Jelui moeten bedenken, dat wij Arowakken in vroeger dagen nimmer een man aan onze dochters zouden geven, wanneer hij niet te voren proeven zijner bekwaamheid op de jacht had afgelegd, en daardoor het bewijs had geleverd, [149]in staat te zijn, een vrouw te kunnen onderhouden73.
Tot deze proeven behoorde o.a. het schieten van een pijl in het nest van een specht van uit een korjaal op de rivier, het vullen van een zeker aantal korven met een hoeveelheid zelf gevangen krabben*, in den loop van slechts één getij, en het schoonkappen van een stuk land binnen een vastgestelden termijn.
De eerste proef was buitengewoon moeilijk74 en geraakte dan ook langzamerhand bij ons in onbruik, maar de beide anderen worden nog steeds in eere gehouden75.
Het was juist in de dagen, dat de eerste proef bij ons werd afgeschaft, dat een jongen man, die aan een meisje het hof maakte, beweerde geen moeielijkheden te zullen hebben, om in het bezit van zijn geliefde te kunnen geraken, en meende, dat hij niets anders te doen had, dan eenige krabben voor zijn a.s. schoonvader te vangen en een stuk land schoon te kappen.
Toen hij zich nu naar den ouden man begaf, om de hand van zijn dochter te vragen, kreeg hij ten antwoord, dat hij er geen bezwaar tegen had; dat hij bij hem zijn intrek kon nemen, totdat hij hem zijne bekwaamheden zou hebben getoond. [150]
Er waren nu zoo wat twee of drie weken van de wittebroodsweken verstreken, toen de oude man zijn aanstaanden schoonzoon zijn verlangen te kennen gaf, zijn korven gereed te maken, om ermede op den vastgestelden dag naar de zeekust* te kunnen gaan. De jongeling toog nu met zijn kornuiten op weg, om den noodigen voorraad Itiriti* te halen en in de hut teruggekeerd, begon hij het ijverig te snijden en tot bundels samen te binden. Maar verder kwam hij niet, want het mandenvlechten had hij niet geleerd.
Toen nu zijn kameraden, die reeds druk bezig waren, hunne korven te vlechten, zagen, dat hij zijn werk had neêrgelegd, vroegen zij hem, waarom hij niet verder ging. „Wel, ik wacht er meê, totdat ik voor de vangst vertrek”, was zijn antwoord, beschaamd als hij was voor zijn onbekwaamheid. „Je moet wat haast maken”, riepen zij hem toe. „Niet noodig”, antwoordde hij, „ik heb er in het minst geen moeite meê. Ik zal mijn manden wel maken, en krabben vangen, terwijl jelui bezig zijt, jelui korven te vullen. Jelui zult er versteld van staan. Ik zal jelui wel verslaan”.
Een heel gezelschap was het, dat den anderen dag den tocht naar de kust ondernam; in de korjaal zaten de toekomstige echtgenoot, de vrouw, die hij zich nu voor altijd zou hebben te veroveren, de oude schoonvader en een zestal jongelieden. Toen zij eindelijk de zee hadden bereikt, legden zij op korten afstand van de kust de boot vast, en voorzien van hun korven, begaven allen, uitgezonderd het jonge paar, zich op het modderige land.
Toen nu het paar alleen was, verzocht de jonge man zijn bruid de korjaal uit te gaan, en al de kleine kassoeroe-xoewa (door andere schrijvers kassaroa*) naar de boot te drijven. Terwijl hij nu gehurkt in de boot bleef zitten, met de bundels wariembo-riet in zijn hand, en probeerde [151]een korf76 te vlechten, zwommen de door zijn bruid opgedreven vischjes hem voorbij. Zooals wel te voorzien was, maakte hij geen vorderingen, en hij liet zijn bruid ten tweeden male de school vischjes insluiten, waardoor zij teruggedreven werden en hij er dus een ander gezicht op had. De vrouw ging er maar steeds meê voort, de visch nu eens vooruit, dan weêr achteruit te drijven—maar het hielp hem niets, want hij maakte geen vorderingen. De jonge vrouw begon nu angstig te worden, en terwijl zij uit de korjaal een mand nam, baggerde zij door het water naar de kust. Haar aanstaande man riep haar echter terug; maar zij sloeg geen acht op zijn herhaald roepen. Men moet weten, dat de korf, die zij had meêgenomen, heel toevallig (?) aan een der jonge mannen van het gezelschap behoorde, waarmede zij vroeger een liefde had gehad. Toen de vrouw nu den man in kwestie aan het strand met de krabbenvangst bezig vond, voegde zij zich bij hem en vroeg zij hem te mogen helpen. Wanneer hij de krabben uit de gaten haalde, dan zou er wel eens een, dacht zij, naast haar vallen, en zou zij zoo haar korf geleidelijk kunnen vullen.
