Langen tijd bewoonde Spin een rijk, dat geheel omringd was door onderhoorige dorpen. Hij was er erg bemind en bijna ieder meisje schonk hem haar hart, want hij was buitengewoon schoon.
Na tal van jaren vestigde heer Spin zich in een ander rijk, dat aan de hel grensde. De koning van dat land had drie dochters, die hij wenschte uit te huwelijken.
Kapitein Spin vatte het plan op, een harer te gaan vragen. Hij liep verschillende dorpen af om kleedingstukken te leenen, want hij bezat niets; daarna begaf hij zich naar het paleis en deed aanzoek om de hand der jongste dochter, die hij ook kreeg. Drie maanden bracht heer Spin in het paleis door, maar niet één keer verkleedde hij zich.
Toen de dag van vertrek aanbrak, werd een 1ste klasse-stoomer voor het jonge paar in gereedheid gebracht. Heer Spin sprak:
„Indien het U onverschillig is, zou ik de reis liever per rijtuig doen, dan per stoomboot, daar mijn gezondheid er niet tegen kan”.
„Goed, zooals ge wilt, hoeveel paarden zal ik laten voorspannen?”
„Een stuk of tien”.
Aan het verzoek werd voldaan en heer Spin vertrok met zijn vrouw.
Aan het eerste dorp gekomen stapte hij uit en kwam hij na een kwartier zonder hoed terug. Zijn vrouw durfde hem niet te vragen, waar hij gebleven was, want heer Spin had haar onder bedreiging van den doodstraf verboden te spreken of te schreeuwen.
Aan het volgende dorp gekomen, stapte hij weder uit en kwam hij na een kwartier zonder regenscherm terug, Zijn vrouw schrok, maar durfde niets te zeggen. [267]
Kort daarop verwijderde heer Spin zich weder en nu kwam hij zonder jas terug. Zijn vrouw werd angstig, toen zij hem op deze wijze van gedaante zag veranderen.
Zoo ging het door van dorp tot dorp, tot hij eindelijk geheel naakt terugkwam. Onderweg had hij achtereenvolgens teruggegeven, wat hij vóór zijn huwelijk geleend had.
Thuis gekomen ging Meneer rusten. ’s Middags ging hij uit, zijn vrouw, die aanhoudend weende, achterlatend. Hij ging toen naar zijn buurman, den duivel, en vroeg hem, of hij iets wilde koopen. Samen kwamen zij terug en anansi verkocht hem ’s vorsten dochter. Didibri118 nam haar mede, liet haar in kettingen slaan en onder aan een boom binden.
De Koning, die gehoord had van het droevig lot van zijn dochter, snelde haar te hulp. Hij trof heer Spin thuis en sprak:
„Ellendige, waar is mijn dochter?”
„Jouw dochter?”
„Ja, mijn dochter?”
„Dat gaat je niet aan; ik ben toch met haar getrouwd, je hebt niets meer met haar te maken”.
„Wat zeg je daar, vent!”
„Ben je doof?”
„Pakt dien ellendeling op!”.
„Een oogenblik. Je dochter is bij mijn vriend. Je kunt haar gaan halen”.
De vorst, die zijn plichten als vader wilde vervullen, begaf zich op aanwijzing van heer Spin naar het naburige dorp, de hel. Hij schrok hevig, want zijn dochter stond op korten afstand van een grooten ketel, die minstens wel vijf man kon bevatten.
„Kind, wat is er gebeurd?”
„Heer Spin heeft mij aan den duivel verkocht. Heden [268]word ik geslacht. De duivel heeft tal van vrienden uitgenoodigd, om aan het feestmaal deel te nemen. Spin komt mij binnen het uur slachten. Papa ga weg, anders ondergaat U hetzelfde lot als ik”.
De duivel kwam thuis en anansi zong:
Mi séri mi azéman119
Didibri antwoordde:
Doendoe ka, ka doendoe!120
en doodde daarop den vorst. Hij begroef hem achter zijn woning en stelde den dood der prinses uit, daar hij niet meer dan één persoon per dag mocht doen sterven.
Heer Spin stelde voor, den koning op te eten, maar de duivel wilde er niet van hooren.
