In oude tijden kwamen de Indianen veel talrijker voor dan thans. Zij leefden tevens gelukkiger, want er was overvloed van wild, terwijl het in de rivieren en kreken krioelde van visschen.
Van de Indianenstammen, met welke de Caraïben in die tijden in betrekking stonden, werden vooral de Macoesi’s als goede vrienden beschouwd. Deze stam woonde ver over de Corantijn naar den kant der Orinoco.
Om hun land te bereiken, moesten de Caraïben van Suriname weken lang reizen en allerlei gevaren doorstaan. Dit hield de treklustigen niet terug, en toen nu eens een aantal Macoesi’s een Surinaamsch Caraïben-dorp hadden bezocht, besloten een twintigtal Kalienja’s* aan Macoesiland een tegenbezoek te brengen.
De piaiman riep den Dubbelgeest op en deze voorspelde, dat de tocht goed zou afloopen. Vroolijk vertrokken onze jongelieden dan ook en na een voorspoedige reis bereikten zij de plaats hunner bestemming.
Zij vonden daar alles in rep en roer, daar Kenaima’s* zich in den omtrek vertoond hadden.
De Macoesi’s ontvingen hunne vrienden met open armen en stonden hun zelfs de beste en grootste hut van het dorp af. Zij waarschuwden hen echter niet te gaan slapen, daar het zou kunnen gebeuren, dat de Kenaima’s nog dien zelfden nacht een aanval op het dorp zouden doen.
Maar de Caraïben, vermoeid van hun langen tocht, hadden rust noodig en de piaiman gelastte, dat, terwijl tien man sliepen, de overigen zouden waken. Daartoe moesten zij langwerpige kijkgaten in de wanden der hut maken.
Om negen uur des avonds verschenen werkelijk de Kenaima’s105. Onhoorbaar als slangen kropen ze over den [179]grond. Het gelukte hen echter niet, de Kalienja’s te verrassen. Integendeel, toen zij de hut genaderd waren, werden zij van uit de kijkgaten door een hagelbui van pijlen begroet, zoodat zij genoodzaakt waren, zich in allerijl in het bosch terug te trekken. De Caraïben achtervolgden hen en slaagden er in, velen te dooden.
De piaiman, die onmiddellijk geraadpleegd werd, vond evenwel, dat, hoe goede vrienden de Macoesi’s ook waren, hun land veel te gevaarlijk voor een Kalienja was, zoodat tot den terugtocht besloten werd.
Maar nauwelijks op weg, bleek het, dat de Kalienja’s door talrijke Kenaima’s achtervolgd werden. De piaiman gelastte onmiddellijk, dat allen zouden beginnen te zingen, te lachen en pijlen af te schieten, om de vervolgers in den waan te brengen, dat zij met een groot leger te doen hadden. Deze list gelukte uitstekend en zingende en lachende bereikten de Kalienja’s de Corantijn. Toen eerst konden zij uitrusten, want de Kenaima’s waren niet in staat—waarom weet men niet—de Corantijn over te steken106, en nu nog, zoo besluit de legende, kunnen deze Kenaima’s het hollandsche grondgebied niet binnendringen, omdat allen ongedoopte heidenen zijn!