No. 45. Einde van den Indiaanschen broederoorlog. (A.)

Wij, Arowakken hebben in den strijd met de Kalienja’s het laatste woord gehad. Eens was het, dat wij onze vijanden in een hinderlaag wisten te lokken. Boven een waterval hadden wij drijvende boomstammen geplaatst, waarachter een deel onzer strijders verborgen was, terwijl de overigen zich langs den oever verscholen hadden.

Toen nu de Caraïben, na met veel moeite hunne booten langs den waterval naar boven te hebben gesleept, de vaartuigen weêr te water lieten, zagen zij opeens tot hunne verbazing boomstammen aandrijven, en wel met zulk een geweld, dat de booten zonken. Woeste kreten weerklonken op hetzelfde oogenblik van den oever, gevolgd door een [183]hagelbui van vergiftige pijlen. Wie niet getroffen werd, geraakte in den bruisenden waterval.

Slechts een gewonde jongeling ontsnapte. Tot zijn stamgenooten teruggekeerd, gaf hij hun den raad, den strijd op te geven. Den volgenden dag trokken de overgebleven Caraïben met omhoog gehouden pijlen den Arowakken tegemoet, en er werd vrede gesloten. En zoo eindigde de laatste der Indiaansche broederoorlogen.110