Eertijds werden de negerslaven door de blanken gruwelijk mishandeld, zoodat zij in menigte naar de bosschen vluchtten, waar zij de bescherming inriepen van Konokokoeja*, de Geestmoeder der wouden. Deze verhoorde [181]hunne smeekbeden en kwam tot hen in de gedaante van een Indiaanschen piaiman. „Ik zal u uit de handen der blanken redden,” sprak zij, „maar gij moet mijne bevelen trouw opvolgen.”
De negers stemden toe. De geestenbezweerder piaaide toen den omtrek op zoodanige wijze, dat er overal vergiftige pijlen te voorschijn kwamen, die allen met hunne punten naar ééne richting toewezen. Vervolgens trok zij naar de plantage Asati en bevrijdde veertig negers.
De blanken waren woedend. Onder commando van een kapitein zonden zij soldaten, om de weggeloopen slaven te achterhalen, die echter door den Piaiman veilig voorbij de vergiftigde pijlen waren geleid. Toen nu de soldaten verschenen, trad deze te voorschijn en schoot met een swaroedaroe* den kapitein dood.
Onder de blanken ontstond nu een hevige paniek. Zij vluchtten naar alle richtingen; overal floten onzichtbare pijlen108, door onzichtbare strijders afgeschoten, door de lucht, waardoor vele soldaten gedood werden.
De negers en hunne bondgenooten namen nu alles wat de blanken hadden achtergelaten, mede, en daaronder bevond zich ook een groote pot. Onmiddellijk togen piaiman en obiaman* nu gezamenlijk aan het werk en bereidden uit de lichamen der gevallen blanken een obiapiaai* van zulk een sterkte als nog nooit te voren was bereid. Met dit toovermiddel vulden zij den pot, die vooraf met den naam Konoko-dakodwada* gedoopt was.
Negers en Indianen trokken nu naar Saloewa, een arm der Mapanakreek, en zetten daar den pot zóó neêr, dat de opening naar de monding der kreek wees, zoodat al de tooverij den blanken zou toestroomen, wanneer zij het zouden wagen, hier binnen te dringen. [182]
Het gebeurde werkelijk zoo, want toen de blanken, vol woede over den dood hunner kameraden, de kreek wilden opvaren, werden hunne oogen verduisterd door het toovermiddel, zoodat zij de monding van het kreekje niet konden zien.
Konokokoeja leidde daarop de negers naar Pramaka, waar de blanken hen nimmer hebben kunnen bereiken, maar alvorens zich weêr in het bosch terug te trekken, zei de Geestmoeder der wouden tot de Indianen, die de slaven zoo goed geholpen hadden: „Alle menschen, die in huizen wonen, van den Gouverneur tot den laagsten neger, zijn slaven. Alleen zij, die in kampen in het woud en op de savanne* wonen, zijn vrije, onafhankelijke menschen.”109
Dit is de reden, waarom de Indianen nimmer huizen hebben gebouwd, maar zich met eenvoudige hutten vergenoegen.