No. 8. Anansi en Kat.

Heer Spin was bevriend met de ratten, zegt het verhaal. Dagelijks kwam hij hen bezoeken, om zijn koeroe-koeroe* te laten vullen met hetgeen zij gestolen hadden. Dit beviel hem uitermate en hij tapte dan ook geregeld moppen met zijn nieuwe vrienden.

Eens vertelde hij hen, dat hij een kennis had, Ba’ Pina139 genoemd, die mooi zong en goed musiceerde. „O, ge moet hem hooren zingen, het is wel de moeite waard”. [283]

Indien de heeren er niets tegen hebben, zal ik hem eens meebrengen, dan zal er gedanst moeten worden”.

De ratten keurden het goed.

„Wanneer komt hij dan?”

„Dat mag ik niet beslissen”.

„Breng hem dan meê, als je morgen komt; we zullen zorgen, dat er een paar dames zijn; wat zullen we een pret maken, jongens!”

Spin ging weg, om met Ba’ Pina te spreken; en deze wilde terstond meêgaan.

„Neen vriend, wacht tot morgen, dan gaan we samen; en, denk er aan, dat je dadelijk begint te zingen, als we daar zijn”.

„Zingen? Wat bedoel je daarmede?”

„Wel, miauwen, en een gunstig oogenblik afwachten om aan te vallen, we deelen eerlijk den buit natuurlijk!”

„Zonder twijfel, vriend”.

„Ze hebben me wel altijd goed onthaald, maar.… ik heb vleesch noodig”.

„Je neemt toch een korf mede?”

„Ja zeker, en ik zal er jou inzetten, als we aankomen”.

„Wat is dat? Moet ik in jouw korf”.

„Wel, zeker!”

„En waarom?”

„Dwaas, je begrijpt toch wel, dat ze allen wegloopen als zij je aan zien komen. Daarbij, je bent me veel te voorbarig. Luister naar mij, je zult er zelf de goede gevolgen van zien. Vragen ze naar je naam, dan zeg je: Ba’ Pina, niets anders. Dus opgepast”.

„Moet ik niet wat meenemen? Ik heb een moetitte*. Zou deze in je korf kunnen?” vroeg Ba’ Pina.

Den volgenden morgen ging heer Spin op het gewone uur weg, vond Ba’ Pina en liet hem plaats nemen in zijn koeroe-koeroe. [284]

„Goeden morgen, dames en heeren!”

Goeden morgen, broeder! Je hebt ons goed voor den gek gehouden, waar is jouw muzikant”.

„Hij wilde eerst niet meê komen, daar zijn voeten ziek zijn”.

„Hij maakt immers geen muziek met zijn voeten. Had hem maar meêgenomen”, riepen de ratten.

„Hij is ook gekomen”.

„Waar is hij, ik zie hem niet”, vroeg een jonge rat.

Spin haalde Ba’ Pina voorzichtig uit den korf. Hij begon te miauwen en alle ratten dansten om hem heen. Een oude rat, die zijn staart in een val verloren had, sprak:

„Ik vertrouw dien muzikant even weinig als Spin; hij is heden hier gekomen met een agasi* waarschijnlijk om er ons in te doen. Houdt hem in ’t oog, want hij maakt U allen van kant. Ik heb hem meermalen gezien; sluit hij zijn oogen, dan kunt ge op den dood rekenen”.

De andere ratten luisterden niet en voegden hem toe:

„Je spreekt zoo, omdat je niet meê kunt doen; het is onze schuld toch niet, dat jij aan jicht lijdt. Kan je niet dansen, ga dan weg!”

„Eén uur van onbedachtzaamheid kan maken, dat men jaren schreit! Weest voorzichtig met Ba’ Pina; hij zal jelui gauw genoeg opspelden!”

„Ga weg, oud wijf! alles wat je zegt, zeg je uit nijd; het is niets dan nijd!”

De oude rat ging weg. Ba’ Pina begon weêr te zingen en wachtte ongeduldig op een teeken van anansi, om een aanval te doen. Toen hij luider begon te miauwen, kwamen uit alle hoeken en gaten de ratten te voorschijn, om deel te nemen aan de danspartij.

Ba’ Pina hield het niet langer uit, sprong tusschen de aanwezige ratten en doodde het grootste deel.

„Goed zoo, zei Spin, dat heb je netjes gedaan!” [285]

Heer Spin vulde zijn korf; Ba’ Pina at zich zat en vertrok. Waarheen wordt echter niet verteld.

Anansi bezweek haast onder den last en thuis gekomen, droogde hij de ratten, waardoor hij weêr voedsel had voor een heel jaar.

„Heb ik niet gelijk gehad? vroeg de oude rat.

„Ja”, riepen de overgeblevenen, en voortaan gelooven zij wat hij zegt.

Heer Spin durfde nooit meer bij zijne vrienden terug te keeren.