Lang geleden, voor nog Paramaribo was gesticht90, bevond zich ter plaatse, waar nu het Fort Zeelandia ligt, de hoofdplaats der Arowakken91. Een zekere Arimoribo was hun opperhoofd; hij woonde op de plaats van het tegenwoordige Gouvernementshuis. Een in de nabijheid in de Suriname-rivier mondende kreek werd Parimoribo genoemd (d.i. kreek van Arimoribo92).
Het ontbrak Arimoribo niet aan krijgsvolk. Op zijn wenk greep heel de stam naar de wapenen. Dit mocht [166]echter niet gebeuren, wanneer niet de piaiman was geraadpleegd en de beschermgeesten goed gestemd schenen. Tijdens een groot feest nu begon onder de bedwelming der feestvreugde de gebruikelijke schildwacht, een op een staak gestoken houten raaf93, eensklaps te weeklagen, welk onheilspellend teeken de vreugde voor een onbeschrijfelijk misbaar deed plaats maken. Allen sprongen op en ziet .… op de rivier naderden schepen met zeilen van ongekende grootte. Zulke dingen hadden de Indianen nog nooit gezien. Meer verbaasd dan bevreesd vroegen zij zich af, wat voor wezens dat wel konden zijn, die met zulke reusachtige vleugels zich over het water heen bewogen. Het moesten reusachtige vleermuizen zijn, besloten ten slotte de wijzen onder hen. Maar die vleermuizen naderden en spoedig bleek het, dat zij soldaten en ook vuurwapenen met zich meevoerden. Voor de eerste maal maakten de Indianen met blanke menschen kennis.
Het sprak van zelf, dat de piaimannen onmiddellijk aan het werk gingen, want er was immers geen krachtiger middel van tegenweer dan de piai-kunst. Vóór alles moest deze worden aangewend; en zóó krachtig slaagde deze, dat drie schepen tot zinken werden gebracht. Hoewel de Indianen ook van hun pijlen gebruik maakten, moesten zij zich, toen hun voorraad verschoten was, in de bosschen terugtrekken. Van dien tijd dagteekent het, dat de Indianen zich in onderaardsche woningen gingen verschuilen, zooals er nog heden ten dage te Onoribo en Topibo aan de Para94 bestaan. Deze woningen bestonden echter reeds in oude tijden, toen de vaderen hunner [167]vaderen het land bewoonden95 en de seizoenen niet waren zooals zij thans zijn96. Want telkens als de droge tijd intrad, heerschte er een zóó ontzettende koude over de wereld, dat iedereen er van bibberde en de voorvaderen der Arowakken zich genoodzaakt zagen, bedoelde holen te graven, teneinde zich tegen de koude te beschermen97. Wat kwamen deze nu aan het nageslacht als kostbare schuilplaatsen te stade!
Omtrent dezen tijd werd de zoo beroemde Jorobodie geboren, een Arowak, die zich zou onderscheiden door zijn onverzoenlijken haat tegen de blanken, en wiens beeltenis, zooals zijn nazaten beweren, nog boven het Gouvernementshuis in Paramaribo98 prijkt.
Jorobodie was een dracht van niet meer dan drie weken, die zich wonderbaarlijk snel ontwikkelde, en wiens optreden algemeen ontzag inboezemde. Hij toog ten strijde tegen de blanken, die niets tegen hem vermochten, en versloeg hen. Geen vuur deerde hem, geen staal trof hem, geen gewicht was zwaar genoeg, om hem te doen zinken. Alle banden werden door hem verbroken en toen de blanken hem eindelijk in een vat hadden gesloten, en hem aan het water hadden prijsgegeven, deed hij een tijger tot [168]zich naderen, stak hem door een gaatje zijn staart toe en zoo werd hij overal heengesleept, waar hij maar wilde. Nooit werd een zonderlinger vaartuig door zulk een dier, en nog wel onbeteugeld, voortgetrokken.
Zooals het mannen betaamt, wien men een buitengewone roeping toedicht, was ook Jorobodie in ieder opzicht een wonder van kracht en slimheid99. Zijn voedsel bestond uitsluitend uit krabben, en dit sober voedsel maakte hem tot den man van kracht, den trots zijner natie. Wee! den Caraïb, die hem aandurfde! Wie slechts de hand uitstak, was een man des doods! Zijn groote verdienste voor de Arowakken bestond echter hierin, dat hij de schrik der blanken was. Deze toch waren toenmaals hunne grootste vijanden100, die hen niet alleen tot slaven maakten, maar hen ook naar zee voerden, waar zij, na met teer bestreken te zijn, levend verbrand werden.
Maar deze wreedheden zouden niet ongewroken blijven. Tot nu toe hadden de Indianen steeds een rustige zee gekend. De booten voeren zonder roeiriemen of parels* door eigen kracht op zee en rivier. De Boa constrictor* diende als ankertouw en loopplank tevens. Zelfs meerde deze de boot aan strand en oever vast.
Dit alles hield echter op, toen de menschen slecht werden. Geen kwaad toch kan ongestraft blijven. Toen bijv. eens een Indiaan van den kapitein een boot had geleend en deze niet terug bracht, werd hij gestraft. Hij veranderde n.l. in een duizendpoot*, en werd vader van die millioenen veelbeenige stekelige dieren, die nu door iedereen zoozeer gevreesd worden. [169]
Op hetzelfde oogenblik veranderde alles in de natuur. Tot nu toe hadden de rivieren, evenals de zee, onveranderlijke stroomingen. Eb en vloed kende men te voren niet. Nadat de ongehoorzaamheid in de wereld was gekomen, kwam er eb en vloed; de bruisende baren kwamen opzetten, waartegen de booten niet langer bestand waren.
De vaartuigen moesten verbeterd worden en het varen vorderde voortaan stuurmanskunst. De toestanden waren dus sedert Jorobodie’s leven wel heel erg veranderd. Nochthans waarborgden verschillende onthoudingen101 de Indianen voor verdere onheilen. Wanneer zij bijv. maar zorgden, op zee niet den naam te noemen der dingen, wier daarin huizende geest zij hadden te vreezen, zouden zij steeds voor stormweer gevrijwaard blijven. Het woord „krab” mocht o.a. volstrekt niet genoemd worden, want anders zou de Geest opeens duizenden krabben uitbraken.
Het ergste van alles voor de Indianen was wel, dat die ellendige blanken zich aan dit alles niet storen wilden, zoodat zij het laatste overblijfsel van den gelukstaat verloren deden gaan. Welk een schat was voor hen in die omstandigheden een man van zulk een overwicht als Jorobodie was!
Maar helaas! hij kwam ten val en wel door een vrouw, die hij geschaakt had102 en waardoor hij den haat zijner natie op den hals haalde. Het aannemen van een spin, hem door zijn vrouw aangeboden, richtte Jorobodie ten gronde, want nauwelijks had hij deze met de woorden „zoek uwen weg”, door haar uitgesproken, aangenomen of Jorobodie was niet meer.