No. 24. Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de handen der Caraïben ontkwam. (W.)

Een aantal vrouwen en meisjes trokken er eens op uit om wilde ananassen* te zoeken. Zij vertrokken van haar dorp in een groote korjaal en landden ten slotte nabij een savanne*, waarop deze vruchten veel plegen voor te komen. [120]Nadat zij een poos hadden omgezworven en een voldoend aantal dezer lekkere vruchten bijeen hadden, zetten zij zich in een kring neêr, om ze op te eten, terwijl zij druk lachten en babbelden, zooals vrouwen dit gewoon zijn te doen.

Nu hadden zij een kleinen jongen meêgenomen, die in een overhangenden boom was geklommen, waaraan de korjaal was vastgebonden, en waarin hij de wacht hield. De jongen was bang en had een gevoel, dat er iets zou gaan gebeuren.56

Na een poos riep hij de vrouwen toe, dat eenige mannen de rivier kwamen overzwemmen; maar de vrouwen staken er den gek meê, en riepen hem toe: „Het is best, laten ze maar komen! Wij zullen ons best met hen vermaken”. De mannen waren echter menschenetende Caraïben; want pas hadden ze den oever bereikt, of ze wierpen zich op de vrouwen, slachtten ze allen en begonnen het vleesch te koken. De jongen in den boom trilde van angst en schrik, maar durfde niet naar beneden te komen. De Caraïben bewaakten de korjaal om te zien of de een of ander de boot zou komen halen, maar op onregelmatige tusschenpoozen liepen zij heen en weêr van de plek van den misdaad naar de landingsplaats. Gedurende een van deze oogenblikken zag de jongen kans, vlug van den boom af te komen, en nadat hij zijn pijl in stukken had gebroken57 en de stukken over zijn lichaam had gewreven, om zich dapper te maken, sprong hij in de korjaal en parelde hij zoo hard hij kon naar het midden der rivier.

Maar de Caraïben hadden gezien wat hij deed en schreeuwden: „Keer om, keer terug, je zuster leeft nog en roept om je”. Maar de jongen wist wel beter, zoodat [121]hij stevig doorparelde en veilig in zijn dorp kwam. Hier vertelde hij zijn vader en anderen, wien het ongeluk getroffen had en wat er gebeurd was. Deze haastten zich naar de plaats des onheils, maar toen zij er aankwamen, hadden de Caraïben reeds de vlucht genomen, zoodat zij geen betaling ontvingen (= niet gewroken konden worden).