No. 13. Heer Spin en Hond.

Zeker dorpshoofd, heel goed met heer Spin bekend, nam zich voor, hem eens aan de kaak te stellen.

Hij liet twee koeien, een vette en een magere, in een stal plaatsen, die geheel gesloten was. De magere koe werd met trommelkoord, de andere met naaigaren vastgebonden; de twee uiteinden werden door een gaatje, dat in een der planken geboord was, heengestoken.

Heer Spin en vriend Hond werden daarop door het Hoofd uitgenoodigd.

„Ik heb twee koeien op stal”, zei deze, „een vette en een magere: de eene is vastgebonden met trommelkoord, de andere met naaigaren; neemt elk een van de uiteinden en ge moogt de koe, die er aan vastgebonden is, hebben”.

Heer Spin vloog naar den stal en nam het trommelkoord; Hond, die later kwam, moest zich met het naaigaren tevreden stellen.

Anansi meende, dat een flink beest niet met naaigaren vastgebonden kan worden en verheugde zich een goeden [292]slag geslagen te hebben; doch toen de stal geopend werd, moest aan hem de magere en aan Hond de vette koe gegeven worden.

Heer Spin was daarmeê echter niet tevreden en stelde Hond voor, te verwisselen.

„Vriend, wees tevreden met je lot, ik voor mij ruil niet.”

„Goed, laat het dan zoo blijven; ik wil ook niet meer ruilen, ik ga mijn koe slachten”.

Heer Spin gaf aan Hond de lever en een stukje vleesch. Daarna togen zij samen op weg.

Mati dagoe148 geef me de lever terug”, zei anansi en Hond deed het.

„Jij bent toch een onverdraagzame kerel, men kan met jou nooit eens een mop tappen”.

Hond liet zich dit niet zeggen en nam de lever weêr in zijn bek.

Eenige oogenblikken later begon heer Spin weêr:

„Geef me de lever terug”.

Hond deed andermaal wat hem gevraagd werd.

„Ik zal van mijn leven nooit meer een grap met jou hebben. Wat ben je dom! zei Anansi.

Weder nam Hond de lever terug, ging toen wat drinken en slikte de lever in. Spin bemerkte het.

„Vriend, tot dusverre heb ik geschertst, maar nu is het ernst; geef me de lever terug, anders krijgen we ruzie”.

Doch Hond kon niet spreken, en knorde:

„Ik heb haar bij vergissing ingeslikt”.

„Bij vergissing ingeslikt! Ik moet die lever terug hebben, al zou je je eigen koe moeten slachten; ik moet haar terug hebben”.

Hond slachtte daarop zijn koe en gaf Anansi het gevraagde stuk. Daarop liep hij weg en maakte hij een [293]groot gat, waarin hij zich verschool, om heer Spin zijn onhebbelijkheid betaald te zetten.

Toen Anansi aankwam, begon hij te knorren en liet hij de tanden zien. Heer Spin dacht, dat het de aarde was, die lachte; zette zijn koeroe-koeroe* neêr en sprak:

Ik verzoek mijn vader, mij door te laten”.

Hond begon dof te blaffen.

„Gij verlangt zeker een stuk vleesch, niet?”

Heer Spin gooide een stuk vleesch naar beneden, doch Hond begon nog harder te blaffen. Anansi werd doodsbang.

„Wil je nog een stuk?”

Heer Spin wierp weêr een stuk, hetgeen hij herhaalde tot hij niets meer had. Toen liep hij naar het dorpshoofd, deelde hem het voorgevallene mede. Het hoofd wist, dat Anansi een leugenaar was, en geloofde het verhaal niet.

„Indien ik lieg, wil ik mijn hoofd verliezen”, riep Anansi.

Twintig soldaten gingen daarop met hem mede, maar ze zagen slechts een grooten kuil.

Toen men heer Spin gevangen wilde nemen, vluchtte hij in een reet en kwam er nooit meer uit.

Al is men nog zoo slim, toch kan men nog wel eens beetgenomen worden. Het spreekwoord zegt:

„Boontje komt om zijn loontje”.