Heer Spin, die de kost verdienen moest voor zijn groot gezin, kreeg haast niets van hetgeen hij meêbracht; dikwijls moest hij met een leege maag naar bed, hetgeen hem in ’t geheel niet beviel.
„Dat gaat zoo niet langer”, dacht hij, „hard werken voor weinig loon, en niet eens je bekomst eten, dat gaat niet …!”
Na lange overpeinzingen ging hij vet stelen uit den buik van een koe. Waardoor hij zich toegang verschafte, zeg ik liever niet.
„Ze moeten die gulzigheid afleeren; ik ga nog niet naar huis; eerst zal ik zelf wat eten en meênemen hetgeen er overblijft”.
Heer Spin ging bij zijn vriend Tijger aankloppen en vroeg hem in zijn kippenhok te mogen overnachten.
„Ja”, antwoordde Tijger met een heel grove stem.
Heer Spin kroop in het hok en in het stille middernachtelijk [274]uur steeg er rook omhoog, toen hij bezig was het vet te bakken.
Tijger werd wakker van den damp en trad op het kippenhok toe.
„Màti127 Anansi, wat gebeurt hier? Ik had kunnen sterven van schrik. Ik heb een kleintje gedaan in mijn broek. Geef mij een gedeelte van dat vet, vriend, want ik heb honger gekregen, om je de waarheid te zeggen”.
„Eet maar naar hartelust vriend, ga je gang”.
Tijger vrat zijn bekomst en vroeg, waar hij dat vet had gehaald.
„Ik wil het je wel vertellen, vriend, en je meênemen ook, maar je laat me vangen en jij misschien er bij”.
„Wel neen, vriend, ik ben toch niet gek!”
„Nu goed! morgenavond neem ik je meê, hoor!”
Tijger geloofde het maar half; hij ging Spin halen en ze gingen te zamen naar den stal van het dorpshoofd. Heer Spin zei zijn formulieren op, de koe ging open en zij traden samen binnen.
Anansi vulde zijn jachttasch met vet, terwijl Tijger alles opat, wat heer Spin afsneed.
„Neem je geen stuk meê voor je vrouw? Snijdt vlug nog een stuk af, ik ga al vast naar buiten”. De woeste tijger sneed maar raak en trof het beest in het hart, zoodat het op hetzelfde oogenblik dood neêrviel.
„Heb ik het niet gezegd? Nu zijn wij gevangen”.
„Help me vriend Spin!”
„Kruip in de darmen, ik ga in de vocali-pens128”.
Zoo gezegd, zoo gedaan, de heeren namen hun intrek als voren genoemd.
De doode koe werd naar het slachthuis vervoerd, waar de veearts de sectie deed. De vocalipens werd [275]weggegooid en opgepikt door eenige oude negers, die de tripa129 graag lustten. Een der negers sneed de pens open en Spin sprong er uit, voordat iemand hem had gezien. Daarop begon hij te schreeuwen „Jelui bent allemaal gek. Nu is het voor jelui verantwoording. Mijn pak heb je vuil gemaakt; ik sta hier niet voor niemendal. De dokters weten er niets van; geen van hen kan den dood der koe diagnoseeren; is het niet ’s lands geld weggooien. Ik weet het veel beter dan al die heeren met hun geleerde koppen en lange namen”.
Het hoofd van het dorp hoorde dit en vroeg heer Spin of hij gek was, dan wel of er een streep door zijn hoofd liep.
„Wat belieft U mijnheer? Ik ben niet gek, maar gij zijt het, dat ge U zoo maar alles wijs laat maken”.
„Weet je niet tegen wien je spreekt? Ik ben het dorpshoofd”. De doktoren vroegen Spin zich in bijzijn van het Hoofd te verantwoorden over zijne woorden.
„Je verklaart je nader, of ik laat je gevangen nemen, vagebond!”
„Excellentie! Ik ben maar een arme spin, die op een armenschool geweest is. Ik heb niet veel geleerd, maar wel veel ondervinding opgedaan. Men zegt in den regel: droomen zijn bedrog, maar mijn hoofd bedriegt me niet. De koe is vermoord door Tijger, die nog in zijn buik moet zitten, volgens mijn droom. Als U de darmen laat opensnijden, zult U hem vinden met ap- en dependentie; maar U moet maatregelen nemen, om hem te vangen; want hij zal willen vluchten. Ik had hem een tijdje tot vriend, maar om zijn smerige streken heb ik hem laten loopen; ik wed, dat als hij mij hier ziet, hij durft zeggen, dat ik de koe gedood heb”.
De koe werd onderzocht en Tijger gevonden. Heer Spin kreeg een belooning van 25 gulden, zooals in de publicatie der kolonie vermeld staat. [276]