No. 26. De gelukspot. (W.)

Op zijn weg van het bosch naar huis kwam een man eens voorbij een banab*, zonder bewoner. Hij vond er alleen een Pot, zacht pruttelend op het vuur. De Pot begon te spreken58 en vroeg hem of hij honger had. Toen hij ten antwoord gaf: „Ik ben uitgehongerd”, zei de Pot: „Uitstekend! Ik zal een vogelbout voor je koken”. Onmiddellijk deed de Pot, wat hij beloofd had, en toen de man verzadigd was, stond hij op en vervolgde zijn weg naar zijn hut.

Daar aangekomen, zette zijn vrouw visch, die zij gereedgemaakt had, voor hem neêr. Maar de man zei, „neen, ik [123]dank je, ik ben verzadigd”. Zoo nu en dan verzon de man een uitvlucht, om op stap te gaan, en verzuimde nimmer een bezoek aan den Pot te brengen. „Ik heb honger, je moet nu eens een hapje vleesch voor me klaar maken”, zei de man. Dadelijk begon de Pot weêr te koken en na korten tijd had hij een stevig maal tapir-vleesch. Toen hij weder bij zijn vrouw kwam, zette zij een cassavegerecht voor hem neêr,59 maar haar man zei weêr: „ik heb geen trek, mijn buik staat bol.” Nadat hij twee dagen in de hut was gebleven en al het voedsel had geweigerd, dat zijn vrouw bij hem bracht, bracht hij weêr een bezoek aan den gelukspot, die hem trakteerde op vogelbout en vleesch en bij zijn thuiskomst verzekerde hij weêr zijn vrouw, dat hij in niets trek had.

De beide zoons begonnen nu argwaan te krijgen en fluisterden tegen elkaar: „wat moet dat toch beteekenen? Vader blijft twee volle dagen thuis, en nog heeft hij geen trek. Hij gaat naar het bosch, en als hij terug komt, wil hij nog niet eten. Waar haalt hij toch zijn voedsel van daan?” De jongens besloten, hem op een afstand te bespieden en toen zij hun vader tot bij de banab gevolgd hadden, zagen zij hem in gesprek met den Pot en hem ten slotte een lekker maal doen.

Bij zijn terugkeer bedankte hij weêr voor hetgeen zijn vrouw hem bracht. Maar er was een geringe voorraad eten voor de huishouding, en de vrouw vroeg haar man daarom, om morokot* te gaan schieten. De zoons echter begaven zich ongemerkt naar de banab, waar zij eveneens met den Pot begonnen te spreken, en om vogels en vleesch vroegen. Nadat de jongens zich te goed hadden gedaan, begonnen zij den Pot zóó goed schoon te maken, dat niet de minste geur achterbleef. Even daarna kwam de vader van [124]den vischtocht terug en gaf den morokot aan zijn vrouw; maar hij bedankte als gewoonlijk. „Ik heb er geen trek in, ik ben voldaan”, zei hij weêr. Stilletjes sloop hij weêr weg naar zijn Gelukspot in het bosch, en vroeg hem weêr, voor hem te willen koken, maar hij wilde niet meer koken, noch voor hem, noch voor iemand anders; zóó schoon hadden ze den Pot* gemaakt. De man begon toen te jammeren, maar de Pot zei: „je bent begeerig geweest; je hebt niets van het gevogelte en het vleesch aan je vrouw en kinderen gegeven; je hebt alles alleen opgegeten.”