In overoude tijden had Spin aan den Gouverneur gevraagd, of hij nog een half dorp meer onder zijn gezag wilde hebben.
De Gouverneur, de streken van Spin kennende, antwoordde:
„Denk je soms, dat je me voor den mal kan komen houden?”
„Excellentie, indien U het maar aan mij wilt overlaten, antwoord dan ja, dan zal ik U toonen, dat ik een half dorp voor U zal machtig worden, mits Uwe Excellentie mij een oude uniformjas, een steek, een sabel en twee haantjes geeft”.
De Gouverneur keurde het voorstel goed en stond het gevraagde aan Heer Spin toe, doch onder voorwaarde, dat hij hem het hoofd zou laten afhouwen, als hij onverrichterzake terugkeerde.
Spin trok de uniformjas aan, zette den steek op, hing den sabel om en vertrok, doch vooraf ging hij van moeder de vrouw, ’Ma Akoeba105, afscheid nemen, haar op het hart drukkend, vooral aan niemand te vertellen, waar hij [259]heen ging, uit vrees dat anderen zich met zijn zaken zouden gaan bemoeien.
„Dus, ’Ma Akoeba, ik ga voor eenige dagen op reis; heb je me begrepen?”
„Ja Kaptin, adjósi”.106
Spin nam zijn parel (pagaai), sprong in een tjoewa-tjoewa107, zette de twee haantjes in de boot en zong al voortpagaaiende:
„Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug;
Pagaai naar voren, ga vlug;
Pagaai naar achteren, ga vlug;
Ik ben toch een slimme Spin, ga vlug”.
Heer Spin, die onvermoeid voortpagaaide, kwam na een paar uren aan een dorp, waar hij de gansche bevolking aan den oever vergaderd vond, om heer Spin te begroeten en hem naar het stadhuis te begeleiden.
„Gouverneur Spin, kom aan wal”, riep men hem van alle kanten toe, waarop Spin antwoordde:
„In geen geval. Ik ben door den Gouverneur uitgezonden met de gewichtige opdracht, twee haantjes voor hem elders te brengen”.
Doch het volk bleef aanhouden en heer Spin liet zich overhalen, even aan wal te gaan.
Dadelijk begon hij te spreken over de twee haantjes, die, zooals hij den man, die ze van hem aannam, toevoegde, niet bij kippen, doch wel bij ganzen willen blijven.
Nadat aan zijn wensch voldaan was en de haantjes bij de ganzen waren gebracht, werd Spin door alle ingezetenen, voorafgegaan door den Gouverneur, met muziek naar het stadhuis geleid, waar te zijner eere een groot feest werd gegeven.
Plakkaten werden rondgestrooid, om de komst van [260]Gouverneur Spin bekend te maken; van alle woningen wapperden vlaggen, in één woord: het was feest in het dorp.
Des avonds werd er een bal gegeven, waaraan Spin tot laat in den nacht deelnam.
Tegen drie uur in den morgen verwijderde heer Spin zich, trad heimelijk het ganzenhok in, draaide de beide haantjes den nek om en keerde daarna weder naar de balzaal terug.
Vroeg in den morgen, reeds te zes uur, maakte Spin zich tot het vertrek gereed, daar het gunstig getij juist was ingetreden. Hij vroeg om de haantjes en tot groote ontsteltenis van alle dorpelingen werden ze door een der officieren dood naar boven gebracht.
Onmiddellijk liet de Gouverneur den oppasser voorkomen, teneinde zich te verantwoorden over dit feit.
Spin begon te huilen, te gillen, te razen en zette de handen op het hoofd, uitroepende:
„Ik moet sterven, ik word vermoord, er is geen kruid voor gewassen, de dag mijns oordeels is aangebroken”.
Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond.
Heer Spin rolde in zijn uniformjas over den grond.—Zie blz. 260.
„Ik had wel een voorgevoel, toen ik zei, niet aan wal te willen gaan; men heeft mij misleid.
Ja, sâbi diri”.108 De omstanders waren dood verlegen, men sprak heer Spin vertroostend aan, doctoren werden gehaald, Spin werd nat gemaakt en eindelijk kwam hij tot bedaren.
„Mijn waarde heer Spin”, zoo sprak de Gouverneur, „wees toch niet zoo droevig; U kunt van mij twee andere haantjes krijgen”.
„O neen, dat kan ik onmogelijk aannemen; geen haantjes wil ik meer hebben, wel twee ganzen”.
