No. 16. Spin wedt, Tijger te berijden.

Men vertelt, dat op zekeren dag het dorpshoofd aan heer Spin gevraagd zou hebben of hij Tijger zou kunnen berijden.

„Wel zeker!”

„Waarlijk?” vroeg het Hoofd, niet kunnende begrijpen, dat Spin slim genoeg zou zijn, om Tijger te bemeesteren.

„Wacht een oogenblik”.

Spin ging naar huis en vroeg zijn vrouw:

„Heb jij soms die bedorven eieren, die niet zijn uitgebroed, weggegooid?”

„Neen!”

„Waar zijn ze dan? Ik zoek me dood en vind ze niet”.

„Nooit kan je iets zoeken of je moet me uitschelden!”

„Haal ze dan!”

’Ma Akoe’156 bracht haar man drie bedorven eieren.

„Liever had je me alle bedorven eieren meêgebracht! Ik vraag er één en je brengt er een half dozijn mede”.

„Hm! ik versta me niet met den kapitein.157 Hij heeft zeker weêr de eene of andere weddenschap aangegaan, en nu komt hij me zoo maar uitschelden”.

Spin nam een ei en begaf zich naar de woning van vriend Tijger. Toen hij het huis naderde, stak hij het ei in den mond tegen zijn wang en hield zich ziek.

Odi màti tígri158 sprak Spin door den neus en met gesloten tanden.

„Goeden morgen, vriend, wat scheelt jou? Ben je ziek?”

Toen bemerkende, dat zijn mond rook, vroeg Tijger:

„Wat scheelt er toch aan, vriend Spin, je mond stinkt”.

„Dat geloof ik graag, want ik heb hier iets in den [298]hals; precies weet ik niet, wat het is, maar het moet een abces zijn”.

Anansi zuchtte en zakte ineen. Tijger hielp hem opstaan en liet hem plaats nemen op een bank.

„Vriend Tijger, gaat ge naar de stad?”

„Ja, maar voorloopig nog niet”.

„Hm.….”

„Had je mij misschien iets te vragen?”

„Ja”.

„Wat dan, mijn vriend”.

„Ik wilde je vragen, of je het misschien zou willen doen”.

„Zeg het gerust; ik wil je graag van dienst zijn, want ik beklaag je in dezen toestand”.

„Wel, ik wou je verzoeken, als je naar de stad ging, me op je rug te nemen, want ik kan niet loopen. Ik ben niet zwaar, dat weet je”.

„Met genoegen, vriend. Laten we dan dadelijk gaan; misschien tref je den dokter nog thuis op dit uur”.

Heer Spin was zóó zwak, dat Tijger hem buitenshuis moest leiden en hem op zijn rug plaatsen.

„Zit je goed?”

„Ja, maar je ruggegraat doet me pijn; zou ik er een kussentje op mogen leggen?”

„Zeker”.

Spin zette het zadel vast.

„Zit je nu goed?”

„Ik schommel een beetje. Ik vrees, dat ik zal vallen, als je begint te loopen. Zou je dit touwtje niet in je mond kunnen houden? Het is ook niet alles voor een zieke, om te zitten zonder steun”.

„Zeer zeker niet, vriend”.

Spin hield de leidsels vast, toen Tijger begon te loopen.

„Wacht nog even; geef me eerst een zweep om de vliegen weg te jagen”. [299]

Tijger begon te draven, Spin stuurde hem recht op de woning van het dorpshoofd aan, zweepte Tijger, dat hij ervan kraakte en iedereen klapte in de handen.

Zoo heeft heer Spin zijn weddenschap gewonnen. Daarom: lóekoe boen, Anansi kóli joe.159