No. 37. Zwarte Tijger, Wau-oeta en de gebroken boog. (W.)

Er leefde eens een man, die twee schoonbroêrs had. Terwijl hij de ongelukkigste van alle stervelingen was, kwamen zij tegen den avond geregeld met een goede hoeveelheid wild huiswaarts, en daarom zeiden zij tot elkaar: „Daar hij geen geluk heeft, zullen wij hem zien kwijt te raken”. Zij namen hem op een goeden dag meê naar het bosch. Zij waren er al een eind in, toen zij hun verlangen meêdeelden, afzonderlijk te gaan jagen. Zij zouden één kant uitgaan, hij een anderen, terwijl zij elkander op een bepaalde plek zouden ontmoeten. De weg, dien de beide broêrs hem hadden aangewezen, leidde naar het leger van Tobe-horoanna*, maar hij, wien zij het slachtoffer wilden laten worden, wist dat niet.

Hij begon nu te dwalen en kwam eindelijk aan een breed pad, wat hem deed uitroepen: „Waar ga ik heen?” Zoo in zich zelf sprekend, trof een hard geruisch zijn oor. Wat het was, wist hij niet. Op een antwoord behoefde [158]hij echter niet lang te wachten, want spoedig daarna zag hij Tobe-horoanna naderen. Zoo gauw hij kon rende hij naar een enormen boom, achtervolgd door Zwarte Tijger. Beiden begonnen nu achter elkaar om den boom heen te loopen en toen het de man eindelijk gelukt was, vlak achter het beest te komen, sneed hij het de hielpezen door. Tijger zat nu neêr, want hij kon niet meer loopen en de man had nu gelegenheid, het dier een pijl in zijn nek te schieten en met een mes den doodsteek te geven. Daarop begaf hij zich naar huis terug.

De schoonbroêrs, wetende, welk een slecht jager hij was, waren niet eens naar de afgesproken plaats gegaan, overtuigd, dat hij er niet meer zou zijn. Maar toen hij de hut binnentrad, waren zij hoogst verrast en maakten zij hun verontschuldigingen, teneinde hun misdadige bedoelingen te verbergen, zeggende: „Wij waren op de plek, waar wij je zouden ontmoeten, maar je waart er niet. Wij riepen je, maar we kregen geen antwoord. Wij dachten natuurlijk, dat je dood was en wij gingen weg. Maar we keerden terug, om nog eens te zien of je niet kwaamt”, en dergelijke verontschuldigingen meer. Dat was alles maar gelogen.

Toen de man nu vertelde, dat hij Tobe-horoanna had gedood, konden zijn schoonbroêrs, evenmin als hun oude vader, dit gelooven en drongen er op aan, zelf te gaan kijken. Zij gingen er toen heen, en toen zij op een afstand Zwarte Tijger op den grond zagen liggen, durfden zij niet naderbij te komen, totdat de jager, uitroepende: „alles bij hem is dood, dood, dood!” en willende toonen, dat hij de waarheid sprak, op het doode lichaam sprong en zegevierend er op heen en weêr begon te dansen. Alleen de oude man durfde dichtbij komen; zijn twee zoons bleven bang.

... durfden zij niet naderbij te komen.—Zie blz. 158.

… durfden zij niet naderbij te komen.—Zie blz. 158.

Het gezelschap keerde nu huiswaarts. En daar was de [159]oude man zóó verrukt over hetgeen zijn schoonzoon gedaan had, dat hij hem ook zijn andere dochter tot vrouw gaf, zoodat de nu gevierde jager in het vervolg twee vrouwen had. Zijn schoonbroêrs bouwden nu een grootere hut voor hem en hij werd de Ai-ja’mo (hoofdman) van het dorp.

Onze vriend voelde zich echter niet op zijn gemak, nu den naam te hebben, ook bij de jacht op alle andere dieren steeds geluk te hebben, omdat hij Tobe-horo-anna had weten te bemachtigen. „Wie zou hij beter kunnen raadplegen in deze moeilijkheid”, dacht hij, „dan Wau-oeta, de Regenkikvorsch*”79. Hij ging op weg en vond een boom, waarin zij woonde; hij posteerde zich onder aan den boom en begon te roepen, haar vragend, hem te willen helpen. Maar hij kreeg geen antwoord, en hij bleef roepen en weeklagen, totdat het donker werd. Telkens herhaalde hij zijn vraag, of zij hem de dingen wilde zeggen, die hij zoo graag wilde weten. De nacht viel in, en nog had hij geen antwoord. Maar hij hield aan, want hij dacht, dat Wau-oeta wel zou komen, zooals de meeste vrouwen doen, die eindelijk toegeven, wanneer zij ten slotte medelijden met den man krijgen, als zij hem zoo hooren schreien80 aan den boom.

