Maconaura* was een buitengewoon knappe piaiman; wij Indianen plegen een, die bijzonder uitmunt, een semi-chichi* te noemen. Wanneer hij zijn val of knip* in het bosch uitzette, was hij altijd zeker een of ander wild te vangen, hetzij vogels of dieren.60 Maar eens op een keer, toen hij weêr naar zijn knip ging zien, zag hij tot zijn [126]groote ergernis, dat de een of ander hem bestolen had, en het voor hem bestemde vleesch had weggenomen. Hij peinsde zich suf, wie dat toch gedaan kon hebben, want er waren geen voetstappen te zien, noch afgetrokken takken, die de vlucht van een of anderen vreemden gast verraden kon. Om nu den misdadiger te ontdekken, klom hij den volgenden morgen in een boom boven zijn knip en hield van uit zijn verheven zitplaats de wacht. Hij zag nu, dat er wild in zijn knip was en dat nu en dan een stinkvogel binnensloop en probeerde met zijn mes61 stukken vleesch af te snijden, om het des te gemakkelijker eruit te kunnen krijgen. Maar het mes van dezen gier was te bot, zoodat de vogel wegvloog om den koningsgier* te halen, die een scherper mes had, en die al het vleesch schoon van het wild kon afhalen. Dadelijk kwamen nu een menigte stinkvogels aanvliegen om te helpen en in korten tijd was er geen stukje vleesch meer in den knip overgebleven.
Maconaura zag dit alles, verscholen tusschen de boomtakken, rustig aan, en telkens zag hij hetzelfde gebeuren; de koningsgier was altijd de belhamel. Hij zon nu op een middel, om den prachtigen vogel machtig te worden. Hij nam een hoeveelheid katoen62, wikkelde zich er geheel in, zoodat zelfs ooren, neus en oogen er geheel mede bedekt waren, en legde zich doodstil vlak bij zijn val neêr, waarin zich wild bevond.
Zooals gewoonlijk kwam er al spoedig een stinkvogel aanvliegen, maar zijn mes was te bot, om hetzij Maconaura buiten den knip, hetzij het wild in den val aan te snijden. Ook nu weêr vloog de stinkvogel weg, om zijn gouverneur, [127]den koningsgier te gaan halen. Toen deze prachtige vogel dichtbij genoeg was, greep Maconaura hem zóó stevig beet, dat de kleinere stinkvogels, die spoedig reeds present waren, er van schrokken en allen wegvlogen. De koningsgier vermoedde in zijn aanvaller dadelijk een piaiman, want nog nooit had iemand hem zóó leelijk te pakken gekregen. Eigenlijk doe ik verkeerd, hier van hem en zijn te spreken, want de vogel was een vrouwelijk exemplaar, hetgeen Maconaura spoedig zou merken, want plotseling legde de gier het veerenkleed af en veranderde in een vrouw63, en welk een vrouw!—een beeldschoon meisje, zóó schoon, dat Maconaura smoorlijk op haar verliefd werd en haar tot vrouw nam.
… want plotseling legde de gier het veerenkleed af en veranderde in een vrouw.—Zie blz. 127.
Vele jaren leefde het paar tevreden en gelukkig, en de stinkvogels hielden het voortdurend gezelschap. Eens op een dag zond de vrouw Maconaura met een korf naar de rivier om water voor haar te halen; maar hoe hij het ding ook in het water dompelde, steeds liep het er door de mazen even hard weêr uit. Toen hij het nog maar niet wilde opgeven, kwamen er moeneri-mieren64 opdagen, die zijn pogingen zagen en hem vroegen, wat hij daar deed; en toen zij van hem hoorden, hoe hij alles in het werk stelde, om aan het verlangen van zijn vrouw te voldoen, boden zij hem aan, om alle openingen van zijn korf met „mierenbed” dicht te stoppen.65 Toen nu de mieren met hun karrewei gereed waren, liep het water niet meer weg [128]en zoo bracht Maconaura den korf, tot aan den rand toe gevuld, huiswaarts.
Toen zijn vrouw dit zag, zei zij bij zich zelf: „Mijn man moet toch wel een ware semi-chichi zijn, om voor mij water in een korf te kunnen brengen.” Zij begreep er evenwel niets van en besloot hem nu een tweede maal op den proef te stellen.
Zij zond hem er nu op uit, om een stuk bosch voor haar schoon te kappen, maar toen hij iederen morgen het werk wilde voortzetten, zag hij tot zijn bevreemding, dat alle boomen, die hij den vorigen dag geveld had, weêr recht overeind stonden. Wat was de oorzaak daar wel van? Wel, op verzoek van den koningsgier vlogen alle stinkvogels iederen nacht naar het veld, en zetten de boomen, die op den grond lagen, weêr overeind! Arme Maconaura! Hij begreep er nog steeds niets van. Maar hij wist er iets op. Hij ging nl. naar de Koeshi-mieren* en verzocht hen, al het gevelde: stam, takken en bladeren voor hem te willen weghalen—hetgeen zij ook deden. Tegen zulke vernielers konden de stinkvogels niets uitrichten, en met de hulp van dit kleine grut gelukte het Maconaura het veld spoedig schoon te kappen.
