Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, wijl de macht der toenmalige piaimannen de booze Geesten overal in bedwang hield. Paiwarri ontbrak nooit; kinderen gehoorzaamden hunnen ouders; nimmer doofden de barbakot-vuren uit, wijl het wild altijd in overvloed voorhanden was en de visschen in de kreken krioelden.
Maar dit aardsche paradijs veranderde, toen aan onze kusten schepen vol strijders verschenen, aan wier hoofd stond een man, genaamd Paira-oende of Paira-oendepo, d.w.z. Letterhoutstomp. Hij was een blanke, die de algemeene opmerkzaamheid tot zich trok door zijn vreemd uiterlijk; zijn mond bevond zich nl. ter plaatse, waar bij gewone menschen de borst moet zijn.84
Letterhoutstomp was een menscheneter. Moordend en roovend trok hij langs onze kusten. Wee! den Indianen, die in zijne handen vielen, want levend werden ze verbrand of gevild en opgegeten!
Overal waar Paira-oende verscheen, vluchtten de roodhuiden naar alle richtingen, doch hij vervolgde hen onmeêdoogend, tot zij ten einde raad besloten zich te vereenigen, om aan het geweld een einde te maken. [163]
Bij de beraadslagingen, die volgden, voerden de verschillende piaimannen het hoogste woord. En nadat zij door hunne bezweringen den slangengeest bekoord hadden, gaven zij te kennen, dat de Geest van Twee Lichamen85 bevolen had, dat alle Indianen zich moesten terugtrekken op een bepaald tabbertje* (of tabbetje) in de nabijheid eener groote savanne*. Daar herhaalden de gezamenlijke piaimannen hunne bezweringen, met het gevolg, dat toen Stomp, die, het gebeurde hoorende, in kokende woede naderde, het tabbertje begon te bewegen86 en acht dagen lang zich niet liet zien.
Paira-oendepo zocht overal naar de verdwenen Indianen, doch hen niet vindende, kon hij hen ook niet dooden, integendeel was hij verplicht tot den terugtocht, waarna de Roodhuiden weder uit het tabbertje te voorschijn kwamen. Maar nauwelijks had Letterhoutstomp dit vernomen, of hij vervaardigde een vreeselijken kaaiman als vaartuig, om daarmede met één slag de Roodhuiden uit te roeien. Deze gingen toen kampen maken in de nabijheid van een rots, genaamd Kaiwiri-oendepo, of Skroertjes stomp87. Daar hielden de gezamenlijke piaimannen weêr een geweldige bezwering, ten einde den Dubbelgeest te bekoren en van hem te verkrijgen, dat hij den Kaaiman88 [164]zou inslikken. Dagen lang duurden de ceremoniën en van zulk een invloed waren de smeekbeden op het hart van den Slangegeest, dat deze beloofde alles te zullen doen, wat zijne roode kinderen verlangden.
Letterhoutstomp naderde Kwaloe (Akaloe der Franschen?), het riviertje, waar de Indianen zich verzameld hadden, van uit de plaats waar thans de Fransche gevangenen verblijven (St. Laurent). Trotsch stevende hij in zijn vreemd vaartuig de Marowijne op, ten einde de Roodhuiden onverhoeds op het lijf te vallen. Maar ziet, eensklaps verhief zich een Geest van Bekoring uit het water op, en Paira-oendepo werd met huid en haar ingeslokt, terwijl zijn vaartuig van den oever (van de Kwaloe) dreef tot een plaats, waar het nog te zien is als een steenen kaaiman, die op een anderen steen rust.
Een verschrikkelijk gejubel weerklonk van alle zijden. Duizenden met veeren versierde Caraïben dansten den overwinningsdans en te midden der algemeene feestvreugde werd de gebeurtenis vereeuwigd op den Temere-rots89, die thans nog in de Marowijne staat.… [165]
In ’t stroomgebied der Marowijne,
Bezongen door het golfgeklots,
Staat, prijkende in al haar glorie,
D’wijd vermaarde Temere-rots,
Die eeuwen lang reeds heeft gedragen
Het teeken van den zwaren strijd,
Toen Paira-oende werd verslagen
Door Piai van den ouden tijd.
Die blanke in zijn Kaaiman-vaartuig,
Had aan zijn borst een grooten mond,
Waarmede hij in koelen bloede
Rood menschenvleesch als prooi verslond.
Maar ziet, het water rees verbolgen,
De Worgslang der Piai verscheen,
En Houten Stomp, hij werd verzwolgen;
Zijn Kaaiman werd een dubb’le steen.
Victorie! juichten duizend kelen,
Alom weerklonk de zegezang:
Ons bloed is weêr in bloed gewroken
Aan U de eer, o, Geest der Slang!
Toen naderde een oude Piaiman
En grifte in het hard graniet,
Paira-oende en zijn Kaaiman,
Zooals gij dien nog heden ziet.