No. 20. De Legende van den Vleermuis-berg. (M.)

Langen tijd geleden, leefde er in het gebergte48 een reusachtige vleermuis, die vrees en schrik verspreidde onder de Makoesi-Indianen*. Niet zoodra was de zon in het Westen nedergedaald, of het groote afschuwelijke dier verliet zijn onbekend verblijf, fladderde over hunne vóór dien tijd zoo ongelukkige woonplaatsen en schoot pijlsnel naar beneden, om den eerste den beste, dien het buiten de hut aantrof, van den grond te lichten. Het wezen droeg daarop het slachtoffer in zijn vervaarlijke klauwen naar zijn onbekend nest en verslond het daar.

Angstig bracht men den avond in de Indianen-kampen door, en de morgen brak dikwijls met geweeklaag aan, wanneer twee, soms zelfs drie dorpsgenooten gemist werden; geen nacht ging er voorbij zonder een ontvoering en de stam verminderde dagelijks, zoodat zijn geheele vernietiging nabij scheen.

De piaiman was steeds ijverig in de weêr, om den Geest uit te drijven, maar telkens kwam het gevreesde geheimzinnige dier terug; mannen trokken er op uit, om het verblijf van den vervloekten moordenaar op te sporen, maar zij konden het nergens vinden—Makoenaima was blijkbaar niet met hen.

Om den stam voor uitsterven te behoeden, verrees er nu een oude vrouw uit haar hangmat en verklaarde aan het volk, dat zij zich wilde opofferen ter wille van hare mede-stamgenooten. Nadat de zon was ondergegaan, plaatste zij zich met een overdekten vuurstok49 in het [112]midden van het dorp, terwijl haar dorpsgenooten, gebukt en angstig in hun hutten zaten af te wachten, wat gebeuren zou. Men hoorde het fladderen van de reusachtige vleugels, en begreep, dat de heldin in zijn vreeselijke klauwen was vastgegrepen, en meêgenomen werd naar het geheimzinnige knekelhuis.

Nauwelijks was het slachtoffer omhoog geheven, of het ontdeed den vuurstok van zijn omkleedsel, en deze wierp nu, evenals de Zon, zijn vurige stralen achterwaarts50 zoodat het volk beneden kon zien, welken weg het zou moeten volgen, om het kerkhof der verloren broeders te vinden.

De hooge vlammen, die den volgenden morgen uit het brandende nest opstegen, wezen nu de verblijfplaats van het monster aan. Het volk wachtte geen oogenblik, om er op uit te trekken, en het gelukte den moordenaar te dooden. De geschiedenis vertelt niet, of de oude vrouw voor haar heldhaftige daad heeft moeten boeten; maar wel is het bekend, dat een stapel gebleekte beenderen de plaats aanwijst, waar eenmaal het nest van den roover zich bevond.