Brutale Spin ging op zekeren dag vriend Tijger bezoeken.
„Wat voor nieuws?”
„Niets”.
„Zeg mij toch, Spin, zou jij in staat zijn den tijger te berijden?”
„Of ik in staat ben een tijger te berijden? Wel natuurlijk! Ik zal jou berijden, zoodra je me maar de gelegenheid geeft”.
„Dat lieg je, kwast”.
„En ik zeg je, dat ik je op stal zal brengen en je gevangen zal nemen.—Neem je de weddenschap aan?”
„Zeker”. [290]
„Wel, morgen ochtend om acht uur rijd ik je, zonder uitstel”.
Den volgenden morgen, omstreeks half acht, stond Heer Spin in Gouverneurs-uniform gereed en zette zich in het gras naast den weg, waar Tijger voorbij moest gaan. Toen hij hem aan zag komen, begon hij in het gras te rollen en te roepen, dat hij buikpijn had.
Tijger sprak hem aan:
„Jij zoudt me immers op dit uur berijden, niet?”
„Dat heb ik gezegd, dat is zoo, maar zonder na te denken. Jij kent mij toch met mijn bluffen. Hoe zou ik dat kunnen, ik arm, krachteloos dier, jou als rijdier gebruiken! Wees wijzer, heb medelijden met mij, ik verga van pijn, mijn aars* is heelemaal uitgekomen”.
De Spin had een rijstzak bij zich met hoofdstel, leidsels, zadel, enz. er in.
„Bekijk dezen zak, ik kan hem niet eens dragen, hoe zou ik jou kunnen berijden?”
Spin lag bewusteloos neêr.
„Vriend Tijger, kijk niet naar mij, luister niet naar mijne woorden, maar heb medelijden met mij, anders ga ik hier sterven; laat me op je rug gaan zitten”.
Tijger, die medelijden kreeg met hem, stond het hem toe.
Spin had veel moeite, om er op te komen.
„Mijn aars”, schreeuwde hij, „mijn anus doet me zoo’n pijn! Sta me toe, vriend, iets zachts op je rug te leggen, anders loop ik gevaar, dat mijn darmen geheel uitkomen”.
„Zooals je wilt”.
Spin zadelde Tijger, dat het de moeite waard was. „Men kan niet zitten zonder steun, niet waar vriend?”
„Houd dit priemetje in je bek. Vlug wat, wil je soms de baas gaan spelen voor mijn goedheid?”
„Welneen, vriend”.
„Gauw dan, want ik moet weg”. [291]
Spin besteeg Tijger, die in galop wegholde.
Hij had zijn zin gekregen; hij zweepte Tijger, sloeg hem met de sporen, bracht hem voor het huis van het dorpshoofd en zei tegen den knecht:
„Neem mijn paard en breng het op stal”.
Men deed, wat hij vroeg, en Tijger werd in den stal opgesloten.
„Heb ik je niet gezegd, dat ik je zou berijden en gevangen nemen? Nu zit je in de kooi en je hebt er je zelf ingebracht, ezel die je bent” en heer Spin ging heen.
Boen no habi tangi.147