Heer Spin, gedrukt door de zorgen voor zijn groot gezin, kon niet langer rondkomen met zijn zuur verdiend geld. Hij nam zich voor, op de een of andere wijze nog wat voedsel machtig te worden en besloot derhalve te gaan stelen in het korenveld van zijn Opperhoofd.
Na verloop van weken evenwel bemerkte het Hoofd, dat hij bestolen werd. Vast besloten, niet te zullen rusten voor hij den dief ontdekt had, liet hij op raad van een zijner dienaren een pop maken van kleefstoffen, ter grootte van een mensch en deed hij haar plaatsen op het pad, waar de voetstappen gevonden waren.
Heer Spin, niets wetende, kwam als gewoonlijk met zijn koeroe-koeroe* op zijn rug.
„Ik groet U, vriend!” zei hij tot de pop.
„.….”
„U antwoordt niet, ga wat op zij en laat me door”.
Heer Spin kreeg nog geen antwoord en gaf toen de pop een slag in ’t gezicht, maar zijn hand bleef kleven.
„Laat me los, of ik geef je nog een slag!”
Hij gaf de pop een tweeden klap en nog verder kleefde hij vast.
Kort daarna kwam Krekel voorbij, wien heer Spin [286]vriendelijk om hulp verzocht. Maar toen heer Spin bevrijd was, zat Krekel vast.
Bij het aanbreken van den dag werd hij van de pop afgenomen en duchtig afgeranseld, terwijl heer Spin zijn hoofd vast hield. Krekel schreeuwde:
„A no mi, ma no Anansi”140 waarop heer Spin hem ook een slag gaf, zich verontschuldigende, dat Krekel zoo onfatsoenlijk aan het schelden was geweest.
Toen Krekel goed gestraft was, verwijderde heer Spin zich en voortaan ging hij nu iederen dag in diens korenveld stelen.