No. 23. De bina54, de weder in het leven geroepen vader en de slechte vrouw. (W.)

In een der Warrau-dorpen leefde een man met zijn vrouw en zijn beide kinderen. Zijn schoonbroêr woonde bij hem in. Eens op een morgen begaven man en vrouw zich naar den kostgrond en droegen den broeder op, om te gaan visschen, zoodat zij bij hun thuiskomst wat te eten zouden hebben. Toen zij echter terugkwamen van hun werk, zagen zij, dat de broêr geluierd had en dat hij niet eens buiten de hut was geweest; ja, dat hij zelfs het weinige, dat er nog van den vorigen dag was overgebleven, had opgegeten. Dit maakte hem boos en hij zei tot zijn schoonbroêr: „Ik moet naar het land gaan, om het terrein in orde te brengen. Ik moet in het bosch gaan, om mij wild te verschaffen, en in mijn bootje de rivier opvaren, om visschen te vangen. Ik moet al het werk doen, terwijl jij niets uitvoert en alle dagen maar ligt te luieren in je hangmat. Al ben ik vermoeid, toch moet ik weêr uitgaan, om visch te gaan halen.”

Terwijl hij dit op een alles behalve vriendelijken toon zei, nam hij zijn harpoen-lans* en toog op weg naar de kreek. De schoonbroêr nam op zijn beurt zijn kapmes, en na het gescherpt te hebben, volgde hij den man in zijn korjaal. Beide mannen ontmoetten elkander juist op het oogenblik, toen de echtgenoot met zijn boot terug wilde keeren, nu hij een grooten visch had weten te bemachtigen. „Hallo! nu al terug!” zei de schoonbroêr. „Ja”, antwoordde de ander, „ik heb een grooten visch geschoten, hier is hij”. „Nu, leen mij dan je lans”, zei de eerste weêr, „ik wil zien, of ik ook zoo’n grooten visch kan schieten als jij”. Toen beide korjalen naast elkander lagen, hief de man zijn lans omhoog en wilde het wapen juist naar de boot van zijn schoonbroêr richten, toen hij op hetzelfde oogenblik door het kapmes werd getroffen, waarmeê hij [117]twee sneden ontving, die hem dood deden neêrvallen.

De moordenaar probeerde nu het lijk kwijt te raken en het in het water te werpen. Maar zijn zuster, die haar broêr zijn kapmes had zien scherpen, was in toorn de hut uitgeloopen, en had, bevreesd dat hij er iets kwaads meê voor had, tegen haar kinderen gezegd: „jelui oom is zeker boos over iets; hij scherpt zijn houwer, en is jelui vader achterna gegaan. Laten we gaan zien, wat hij wil gaan doen”.

Met haar beide kinderen was zij haar broêr gevolgd en zij kwam juist aan bij de rivier op het oogenblik, dat hij probeerde, het doode lichaam overboord te werpen. „Neen, doe dat niet, broêr”, zei ze. „Nu je hem gedood hebt, moet je zijn lijk meê naar zijn hut nemen en hem daar begraven”. Hij deed, wat hem werd gevraagd, nam het lijk meê in zijn korjaal en begon een boom te vellen, om hout te hebben voor zijn laatste rustplaats. In dien tusschentijd zond de vrouw van den vermoorde hare kinderen naar diens broêr en oude moeder, met de boodschap, dat zij niet ongerust moesten zijn, maar eens moesten komen. Moeder en zoon lieten niet op zich wachten en toen zij naderbij kwamen, zagen zij, dat hij juist gereed was gekomen met het uithollen van den stam, de lijkkist in de hut had gebracht en nu bezig was een graf te graven. De broêr van den vermoorde was woedend, maar zijn moeder zei: „Hinder de man niet: wij willen eerst eens zien, wat de weduwe denkt te doen”. Deze wachtte bij het graf met een kapmes in haar hand en zei tot den moordenaar, wat haast te maken.