Onmiddellijk werden twee ganzen voor hem gehaald; [261]hij nam ze norsch aan en bracht ze in zijn tjoewa tjoewa en vertrok.
Weêr hief hij zijn lied aan:
Mi Anansì mi kóni, ó grinja en terwijl hij stevig doorparelde, kwam hij weder aan een dorp, welks bevolking hem op gelijke wijze opwachtte.
„Kom toch aan wal!” riep men van alle kanten.
„Ik wil graag, maar ik kan onmogelijk”.
„O neen, heer Spin, willen of niet, gij moet”.
Spin liet zich ten slotte overhalen en trad in zijn uniform met de twee ganzen aan wal, zeggende:
„Odi mi granmán109 ik heb twee ganzen, die niet bij ganzen, doch wel bij varkens willen blijven en die bestemd zijn voor een vriend van mijn Gouverneur”.
Een der adjudanten nam de ganzen van Spin over en bracht ze in het varkenshok. Alweder was het feest te zijner eere. Op allerlei wijze werd zijn komst bekend gemaakt; de grond dreunde van de schoten der kanonnen.
Des avonds was het stadhuis verlicht met Chineesche lantaarns en lampions; al weder was het groot bal.
En, hm!… weder verwijderde heer Spin zich in het middernachtelijk uur uit de balzaal, sloop hij heimelijk in het varkenshok, om de beide ganzen te dooden.
Met het aanbreken van den dag, toen Spin wilde vertrekken, vroeg hij om de beide ganzen, die hem onmiddellijk werden gebracht; doch toen hij zag, dat zij dood waren, begon hij nog erger dan de vorige maal te schreeuwen en schandaal te maken.
„Wákkaman si jorokà.110 Is het niet mijn eigen schuld wat mij overkomen is? Was ik maar doorgegaan! Ja, sabi diri. In vredesnaam, ten gelieve der bevolking moet mijn hoofd zonder uitstel van den romp”. [262]
Maar het dorpshoofd trad op heer Spin toe, hem verzoekende twee andere ganzen in de plaats te willen aannemen. Hij antwoordde:
„Geen idee, geen denken aan! Varkens moet ik in de plaats hebben; anders komt de heele zaak op uw hoofd neêr; mijn handen wasch ik in onschuld. Ik ben misleid”.
Een algemeene stilte volgde, totdat men met twee varkens voor heer Spin kwam aandragen, die hij in zijn tjoewa tjoewa plaatste.
Hij greep zijn parel en vertrok, in zich zelf mompelend „een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen”. Zoo geruimen tijd voortparelend, kwam hij alweder aan een dorp, waar men nog meer moeite moest doen, om Spin aan wal te krijgen. Het gelukte den inwoners eindelijk, en met nog grooter praal werd hij ontvangen.
Heer Spin kwam met de twee varkens aandragen, die, naar hij hem, die ze overnam, mededeelde, niet bij varkens wilden blijven, doch wel bij koeien.
De varkens werden naar de koeien gebracht en heer Spin leidde men in triumf naar de woning van het dorpshoofd.
Voor het dorpsbestuur was het een dag van groote vreugde; een groot feest werd gegeven; al weder werd des avonds gedanst, heer Spin deed flink zijn best, doch vergat de varkens niet.
In het stille middernachtelijk uur ging hij naar beneden, om de varkens te dooden en keerde daarna in de balzaal terug.
Toen de morgen aanbrak, wilde heer Spin zijn reis voortzetten en vroeg hij om de twee varkens, doch de knecht keerde terug en deelde hem mede, dat zij vermoord waren.
Al weder ving heer Spin een akelig geschreeuw aan, dat de omstanders door merg en been ging; hij verwenschte zich zelf en overlaadde de dorpelingen met verwijten. [263]
Doch het dorpshoofd sprak:
„Och treur niet. Je kunt immers twee andere varkens in de plaats krijgen”.
Maar heer Spin schudde het hoofd en antwoordde:
„O, neen, daar moet ik niets van hebben; een flinke koe, dat zou nog gaan, maar anders niet”.
Aan het verzoek werd voldaan en Spin kreeg de verlangde koe en trok in zijn tjoewa-tjoewa verder.
Omstreeks vier uur was hij weder bij een dorp aangekomen, waar juist de lijkstatie van een kind voorbij ging. Heer Spin, die met aandacht het droevige tooneel volgde, vergat de koe, die te water raakte en verdronk.