Maar de bruidegom, het zaakje niet vertrouwend, had nu ook het strand opgezocht, waar hij zijn bruid een van het gezelschap zag helpen. Hij wilde nu meehelpen, maar hoe hij ook ijverig zijn handen in de gaten stak en de gevangen dieren zijn bruid toewierp, zij deed alsof zij het niet merkte. Hoe hij haar ook telkens toeriep: „Kijk dan toch! Zij zal wegloopen. Doe haar toch in je korf!” zij zag niet eens op. [152]
Met haar gezelschap, haar vroegeren beminde, deed zij geheel anders. Zij hielp hem ijverig zijn korven te vullen, en toen zij ze allen vol hadden, keerden zij samen naar de boot terug, om nog twee korven te halen, die nu ook spoedig gevuld waren.
Toen nu de bruigom had moeten aanzien, dat de anderen zooveel krabben hadden gevangen, als de korven maar konden bergen, werd hij wanhopig en terwijl hij zijn hangmat nam, wikkelde hij er in de plooien nog zooveel krabben in, als hij maar kon grijpen.
Het was nu tijd voor de terugreis, en toen de bruid plaats moest nemen, ging zij, zoowaar, in plaats van naast haar bruigom, naast haar vroegeren beminde zitten. En hoe de bruigom ook riep: „Kom hier, je zit op een verkeerde plaats”, noch de bruid, noch haar oude vader wilden er naar luisteren, ja, ze snauwden hem nog toe ook.
Toen nu het gezelschap van den tocht in het dorp teruggekeerd was, zochten de mannen hun hangmatten op, terwijl de bruid voor den pot ging zorgen. Veel werk gaf dit niet, want de krabben waren spoedig geroosterd. Toen zij opgedischt konden worden riep de vrouw: „Vader! het is klaar.” De oude man verliet daarop zijn hangmat en riep een voor een de jonge mannen, ieder bij hun naam. Het laatst riep hij Satchi! Toen nu de bruigom deze uitdrukking van teederheid hoorde, meende hij, dat hij bedoeld was en antwoordde dus: „Wangj” (d.i. ja, dank U). „Neen neen,” zei de vader, „ik bedoel mijn schoonzoon, dien ik van daag op de terugreis bij mij in de boot had zitten. Hij kan korven vlechten en jij niet.”
Beschaamd droop nu de bruigom af en zijn hangmat met het handjevol krabben meênemend, zocht hij de hut van zijn moeder op. Deze was, wat men noemt, een goede ziel, die dadelijk de krabben begon gereed te maken, haar jongen een goed maal cassavepap gaf, hem troostende, [153]zooals alleen een moeder kan doen. Zij ried hem, nog wat geduld te oefenen, omdat ze er zeker van was, dat het meisje ten slotte tot hem zou terugkeeren.
Enkele dagen later nam de oude vrouw haar troostelooze zoon meê voor een bezoek aan een harer oude vrienden, een man, die in liefdeszaken een goed inzicht had, en daarbij zeer bedreven was in alles, wat een Indiaan in zijn leven te pas kan komen. Zij vertelde haar vriend van de zorg, waarin haar jongen verkeerde en verzocht hem, haar zoon te willen onderwijzen in alles, wat de jacht betrof, maar ook in het vlechten van koeroekoeroes*, het vervaardigen van matapis*, manaris*, pagalen* en waaiers*—want het was immers aan zijn onkunde te danken, dat hij zijn bruid had moeten verliezen.