Zijn vrouw, die steeds meer tot de overtuiging kwam, dat haar man een groote piaiman was, wilde hem toch nog eens voor de derde maal op de proef stellen. Zij zond hem er nu op uit, om een zitbank voor zijn schoonmoeder te maken, met aan elk uiteinde de uitgesneden beeltenis van de oude vrouw. Dit zou, dacht zij, voor hem wel geheel onmogelijk zijn en Maconaura geloofde dit ook, want hij had nog nooit een oog naar zijn schoonmoeder* geslagen. Hij dacht: „Nooit opgeven!” Maar iedere keer, dat hij even in de richting der oude vrouw keek, bedekte zij onmiddellijk haar gezicht met haar beide handen, en draaide het opzij of naar beneden. [129]„Hoe nu”, dacht Maconaura, „krijg ik haar gelaat naar boven, zoodat ik er een goed gezicht op heb”. Daar kreeg hij een inval. Zonder dat de vrouw het merkte, klom hij tegen het dak van haar hut, en wierp hij een bajaboe* naar beneden, die in haar lendenkleed terecht kwam, zoodat de oude haar armen uitspreidde en een klein oogenblikje naar boven keek, juist lang genoeg, om zijn doel te kunnen bereiken. Maconaura begon nu met zijn werk; hij hakte het blok hout in een zoodanigen vorm, dat hij aan ieder uiteinde het goed gelijkende portret van zijn schoonmoeder kon maken.
Toen het werk gereed was, bracht zijn vrouw het bankje naar de oude vrouw, die hartelijk begon te lachen, toen zij de beide portretten zag. Beide vrouwen verbaasden zich er over, hoe Maconaura het had klaargespeeld, om een zóó goed gezicht op zijn schoonmoeder te hebben gehad, en daardoor een zóó sprekend gelijkend portret van haar te hebben kunnen maken.
De jonge vrouw begon nu werkelijk trots op haar man te worden, ja hem te beminnen, omdat hij steeds aan haar wensch voldeed. Wanneer zij hem vroeg, wat visch te brengen, ging hij naar de rivier, en als hij er eenigen meebracht en zij pruilend haar lippen naar voren bracht, daarmede te kennen gevend, dat het niet veel was, dat hij bracht, zei hij, dat zij den korf moest openen, en de visschen zouden er, de een na den ander komen uitduikelen—ja, in zulke hoeveelheden, dat de geheele hut er meê gevuld zou worden.
Maconaura lachte maar; want hij was een piaiman, die buitengewone dingen kon doen.
Inmiddels was de gelukkige echt gezegend door een knappen jongen en .… begon de jonge vrouw heimwee te krijgen en te verlangen, haar man en kind aan haar eigen volk te laten zien. Haar verlangen werd zóó groot, [130]dat zij van Maconaura gedaan wist te krijgen, met hem en den zoon het dorp te verlaten, want zij wilde terugkeeren naar haar vaderen boven en beneden de wolken.
Zij verlieten dus het dorp, kwamen in hun nieuw verblijf aan en bleven langen tijd bij hun verwanten, de stinkvogels. De vrouw kon niet nalaten, telkens van de groote kunde van haar man te vertellen, die alles kon doen, wat zij hem maar vroeg. De stinkvogels, daardoor nieuwsgierig geworden, begonnen hem allerlei dingen te vragen, die, naar zij meenden, onmogelijk waren—maar al het gevraagde bracht hij tot stand. De stinkvogels konden die knapheid niet velen en begonnen jaloersch te worden, zoodat zij eindelijk overeen kwamen, den man gezamenlijk te dooden.
Maconaura, die een echte piaiman was, wist, wat zij met hem voor hadden, en zei: „Uitstekend, laat mij naar mijn dorp terugkeeren en mijn vrienden gaan opzoeken. Wij zullen het daar wel uitvechten”. Onmiddellijk nam hij zijn vrouw en zijn zoontje meê, en met hun drieën togen zij weder huiswaarts. Hier aangekomen, verzamelde hij alle vogels uit den omtrek, en vertelde hun, dat zij voorbereid moesten zijn op een stormloop der stinkvogels.
Toen deze er dan ook aankwamen en het groote leger vogels zagen, gereed om hen te ontvangen, besloten zij door middel van een krijgslist zich de overwinning te verzekeren, hetgeen hun door kracht alleen niet zou gelukken.
Het voornemen der stinkvogels was nl., de geheele wereld in brand te steken, met Maconaura en al zijn vrienden er bij. Zij legden dan ook overal in het rond vuren aan en meenden, dat hun vijanden niet ontkomen zouden, maar nog juist bijtijds ontdekte Maconaura den zwarten Koeri-Koeri*, die hoog in de lucht vloog, en die aan al zijn vrienden verzocht, hem te volgen, om zich bij zijn verwenschingen aan te sluiten. En ziet—onmiddellijk [131]begon de regen bij stroomen neêr te vallen, die alle vuren uitdoofde.
Toen nu Maconaura bemerkt had, dat zijn vrouw bang voor hem was geworden, omdat hij het doel van haar eigen volk, de stinkvogels, om nl. de geheele wereld in brand te steken, verijdeld had, verliet hij haar en ging hij zijn eigen weg. Zijn vrouw zond toen haar zoon er op uit, om haar man heimelijk te overvallen, en hem te dooden, maar of hij dit snoode plan tot uitvoering heeft gebracht, is mij niet bekend.