Hariwali was een knappe, ijverige piaiman, die een groot deel van zijn tijd besteedde aan het openkappen van het bosch voor zijn twee vrouwen.42 In de hut, die hij met de vrouwen en kinderen bewoonde, hield ook zijn broeder verblijf. Wanneer hij de boomen aan het vellen was, gingen de vrouwen om beurten naar het veld, om hem kassiri* te brengen.
Op een keer gebeurde het nu, dat toen een der beide vrouwen als gewoonlijk met de verfrissching voor hem op weg was, zij haar schoonbroêr ontmoette, die eenige strengen itiriti* droeg, om er korven van te vlechten. „Hallo!” zei hij, „waar ga je heen?” waarop de vrouw antwoordde: „ik ga kassiri aan mijn man brengen, die op het veld is—maar je bevalt mij. Hou je ook van mij?” „Neen” zei hij, „dat heb je mis, en als ik van je hield, zou mijn broêr, die immers piaiman is, er spoedig achterkomen”. Maar de vrouw hield aan, probeerde hem te vleien, waarop zij eindelijk haar armen om zijn hals sloeg. Hij was maar een mensch, en liet zich ten slotte de liefkozingen van zijn schoonzuster welgevallen, nadat zij hem verzekerd had, dat haar man nooit te weten zou kunnen komen, dat zij hem bedrogen had.
Nadat zij weder elk hun eigen weg waren gegaan, brak de vrouw nog voor zij het veld bereikt had, haar kalebas, en verwondde zich de knie aan een puntig stammetje, waardoor ze begon te bloeden. Toen Hariwali haar zoo langzaam, kreupel loopend zag aankomen, vroeg hij haar, wat er gebeurd was. Zij kon niets anders doen, dan op de schram en het bloed van de gewonde knie te wijzen, en hem te vertellen, dat zij een ongeluk had gehad en [99]gestruikeld was over een boomstronk. Maar haar man was een listige piaiman, en wist heel goed wat er gebeurd was, en hoewel hij toen niets liet merken, besloot hij zich niet alleen op haar, maar ook zijn andere vrouw te zullen wreken. Hij wilde haar nu zoo gauw mogelijk kwijt zijn, en verzocht haar, dadelijk terug te gaan.
Den volgenden morgen vroeg hij de vrouwen, hem te willen vergezellen, daar hij wilde gaan visschen en haar noodig had, om zijn vuur aan te leggen en zijn eten te koken. Toen zij goed en wel aan den poel waren aangekomen en de vrouwen het vuur gereed hadden, bracht haar man een schildpad, die zij levend op de heete asch neerlegden. Het dier kroop echter onmiddellijk van zijn onaangenaam verblijf weg. Dit was het kwade voorteeken, dat beider dood voorspelde. De piaiman had haar n.l. betooverd en zij dachten, dat zij de schildpad reeds gedood hadden. „Maar misschien is het vuur niet heet genoeg”, dacht de trouwelooze echtgenoote; „ik ga nog wat droog hout halen.” Toen zij nu het hout aan het breken ging, bleek het buitengewoon hard te zijn, hetgeen haar deed uitroepen: Tata-Ketaiaba (=hard om te breken); maar nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken, of zij vloog weg in de gedaante van een valk, een boel-tata, die zoo vaak zijn huiveringwekkend boel-tata laat hooren. Hariwali had dit gedaan.
Zijn andere vrouw had het erg warm gekregen, en ging daarom even naar de rivier, om een bad te nemen, maar nauwelijks was zij ondergedoken of Hariwali veranderde haar in een bruinvisch*. Zij was de eerste bruinvisch, die de rivieren ooit hebben voortgebracht. Toen Hariwali nu op deze wijze zijn vrouwen had gestraft, was de beurt aan zijn broêr. Hoe zou hij nu dezen laten boeten voor hetgeen hij jegens hem misdreven had?
Toen Hariwali in zijn hut terugkeerde, stond hij, dien [100]hij zocht, juist gereed om met pijl en boog op jacht te gaan. Hij begroette hem niet. Hij had zijn maatregelen genomen, en deze hadden goede uitwerking, want terwijl diens pijlen nooit misten, troffen zij nog dienzelfden middag ongeloofelijk ver van het doel. Zijn broêr gaf het echter niet op en probeerde andermaal een vogel te raken, maar ook nu doodde hij het dier niet, dat slechts enkele veeren liet vallen. „Doe dat niet meer”, zei de vogel, „en kijk nu eens achter je”. En zoo waar, toen hij zich omdraaide, zag hij een uitgestrekt watervlak, en ontdekte hij tot zijn schrik, dat hij op een eiland was.
Maar hoe daar nu vandaan te komen? Hij wandelde heen en weêr, naar alle kanten zocht hij een uitweg, tot hij ten slotte een pad vond, maar geen gewoon pad, maar Jawahoe’s pad, dat leidde naar het verblijf van den Geest. Toen hij daar aankwam, pakte de Jawahoe hem beet en nam hem al zijn beenderen uit het lijf,43 behalve die van zijn vingers. Jawahoe was zoo vriendelijk dit te doen, opdat hij niet ontvluchten zou. De Geest legde hem nu in de hangmat en verzorgde hem zoo goed hij maar kon. De beenderen hing hij in een bundel op onder het dak van de hut.
Deze Jawahoe was een echte huisvader met een menigte zoons, die altijd met hun pijl en boog bezig waren. Wanneer nu hun pijlen stomp werden, behoefden zij maar naar de hangmat van den gevangene te gaan, om ze te scherpen aan diens beenige vingertoppen.