Toen de delver met het graf gereed was, liet hij de kist er in zakken, legde hij er het lijk in, dat hij netjes gekleed had en met verf en sieraden had opgetooid, en gaf het zijn mes, zijn vischhaken en andere voorwerpen van zijn voormalig bezit meê. Toen hij eindelijk met zijn [118]nog met bloed bevlekte handen begonnen was, het graf met aarde dicht te werpen, trof zijn zuster, die achter hem stond, hem met haar kapmes in den nek en na enkele oogenblikken bloedde de delver dood.

Er werd nu een tweede graf naast het eerst gegravene gedolven, en daarin legde de zuster hem, zooals hij in zijn naaktheid was, neder, zonder kleeding, zonder sieraden, zonder zijn bezittingen, want zij voelde niet het minste medelijden of spijt jegens haar broêr.

Den zelfden dag vertrokken de moeder en de broeder weêr naar hun woonplaats, na de weduwe te hebben overgehaald, bij hen haar intrek te nemen en de kinderen mede te nemen. Dadelijk na aankomst in het verblijf der oude moeder nam haar zoon de zorg voor de weduwe op zich, legde haar in zijn hangmat en zei tegen zijn vrouw, dat hij liever deze vrouw nam, omdat deze kinderen had, en zij hem geen kinderen kon schenken.

In het nieuwe verblijf voelden de kinderen van de weduwe zich weinig op hun gemak. Iederen morgen, nadat zij wat hadden gegeten, begaven zij zich zoo gauw zij konden naar het graf van hun vader en keerden zij eerst laat op den dag terug. Op den derden dag van hun bezoek aan het graf ontmoetten zij een Heboe*, maar de kinderen herkenden hem niet. De Heboe sprak tot hen: „Wanneer jelui je vader weêr terug wilt hebben, moet je een blad van een zekeren boom (hij noemde den boom) plukken en er mede over het graf heen en weêr wrijven. Dan zal hij verschijnen”.55 „Maar we kennen den boom niet”, antwoordden zij, en toen de kleine man eenige bladen van den bedoelden boom had geplukt, wees hij hun, hoe zij de bladeren over den grond moesten wrijven, waar hun vader lag begraven, en drukte hen op het hart, dit den volgenden morgen dadelijk te doen en dan [119]’s middags terug te komen. Hun vader zouden zij dan zien.

Den anderen morgen volgden de kinderen op, wat de Heboe had gezegd, en toen zij des middags terug kwamen, zat hun vader in de hut. Hij ging naar hen toe en zei: „Haal wat water voor mij: ik heb dorst”. Nadat hij wat gedronken had, vroeg hij: „Waar is jelui moeder?” Toen hij hoorde, dat ze bij haar schoonmoeder woonde, droeg hij hen op, haar te gaan halen. Toen de kinderen bij hun moeder kwamen en haar alles hadden verteld, wat ze gezien hadden, riep zij uit: „Hoe kan dat nu? Hoe kan jullie vader mij roepen, hij is immers dood?” Zij wilde er eerst niets van gelooven, maar toen de jongens bleven aandringen en al maar riepen: „Kom toch moeder, ga toch meê, alles is waar wat wij vertelden”, volgde zij haar kinderen. Zij weigerde echter haar hangmat meê te nemen, want zij kon nog altijd het verhaal niet gelooven.

Toen zij met de kinderen bij het graf gekomen was, kon zij haar oogen niet gelooven. Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut. Het was haar echte man, die daar tegenover haar zat. Het eerste wat hij vroeg was: „Waar is je broêr?” waarop zij antwoordde: „Wat, ik doodde hem en begroef zijn lijk naast het jouwe”. „Nu”, zei haar man, „hem zal je nooit terug zien”.

Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut.—Zie blz. 119.

Want haar man zat zoowaar in levenden lijve in de hut.Zie blz. 119.

Hoewel hij erg slap was, na al wat hij geleden had, was hij binnen een week weêr geheel de oude van voorheen, daar hij door zijn vrouw zóó teederlijk verzorgd werd, dat hij zijn gezondheid spoedig weêr terug kreeg.