In het dorp, waar heer Spin woonde, werden perceelen uitgegeven tot uitbreiding van den kleinen landbouw.
Tijger was als hoofd van dat dorp aangesteld geworden; hij gaf elk dier, tot zelfs Konijn en Spin, zijn stuk land, op voorwaarde echter, dat ieder eenige uren aan de bebouwing van zijn akker zou besteden.
Heer Spin stond ’s morgens om vijf uur op, bewerkte zijn perceel tot zeven uur, en begaf zich daarna naar het land van zijn granmàn.169
Daar ontmoette hij Konijn en Tijger; en na zich te hebben neêrgezet, begon hij op een oud houweel te slaan, al zingende:
Timekoe, timekoe!
Mi a no joe boi!170
Tijger, Konijn en alle andere dieren dansten dan tot ze er bij neêrvielen, doch op het laatst werd het zóó slim, dat velen wegbleven, ook Konijn.
Doch Tijger bemoeide zich met de zaak. Eenige dagen daarna kwam Konijn hem mededeelen, dat hij een abces in den mond had. Er verliepen zoo eenige dagen, zonder dat Konijn kwam opdagen, tot Tijger, het wachten moede, besloot, zelf Konijn te gaan halen. Onderweg ontmoette hij een oude vrouw, die hem vertelde, dat Konijn niet ziek was, maar een ei in den mond hield, op aanraden van heer Spin. [309]
Tijger trad de woning van Konijn binnen, groette hem en vroeg hem, wanneer hij zijn arbeid dacht te hervatten.
„De dokter komt mij morgen opereeren!” antwoordde Konijn.
Maar Tijger, wel beter wetende, gaf hem zulk een slag, dat het ei uit zijn mond viel. Konijn maakte zich uit de voeten en kroop in een hollen boom. Tijger nam toen een langen bamboestok, waaraan hij een haak bevestigde, en trachtte zich op deze wijze van Konijn meester te maken.
Trof de haak Konijn, dan schreeuwde hij:
„Doe je best, haal op!”
Trof de haak het hout, dan klonk het jammerlijk van uit den boom:
„Je doet me pijn, ach! ik ga dood!”
Eindelijk slaagde Tijger er in, Konijn te vangen.
„Nu ga je sterven!” brulde Tijger.
„Vergiffenis meester, erbarmen!”
„Ik zal je in ’t vuur gooien!”
„O dank! dank! dan vind ik mijn geheele familie terug! Dank, dank, ja, gooi me in ’t vuur!”
„Neen, ik wil je geen genoegen doen, ik zal je in de kapoewéri171 gooien”.
„Dan ga ik dood! Neen, liever in het vuur”.
Tijger nam Konijn op, en wierp hem in de kapoewéri.
„Dom dier”, snauwde Konijn Tijger toe, „weet je dan niet, dat ik zou sterven in het vuur, ezel!”
Tijger droop beschaamd af en ontmoette heer Spin.
„Schaam je je niet, dat je je hebt laten beetnemen door een konijn? Ik heb het nooit willen gelooven, maar nu weet ik, dat je een ezel bent”, zei Spin.
Sedert dien dag zijn Tijger en Konijn geslagen vijanden en Heer Spin is de oorzaak van hun tweedracht. [310]