No. 36. Hoe een man van zijn luiheid genezen werd. (W.)

Ik vertel hier nog een andere krabbengeschiedenis, waarvan de held niet van zijn onbekwaamheid, doch van zijn luiheid schade ondervond.

Een groot gezelschap toog in een groote korjaal op reis, om krabben te vangen; elk van hen had twintig korven meêgenomen, en als zij ergens aan land gingen uitrusten, hielden zij zich met hunne afwerking onledig. Zij hadden immers niets, wat hen afleidde, want zij hadden hunne vrouwen thuis gelaten, die zouden zorgen de paiwarri bij hun terugkeer gereed te hebben.

Langs een der kreekjes, die zij voor rustplaats hadden [156]uitgekozen, zagen zij een kleine Maripa-palm*, die een grooten tros rijpe vruchten droeg. Nadat zij den tros hadden afgeplukt, begaven zij zich er mede in de boot, en begonnen zij zich aan het smakelijke vruchtvleesch te goed te doen. De held van dit verhaal vroeg zijn reisgenooten, de zaden voor hem te willen bewaren. Zij voldeden aan zijn verzoek, en des nachts vóór de aankomst aan het uitgekozen krabbenoord, vulde hij er zijn korven mede. Den volgenden morgen begaf het gezelschap zich aan land voor de krabbenvangst, uitgezonderd onze luie vriend, die in de boot bleef zitten, en geen voet in het water zette. Hij was niet onbedreven in de krabbenvangst, doch was te lui, en rekende er op, dat de anderen hem wel zouden voorzien. Maar dit gebeurde niet, want zij waren onderling overeengekomen, hem geen krab te geven. Alzoo gebeurde het, dat, toen zij de terugreis aanvaarden, de luiaard zijn manden slechts met palmpitten gevuld had.

In den nacht bereikte het gezelschap het dorp en allen zochten dadelijk hunne hangmatten op. Den volgenden morgen droegen zij hun vrouwen op, de korven met krabben te gaan halen, die zij aan den waterkant hadden achter gelaten78. De vrouw van den luiaard, die de mand met palmpitten had gehaald, vroeg haar man, waar zijn krabben waren, en ontving ten antwoord, dat zij ze zou vinden op den bodem der manden en dat zij had te wachten, totdat de andere vrouwen de korven geledigd zouden hebben. Zij deed dit, maar toen zij geen krabben zag, ging zij met de korven naar haar moeder en liet haar zien, welk soort krabben haar man had thuis gebracht. De oude vrouw was daar weinig over gesticht en zei tot haar dochter: „Gooi het zoodje in een grooten pot, en kook het net zoo lang, tot de harde schillen barsten. Alle vrouwen echter deelden van haar voorraad aan de [157]teleurgestelde ieder een mand met krabben uit, maar op voorwaarde, dat zij er niets van aan haar man zou geven.

Allen, behalve een, vergastte zich nu aan een heerlijk maal, met de inmiddels gereed gemaakte paiwarri opgediend. De oude moeder nam een kalebas, gevuld met de gekookte palmpitten en zette deze voor haar nietswaardigen schoonzoon neêr. Deze was wel genoodzaakt er van te eten, al was het niet, omdat hij honger had, dan vooral, omdat hij zijn schaamte wilde verbergen, toen geen van allen hem wat van hun krabben meedeelde.

Deze straf genas hem van zijn luiheid, want bij de eerstvolgende gelegenheid, dat men weêr op krabbenvangst uitging, bracht hij voor zijn vrouw geen palmzaden, maar krabben mede.