Heer Spin ging in dienst bij een dorpshoofd als roeier op een boot, waarvan de bemanning uit 4 roeiers en een stuurman bestond.
Het Hoofd zei:
„Zoo gaat het niet, ik moet jelui namen weten”.
Heer Spin zei „Tjari gi dem soema”.142 [288]
Vleermuis riep: „Kot-kóti mofo”.143
Kikvorsch zei: „Tódo”.144
Hond antwoordde: „San mi sa taki”.145
Elken dag zond het dorpshoofd een schotel met lekkere spijzen voor de bemanning van zijn boot.
Wanneer de bode aankwam, zei hij tot Spin:
„Tjari gi dem soema” dezelfde woorden, die zijn meester hem had gezegd.
Heer Spin nam geregeld het eten aan, daar de bode zijn naam noemde; hij at dan alles zelf op en zag er welvarend uit.
Eens op een dag wilde het dorpshoofd een reisje maken. Hij keek de uitgehongerde roeiers aan en zei:
„Hoe komt het, dat jelui niet roeien?”
„We zijn te zwak”.
„Zwak! Eten jelui dan niet?”
„Neen”, antwoordden drie der roeiers.
„En ik zend iederen dag voedsel!”
„Dat is zoo, maar anansi ontvangt het”.
„Is dat waar?”
„Ja, patron”.146
„Eten jelui dan niet samen?”
„Neen, ik eet alleen, want U zendt het aan mij alleen”.
„Volstrekt niet! Ik zeg aan den bode: tjari gi dem soema”.
„Dat doet hij ook”.
„En je beweert, dat het voor jou alleen is”.
„Natuurlijk, voor wie anders?”
„Voor jelui allen”.
„Dat wist ik niet”.
„Wat wist je niet?” [289]
„Dat de andere drie zoo heeten”.
„Wat?.… Wat?.… Ik begrijp je niet?”
„Ik heet immers: tjári gi dem soema, niet waar?”
„Ik heb me het voedsel niet toegeëigend! Uwe Excellentie heeft het aan mij alleen gezonden. U moet voortaan duidelijker instructies geven en zeggen, dat hetgeen U zendt bestemd is voor ons vieren of vijven, en niet tjári gi dem soema, want dat ben ik! Indien U het weêr doet, neem ik het ook weêr aan! Hebt U me verstaan?”
De drie roeiers en de stuurman gaven heer Spin een geducht pak slaag. Hij vluchtte en liet zijn kleedingstukken achter. Toen is hij gaan schuilen in hoeken en gaten en durft zich thans niet meer te vertoonen te midden der andere dieren.
De kakkerlak en zelfs de vliegen spotten met hem.
„Ik zal me wreken”, dacht heer Spin. Hij hing overal netten op, op eenigen afstand van den grond, om zijn vijanden te vangen.
Sedert dien tijd maakt de spin ijverig jacht op kakkerlakken en vliegen, en doodt ze, waar zij ze maar vinden kan.