Al dien tijd jammerde Hariwali’s moeder des nachts over haar afwezigen zoon, die op zoo geheimzinnige wijze verdwenen was; maar ten laatste kreeg de piaiman, die zijn broêr door nooit falende tooverkunsten aan de macht van den Geest had overgeleverd, medelijden met haar, en [101]keerde hij naar zijn hut terug. Zoodra hij zijn moeder zag, beduidde hij haar, dat zij alles wat zij in de hut hadden, bijeen moest pakken, om ten spoedigste van de plaats weg te gaan; want dat zij allen het dorp voor altijd zouden moeten verlaten, wanneer hij er met zijn broêr zou terugkeeren.
De nacht vóór het vertrek liet de piaiman met zijn tooverrammelaar het shak shak hooren, waarmede hij zijn Geestenvrienden opriep—en ziet, den volgenden morgen vlogen er een menigte papegaaien over zijn hut. Zijn kinderen maakten hem er opmerkzaam op en hij had nog juist tijd, de vogels toe te roepen, een zaad van zekeren boom te laten vallen, van wiens bast de Indiaansche medicijnmeesters bij hunne genezingen gebruik maken. De vogels voldeden onmiddellijk aan het verzoek en hoewel de jongens het zaad hadden zien vallen, konden zij het nergens vinden.
Hariwali had er echter dadelijk zijn voet op gezet. Daar kinderen er niets meê te maken hadden, wat hij ging doen, zei hij, dat er geen zaad gevallen was en dat zij zich zoo gauw mogelijk moesten verwijderen. Het jonge volk mag immers niet zien wat de oude piaiman voor kunsten uitvoert!
Zoodra Hariwali alleen was, legde hij het zaad in den grond, op dezelfde plek, waar het was neêrgevallen, en nadat hij den zelfden avond zijn tooverkunsten met den rammelaar herhaald had, stond den volgenden morgen op de plek een statige boom. Zoodra Hariwali nu de vrucht van zijn kunde had gezien, riep hij zijn moeder, wie hij gelastte, alles wat zij bij elkander had gepakt, aan de takken van den boom te hangen, en te wachten, tot hij met zijn broeder zou terugkeeren.
Zoodra hij nu op de woonplaats van Jawahoe was aangekomen, waar hij de geheele familie afwezig vond, nam [102]hij zijn gevangen broeder uit de hangmat, trok den bundel beenderen van het bladerdak der hut en maakte, dat hij met zijn last wegkwam. Maar ongelukkig kwam de Geest eerder terug, dan hij gedacht had, en deze, ziende dat de hangmat leeg was en de beenderen verdwenen waren, begreep dadelijk, wat er gebeurd was. Hij ontdekte spoedig het versche spoor en zond zijn honden vooruit, om de vluchtelingen op te sporen. Arme Hariwali, arme broêr! Deze hoorden het blaffen van de honden en het fluiten van den Geest, maar zij hadden nog juist den tijd, om in het hol van een armadil* te kruipen. Pas waren zij er in, of Jawahoe kwam aanrennen, die hen toeriep, onmiddellijk te voorschijn te komen, want anders zou hij hen met een stok doorboren. De vluchtelingen lagen echter diep en laag en antwoordden niet. Jawahoe, daarop woedend geworden, bracht een stok met een harden stoot in het hol, maar Hariwali greep hem vast en veranderde het harde voorwerp onmiddellijk in een kapassi-slang*.
Jawahoe nu, denkende, toen hij de slang zag, dat hij zich vergist had en het spoor der vluchtelingen kwijt was geraakt, verwijderde zich nu en ging elders zoeken. Toen Hariwali zich overtuigd had, dat het gevaar voorbij was, plaatste hij de beenderen weêr in het lichaam van zijn broeder en toog met hem op weg naar zijn dorp.
Hoe verheugd was zijn moeder, haar beide zoons weêr te zien! Zij had inmiddels alles aan de takken van den zwaren boom opgehangen, en had zich met haar dochter en kleinkinderen voor een lange reis gereed gemaakt. Toen het avond begon te worden, klommen zij allen, groot en klein in de onderste takken, waarop zij beschutting vonden onder het dichte gebladerte, terwijl Hariwali nog hooger klom en hier met zijn tooverrammelaar begon te werken.
Midden in den nacht voelde de familie beneden plotseling, [103]dat de boom begon te schudden; zij hoorde rommelende geluiden, gevolgd door trillingen, en kregen de gewaarwording, dat de boom zijn wortels uit den zandachtigen bodem begon los te maken, en op het punt was, er vandoor te gaan.44 Juist waren ze voornemens de lange reis te ondernemen, toen Hariwali’s zuster, haar oogen naar beneden richtend, zich herinnerde, dat zij haar kwejoe* in de hut had achtergelaten. Zij riep haar broeder boven in den boom toe: Dekeweyo-daiba (ik heb mijn voorschoot vergeten) en toen zij ten antwoord kreeg, dat zij het moest gaan halen, veranderde zij op het oogenblik, dat zij haar hut had bereikt, in een wicissi-eend*. Nog altijd kan men deze eend „dekeweyo-daiba” hooren roepen, hoewel niet zoo duidelijk, als wanneer de woorden langzaam zouden worden uitgesproken.
Wat de rest van de familie betreft—wel, wij weten, dat de boom ergens heen vloog, maar nooit hebben wij iets van de menschen vernomen, die er op waren, toen hij van de plaats, waar hij zoo gauw gegroeid was, vertrok.