Het meisje had een broêr, van wien zij niets hield en dien zij zooveel mogelijk vermeed. Deze jonge man leed aan framboesia tropica* en onttrok zich aan ieders oogen. Hij was zeer ervaren in het tooveren en bezat formulieren, die elke menschelijke kunst te boven gingen. Toen hij vernam, dat zijn vader door zijn schoonzoon gedood was, dacht hij bij zich zelf:
„Bloed moet door bloed gewroken worden; oog om oog, tand om tand”, en hij zocht dadelijk Spin op.
„Waarde zwager, waar is mijn vader?”
„Wie is jouw vader?”
„Jouw schoonvader!”
„Schoonvader?” Spin haalde de schouders op.
„Houd me niet voor den gek, want ik vermoord je!”
„Ga naar het naburige huis, je vader is er op bezoek”.
„Goed”.
„De jongeman kwam in de hel. In de verte zag hij [269]den duivel aankomen, waarop hij zich achter zijn zuster verschool.
Didibri kwam thuis. Anansi zong hem toe:
Foenkete! Foenkete!121
„Er is niemand hier,” zei de duivel.
„Ben ik dan niemand?” vroeg het jonge meisje.
„Ja, ik ben hier,” antwoordde de jongeling.
„Wat doe je hier?”
„Ik kom mijn vader halen”.
De duivel slikte hem in, maar hij kwam weêr ongedeerd te voorschijn. Zoo deed hij verschillende malen, maar zonder gevolg. Toen nam hij een langen ijzeren staaf, maakte hem gloeiend heet, en stak hem daarna in het lichaam van den jongeling, maar ook nu stierf hij niet.
De duivel vroeg hem:
„Slaap je?”
„Neen”.
„Waarom niet?”
„Die pokken doen pijn, ik kan niet slapen”.
Heer Spin, de medewerker des duivels, gaf hem den raad, den jongeling een slaapmiddel te geven. „Maar, wees voorzichtig”, vermaande hij, „want, als het lichaam slaapt, waakt de ziel”.
„Heb jij dan een ziel, anansi?”
Didibri vroeg toen den jongen man: „Wat zal ik je geven?”
„Mijne moeder gaf mij soep van keisteenen, dat was het eenige middel”.
De duivel ging toen voor kok spelen, maar de keisteenen wilden niet zacht worden.
„Ga naar het strand,” beval heer Spin zijn schoonbroêr, „ik zal je wel daarheen brengen”. [270]
„Jij hem brengen?” vroeg de duivel.
„Ik zal er voor zorgen”.
„Goed, ik reken er op”.
Den volgenden morgen ried anansi zijn schoonbroêr aan, in het belang van zijn gezondheid een bad te gaan nemen, daar hij anders wel nooit zou genezen.
Spin ging met list te werk, daar hij, noch de duivel er in slaagde, den jongeman te dooden.
„Goed, zwager, maar wees voorzichtig met mij, denk niet, dat ik je vrouw ben, en dat je me zal kunnen dooden”.
„Maar, zwager, je kent me toch”.
„Nu, en of ik je ken”.
Zij gingen naar het water en heer Spin begon te zingen:
Foenkete! Foenkete!
De duivel kwam uit het water, slikte den jongeling in, maar hij kwam er weêr levend uit.
„Nu vermoord ik jelui beiden, jou en Spin”.
„Neen, Mijnheer! Ik heb toch niets gedaan. Heer Spin heeft mij een nimf aangeboden, en ik heb haar gekocht”.
„Waar is mijn vader?”
„Hij is dood”.
„Daarom zal ik je dooden”.
„Ik zal je vader het leven teruggeven”.
„Ik zal het zelf doen”.
Heer Spin beefde van angst.
De duivel slikte den jongeling weêr in, maar deze doorstak hem met een speer.
Heer Spin zweefde over het water en zette zich op een boom. De jongeling vervolgde hem; maar Spin sprong naar beneden en maakte zich uit de voeten.
Toen ging de jongeman zijn zuster bevrijden en zijn [271]vader het leven teruggeven, waarna zij samen in hun land terugkeerden.
Heer Spin durfde zich niet meer te vertoonen en sedert dien tijd heeft hij zijn intrek in reten en hoeken genomen.