Wat moest hij doen? Naar een nieuwe drijfveer zoeken, om den tocht voort te zetten.
Hij bedacht zich een oogenblik, ging aan wal, dolf het kinderlijk op, nam het uit de kist, plaatste het vooraan in zijn tjoewa-tjoewa en parelde verder.
Vroeg in den morgen van den anderen dag landde hij aan een groot dorp, waar hij op hartelijke wijze ontvangen werd.
Doch de feestvreugde verstomde, toen heer Spin verzocht, geen lawaai te maken, omdat hij een ziek kind medebracht, waarmede hij naar den dokter moest gaan.
Als gewoonlijk nam heer Spin zijn intrek bij het dorpshoofd, wien hij om stilte verzocht, zeggende, dat het kind hevige koorts had.
De vrouw van het dorpshoofd kwam dadelijk met een groote kom met gongotè-páppa111 voor het kind aandragen en liet Spin met de zieke alleen.
Nauwelijks was mevrouw verdwenen of Spin, die geduchten honger had, zette zich neêr en liet zich de pap goed smaken.
Toen hij gereed was, bracht hij de kom terug en zeide, dat het kind mevrouw liet bedanken. [264]
Na een uur klopte de vrouw van het hoofd weêr aan de deur en zei, op Spin toetredend:
„Granman denki pikien sa man swari brafoe”.112
„O, zeker, dat moet wel, want het kind moet toch eten”.
De vrouw ging weg en bracht na eenigen tijd een bord met tája brafoe113 voor het kind.
„Dank U, het kind slaapt op het oogenblik, maar als het wakker wordt, zal ik het geven”.
De vrouw ging weg en Spin at zijn bekomst, doch toen hij gereed was, begon hij hevig te gillen.
„O hemel, kijk wat mij overkomen is. De vrouw van het dorpshoofd heeft het kind krassi taja brafoe114 gegeven en het kind is overleden. Ik rampzalige!” waarna heer Spin in onmacht viel.
Op het erbarmelijk geschreeuw kwam het volk, met den Gouverneur aan het hoofd aanloopen, doch Spin was niet tot bedaren te brengen.
„Mijn waarde Spin”, sprak de Gouverneur, „schreeuw toch niet zoo; mijn’ vrouw kan het heusch niet helpen, maak toch zoo’n lawaai niet, ik zal u twee slaven in de plaats geven”.
„Slaven?”
„Ja, twee stuks”.
„Geen denken aan, als je nooit voor den rechter bent geweest, dan zullen jij en je vrouw nu voorgebracht worden en wegens moord zullen jelui beiden de gerechte straf ondergaan”.
De Gouverneur beefde van schrik en toen de dorpelingen zijn angst en hevige ontroering zagen, begonnen zij heer Spin te smeeken de zaak te sussen. [265]
Spin wilde er echter eerst niets van weten, doch toen de Gouverneur riep:
„Vraag wat U wilt, U kunt desnoods een half dorp krijgen” spitste anansi de ooren en vroeg:
„Is het waar?”
„Ja, granman anansi!”
„Mi papíera wanni”.115
De Gouverneur stemde toe en Spin kreeg dus een half dorp, in plaats van het kind.
Maar ik moet ook een karta116 hebben, voegde heer Spin er haastig bij. En toen hij ook dit gekregen had, werd het kind met militaire eer begraven. Heer Spin had nu zijn doel bereikt en keerde weder in zijn tjoewa tjoewa naar huis terug.
Dadelijk begaf hij zich naar de woning van den Gouverneur, met wien hij de weddenschap had aangegaan. Deze ontving hem vrij koel en sprak norsch:
„Waar is nu het halve dorp?”
„Welnu, maak geen drukte, op een bedaarden toon als ’t U belieft, hier zijn de eigendomsbewijzen.” De Gouverneur veranderde dadelijk van toon, gaf Spin de hand en zeide:
„Ik dank U, ik zal U beloonen; in mijn huis zult ge wonen en Uwe kinderen zullen met mijn volk ook in huizen wonen”.
„Waar dan?”
„Wel in beslagruimten”.117
Doch heer Spin verkoos dat niet, en toen hij den beul zag komen, waarmede de Gouverneur hem gedreigd had, liep hij hard weg en sprong zelf in een reet van den muur.
En van dien dag af heeft heer Spin in hoeken en gaten der huizen zijn intrek genomen. [266]