was al te laat, om er meê naar huis te gaan en daarom maakte hij een banab* om er den nacht in door te brengen. Toen hij er mede gereed was, sneed hij den staart van het dier af, roosterde dezen en deed er zijn maal mede. De rest van het lichaam legde hij op den barbakot*, om het den anderen morgen gerookt en gedroogd te hebben.
Toen hij den volgenden dag reeds vroeg het bosch weêr inging, was hij buitengewoon gelukkig, want hij keerde des avonds beladen met wild in de banab terug. Zijn verbazing kunt ge denken, toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot vond. Niet begrijpende waar zij vandaan was gekomen, vroeg hij haar, wat ze daar deed. „Wel, ik had met je eenzaamheid te doen en kom je gezelschap houden; ik zal het vleesch voor je toebereiden”. Toen hij verder vroeg, verzekerde zij, dat er geen baboen op den barbakot was, toen ze hier aankwam. Maar de man begon haar afkomst een weinig te begrijpen, toen hij zag, dat haar vingers van nature [92]omgebogen waren38 en dat zij met haar eene hand moeite deed, de vingers van de andere hand te strekken. Hij vroeg haar toen, of zij niet zelf de baboen was, die zoo geheimzinnig verdwenen was. Maar zij bleef ontkennen. De vrouw zag er echter zóó goed uit, dat de man niet verder aandrong en besloot haar tot zijn vrouw te nemen.
… toen hij, in zijn tijdelijk verblijf komend, een vrouw in de hangmat zag liggen en geen baboen op den barbakot vond.—Zie blz. 91.
Zóó gelukkig leefden zij nu, dat zij geen enkel geheim meer voor elkander hadden. Eens op een dag vroeg de man weêr naar den verdwenen baboen en ditmaal bekende zijn vrouw, dat zij de baboen was, die hare gedaante had aangenomen; maar zij verbood hem dit aan iemand te vertellen.
Enkele dagen later verlieten beiden de banab, en gingen zij met een goeden voorraad wild op weg naar de hut van den man. Langen tijd leefden ze hier gelukkig. Het is waar, dat de man herhaaldelijk door zijn stamgenooten naar de afkomst zijner vrouw werd gevraagd; maar hij bleef zwijgen als een pot.
Eens op een morgen, toen zij in de vroegte de baboens weêr hoorden brullen, vertelde de vrouw aan haar man, dat haar ooms nu bezig waren, kassiri* te drinken en gaf hem te kennen, dat zij het prettig zou vinden, hun een bezoek te brengen en van de partij te zijn. De baboens waren bezig, op de uiterste takken van een hoogen mora*-boom hun vervaarlijk gebrul te laten hooren, en deze boom was dik genoeg, om een geschikt voetpad naar boven aan te leggen. Toen zij dit gereed hadden, togen zij op weg; steeds hooger en hooger klommen zij, totdat zij eindelijk in het echte Baboenland* waren aangekomen. Zij kwamen het eerst over den drempel van een groote hut. En wat hadden de baboens een hoeveelheid drank! En wat waren er een massa baboens, die aan het drinken [93]waren! Iedereen raakte dronken en begon daarop te brullen, terwijl zij allerlei vragen tot elkander richtten.
Al weêr werd nu onzen vriend naar de afkomst zijner vrouw gevraagd, en nu, denkende: „ik bevind mij te midden van haar eigen stam; nu mag ik toch wel de waarheid zeggen”, vertelde hij, dat zijn vrouw een echte baboen was. Niet zoodra had hij echter de verboden woorden gesproken, of alles—vrouw, drank, hutten en baboens—verdween oogenblikkelijk. Geheel alleen bleef hij nu op den top van den hoogen Mora-boom achter.
Hoe moest hij nu naar beneden komen? Hij zat te hoog om omlaag te durven springen, en de stam was te kolossaal om zich naar beneden te laten glijden. Hij wist waarlijk niet wat te doen, en was de wanhoop nabij. Na eenigen tijd kwam er een Bunia*-vogel aanvliegen, die hem vroeg, wat hij daarboven zoo alleen uitvoerde; en toen de vogel vernam, hoe de arme kerel zijn vrouw had verloren, omdat hij verklapt had, dat zij tot de natie der Baboens behoorde, bood hij zijn hulp aan, om hem veilig en wel naar den grond te brengen.
De man was ontsteld en vroeg den vogel, hoe hij dit zou aanleggen; maar hij zei, dat hij hetzelfde middel zou toepassen, dat hij te baat neemt met de wortels van de Kofa*. Hij gehoorzaamde aan den gegeven raad en spoedig bereikte hij door middel van de naar beneden hangende wortels van den liaan den grond, en de man was in veiligheid.
Tot zoover ging het goed, maar nu wist hij nog niet waar hij was; hij kende geen middel om de richting naar zijn hut te vinden. Gelukkig kwam er nu een prachtige kolibri om hem heen vliegen, en nadat dit schitterend vogeltje had aangeboden, hem den weg te wijzen, vertelde het hem, dat hij maar te volgen had, waar het heen vloog. Maar de kolibri vloog te snel en de man kon niet [94]gauw genoeg volgen. Het diertje vloog toen weêr terug en begon opnieuw, nu de richting van een rechte lijn volgende, waarna het verdween.
De man volgde de lijn en kwam toen aan een pad, waar de kolibri hem opwachtte en hem zei: „Volg het pad”. De man deed zulks en bereikte eindelijk zijn hut.