No. 22. De Lichtkever en de verdwaalde Jager. (C.)

Er gingen eens vijf mannen gezamenlijk op jacht. Zij hadden zich echter te diep het bosch in begeven, om nog vóór den nacht huiswaarts te kunnen keeren, zoodat zij, toen de duisternis hen overviel, een banab* bouwden. Den volgenden morgen trokken zij in verschillende richtingen het bosch in. Laat in den avond waren allen in de tijdelijke verblijfplaats teruggekeerd, behalve één. Drie van hen [115]beweerden, dat hij zeker door een tijger verslonden was, maar toen zij de zaak nader gingen overleggen, herinnerden zij zich, dat zij geen enkel tijgerspoor hadden gezien. De hoofdman was dichter bij de waarheid, toen hij zei: „Neen! Hij moet verdwaald zijn”.53 Dit was ook werkelijk, wat er met den vijfden man gebeurd was. Hij was al dieper en dieper het bosch ingedrongen, en was door de duisternis overvallen, waardoor hij zijn weg niet terug had kunnen vinden. Hij was toen in alle richtingen gaan zoeken en had zich eindelijk onder een boom te slapen gelegd.

Nu en dan vloog er een Poe-yoe, een lichtkever* om zijn rustplaats heen, die hem vroeg, wat hij daar zoo alleen uitvoerde. „Ik ben den weg kwijt geraakt”, antwoordde hij, waarop het insekt aanbood, hem den weg te wijzen. Maar de verdwaalde kon niet gelooven, dat zoo’n klein ding in staat zou zijn, hem te helpen. Eerst toen de lichtkever hem vertelde, dat hij voornemens was, zich te gaan warmen aan het echte vuur, dat zijn vrienden bij de banab hadden ontstoken, stemde hij toe en volgde hij het insekt.

Toen de beide vrienden het kampement in het oerwoud naderden, hoorden zij in de verte reeds menschelijke stemmen. „Luister”, zei de kleine kever, „hier zijn je gezellen. We zullen er heengaan”. Toen zij eindelijk de banab hadden bereikt, vloog de lichtkever vooruit en vertelde aan de jagers, dat hij hun verloren metgezel kwam brengen. Onmiddellijk daarna trad deze binnen, en de vier vrienden waren verheugd hem weêr te zien. [116]