Toen hij nu zoo lang beneden aan den boom stond te wachten, zag hij een lange rij vogels naar hem toe komen, allen in geregelde volgorde naar de grootte. De kleine Doroquara81 liep voorop en pikte even op zijn voet met [160]den snavel, om hem bekwaam te maken in het schieten van haar soortgenooten; en dit ging met alle vogels tot de grootste toe zoo voort.

Ge ziet, dat Wau-oeta medelijden met hem begon te krijgen; maar hij wist dat natuurlijk niet. Nadat alle vogels met hem gereed waren, kwamen alle ratten in de volgorde hunner grootte, gevolgd door de Acouri, de Labba*, het Hert, het Boschvarken tot aan den Tapir toe.

Toen al deze dieren hem voorbij waren gegaan, en met de tong zijn voet even gelikt hadden, opdat hij op jacht naar hun soortgenooten geluk mocht hebben, kwamen ook de tijgers, die van de kleine tot de groote hetzelfde deden en … eindelijk de slangen, die, na ook met haar tong haar plicht gedaan te hebben, langzaam wegkropen. Met dit alles ging geruimen tijd voorbij, en eerst met het aanbreken van den dag was aan den optocht een einde gekomen, zoodat de man met zijn geweeklaag kon ophouden.

Toen het goed dag was geworden, zag hij een vreemde gestalte naar zich toekomen. Het was Wau-oeta, die een vreemdsoortigen pijl in de hand had. „Zoo, waart gij het”, zei ze, „die al dat lawaai van nacht maakte en mij uit den slaap hield?” „Ja”, antwoordde de man, „ik was het”. „Wel”, zei Wau-oeta, „kijk eens langs je arm, van je schouder tot je hand”. Hij keek, en zag dat hij met een soort schimmel82 bedekt was. Hij keek ook naar zijn anderen arm en zag precies hetzelfde. Toen hij van Wau-oeta gehoord had, dat het deze schimmel was, die hem zoo ongelukkig op de jacht maakte, wreef hij zijn armen goed af.

De pijl van Wau-oeta zag er, zooals ik zei, zeer vreemd [161]uit. Hij was in drie of vier stukken gebroken83 en ieder stuk was gespleten. Wau-oeta ruilde dezen pijl voor den zijnen en verzocht hem, den hare te willen probeeren om naar een lange liaan te schieten, die op grooten afstand naar beneden hing, en .… ja, de pijl trof doel. Toen hij weêr den pijl op den boog zette, vroeg Wau-oeta hem in de lucht te willen schieten, en .… onbegrijpelijk, in welke richting hij ook zijn pijl wegschoot, telkens als hij de aarde bereikte, raakte hij een dier: eerst een Doroquara, en zoo voort in dezelfde volgorde, als waarin de vogels hem aan zijn voet hadden gepikt, tot den powies* toe. En het vreemde was, dat als hij schoot, hij zelf den pijl niet kon zien.

Toen hij nu met schieten op den grond begon, raakte de pijl achtereenvolgens een rat, een Acouri enz. tot hij eindelijk een prachtigen tapir schoot. Eindelijk kwamen de tijgers en de slangen aan de beurt, in de volgorde waarin zij hem gelikt hadden.

Toen al dit wild bijeen was, schonk Wau-oeta hem voor goed den merkwaardigen pijl, in ruil voor den zijne, doch op uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij tegen niemand zou zeggen, wie hem een zóó zeldzamen pijl had gegeven. Ze zei hem daarop vaarwel en vertrok.

Onze vriend keerde nu naar zijn twee vrouwen terug, en natuurlijk werd nu zijn naam, dien hij reeds wegens het dooden van Tobe-horo-anna had, nog veel grooter. Iedereen werd echter nieuwsgierig, om te weten, waar hij die kennis vandaan had gekregen en probeerde hem uit te hooren, maar hij weigerde, trouw aan zijn gegeven woord, iets te zeggen. Zijn schoonbroêrs dachten: laten wij onzen tijd afwachten, en toen er een groot paiwarri-feest zou plaats hebben, haalden zij hem over, dit bij te wonen; en … het is al weêr dezelfde geschiedenis: drank werd zijn verderf. Zijn tong kwam los en hij vertelde alles wat er gebeurd was. Den [162]volgenden morgen, toen hij weêr geheel was bijgekomen, wilde hij, als gewoonlijk, zijn pijl grijpen, die Wau-oeta hem gegeven had, maar zijn vroegere pijl lag er weêr voor in de plaats—en van dat oogenblik was hij al zijn geluk weêr kwijt.