De oude man wilde het uit oude vriendschap graag doen en zoo bleven moeder en zoon meer dan een jaar bij hem inwonen, toen de leerling eindelijk evenzeer bedreven was in al de kundigheden als zijn leermeester.
Toen nu moeder en zoon van den ouden man dankbaar afscheid namen en weder naar de kleine hut terugkeerden, die zij zoo lang geleden verlaten hadden, brak er een gelukkige tijd voor beiden aan. Want nooit hadden zij meer over gebrek aan eten te klagen. Iederen dag bracht de zoon iets thuis en de barbakot kraakte voortdurend onder het gewicht van het te roosteren vleesch. Eens gebeurde het nu, dat een vrouw, die voorbij kwam, nieuwsgierig naar al die heerlijkheden keek, en dat de oude moeder haar er wat van aanbood. Zij nam het gretig aan, en nauwelijks was zij uit het gezicht verdwenen, of zij holde er mede naar de hut, waar de bruid van een jaar geleden woonde, en waar zij aan ieder, die het hooren wilde, vertelde van het verkeerde oordeel over haar vroegeren bruidegom geveld. Had zij niet zelf, met haar eigen oogen, al het wild gezien, dat hij geschoten had, en [154]al de koeroekoeroes, matapis, manaris enz., door hem zelf gevlochten.
Er ontspon zich nu een langdurig twistgesprek over het geval, dat het verlangen bij haar opwekte den man te bezoeken, die zij en haar vader ten onrechte versmaad hadden. Voor haar was daar ook wel aanleiding voor. Want de ervaring van een jaar lang was voor haar een zeer droevige geweest: te laat had zij immers ontdekt, dat haar tegenwoordige man niet alleen niets waard was, maar daarbij zeldzaam lui, en dat het eenige wat hij deed, was in zijn hangmat te liggen, terwijl zij voor hem kon zwoegen.
Den volgenden morgen trok zij de stoute schoenen aan en toog zij met haar moeder op weg, de richting naar de hut inslaand, waar de meester woonde, wiens ijver, moed en bekwaamheid zij den vorigen dag zoozeer had hooren prijzen. Toen zij in zijn hut aankwamen, lag de man in zijn hangmat, zoodat zijn moeder de bezoeksters ontving. De oude vrouw zette bankjes voor ze neêr en bracht wel wat cassave met pepers aan, maar zocht zich te verontschuldigen, dat zij niets anders had om haar aan te bieden. De bezoeksters zagen elkander echter ongeloovig aan, toen zij den barbakot met het gewicht van geroosterd vleesch gewaar werden, en toen zij ook een vollen peperpot zagen staan, konden zij hare verlegenheid haast niet verbergen bij de gedachte, den man, van wien toch dit alles afkomstig was, zóó slecht behandeld te hebben. De beide vrouwen durfden niets van het aangebodene aan te raken, en wat meer is, zij vroegen zelfs de vrouw den peperpot te verwijderen77.
De moeder der bruid van een jaar geleden hield het [155]niet langer uit; zij stond op, gereed om te vertrekken, en probeerde ook haar dochter te bewegen, zich van deze plaats te verwijderen, maar deze sprak: „Neen, ik wil hier blijven; ik blijf bij mijn eersten man; of hij mij zal slaan of niet, het zal mijn zorg zijn. Hij heeft immers getoond, veel beter te zijn dan mijn tegenwoordige man.” Nauwelijks had zij dit gezegd en was haar moeder reeds de hut uitgeloopen, of zij rende naar de hangmat, waarin de jonge man van zijn werk lag uit te rusten en klom er in, uitroepende: „Ik ben weêr bij je teruggekomen, mijn schat.” Maar de man pakte haar beet, en wierp haar er uit, zeggende: „Ik heb je niet noodig. Ik ben immers de luie, onwetende, onwaardige man, dien je een jaar geleden versmaad hebt.” Maar zij gaf het niet op en probeerde voor de tweede maal in de hangmat te klimmen. De man hield echter vol, en of zij hem al „lekkere bek” noemde, hij deed of hij het niet hoorde.
Terneêrgeslagen en beschaamd droop ook zij af, en keerde zij naar haar tweeden man terug. Haar eerste man liet zij met zijn moeder achter, gelukkig als hij was, haar te hebben hooren heengaan.