No. 22. Anansi en de Bliksem.

Spin en Bliksem waren goede vrienden; zij bezochten elkaar dikwijls.

Eens, toen zij elkaar ontmoetten, ving heer Spin met deze woorden aan:

„Waarde vriend, ik weet dat Gij het goed meent met mij, evenals ik met U. Ik heb een klein verzoek, en vreesde dat Gij het mij kwalijk genomen zoudet hebben, indien ik aan een andermans deur was gaan aankloppen. Daarom wil ik U niet voorbijgaan en het verzoek eerst tot U richten”.

„Spreek, ik houd niet van dralen! Wat ik doe, moet heel gauw geschieden, dat weet Ge zelf het best”.

„Wel, ik heb wat geld noodig”.

„Hoeveel?”

„Ongeveer 10,000 gulden”.

„Wanneer krijg ik het terug, als ik het U leen?”

„Na verloop van een jaar”.

„Goed. Hier zijn 10,000 gulden. Als ik ze vandaag over een jaar niet terug heb, verpletter ik je”.

„Ge krijgt het vast terug, misschien eerder nog”.

„Dus, Anansi, vandaag over een jaar?”

„Uiterlijk, ja misschien vroeger”.

Toen het jaar op een dag na verstreken was, haalde heer Spin een groote hoeveelheid aardvruchten op zijn veld, bracht ze ’Ma Akoeba en gelastte haar, een flinke hoeveelheid er van klaar te maken.

„Ik ga even naar het bosch, ik kom aanstonds terug”, zei Anansi.

De twee vrienden bezochten elkaar gewoonlijk te middernacht. Heer Spin wist dus, dat Bliksem des nachts zou komen en daar hij geen geld had, bedacht hij een list.

Door het bosch gaande, zag hij een haas*, die bezig was aardvruchten uit te graven. [311]

Joe boi hei172, wil jij je heele leven doorbrengen met stelen? Weet je niet, dat ik je oom ben?”

Odi mi Om!173

„Jongen, dat beetje geld, dat je vader je nagelaten heeft, heb je ook al door de vingers gemaakt; moet je nu je verdere leven doorbrengen met stelen? Je maakt me beschaamd. Als je honger hebt, kom dan meê naar huis. Je oude heer zal je toch zeker wel eens over mij gesproken hebben?”

„Nooit, Oom. Wel heeft hij ons verteld van dien Spin, die de menschen zoo weet beet te nemen”.

„Ja, dat is een gladde kerel; ik wil ook niets meer met hem te maken hebben. Ik ben verplicht geweest, hem de deur te wijzen; hij zou iemand in het verderf kunnen storten. Er bestaan geen twee zooals hij op aarde”.

Heer Spin bracht zijn nieuwen neef thuis en zei tegen ’Ma Akoeba:

„Hier is de zoon van wijlen mijn broeder, geef hem een bord eten”.

Het uur van de terugbetaling naderde met rassche schreden. Om kwart voor twaalf ging Anansi de haas, die op de galerij was blijven slapen, wakker maken.

„Aanstonds komt iemand mij iets brengen. Het is een mijner buitenvrouwen. Antwoord jij dan, als ze: Anansi roept, maar zorg er voor, dat je tante niets merkt.

Toen het twaalf uur sloeg, naderde Bliksem het huis van Anansi. Hij klopte: kokoko! en riep:

Anansi!”

Het arme haasje, dat niet wist wat gaande was, zei:

„Ja”.

„Het geld!”

„Welk geld?[312]

En met één flikkering werd de onschuldige gedood.

Den volgenden dag vernam Bliksem van zijn zoon, dat Anansi nog levend was.

Wat! Anansi nog levend! En ik heb hem gisteren avond zoo’n zwaren slag toegebracht. Ik zal van nacht teruggaan en hem toonen wie ik ben”.

Heer Spin vernam dit alles. Muren en deuren hebben immers ooren en de spin leeft in beslagruimten!

Hij ging weêr naar het woud en ontmoette Hert.

„Jij doet niet anders dan stelen, schaam je je niet? Ga met me meê naar huis, en eet met mij”. Hert ging mee.

Toen zij thuis waren gekomen, zei Spin:

„Blijf hier slapen, je kunt dan morgen weggaan, je bent hier toch bij bloedverwanten, niet waar?”

Even vóór twaalf uur ging Spin Hert wakker maken en verzocht hem voor hem te willen antwoorden, indien iemand kwam en „Anansi” riep.

Vijf minuten vóór twaalf kwam Bliksem met flikkerende stralen aan de deur kloppen, terwijl Spin en zijn vrouwtje rustig in Morpheus’ armen lagen.

Anansi!

„Ja”.

Bliksem sloeg het edel hertje met zijn harde hand verpletterd neêr.

Den volgenden dag sprak Bliksem tot zijn zoon:

„Nu, heb ik hem goed getroffen?”

„Wel neen, Papa, het was Anansi niet”.

„Wie dan?”

„Hert”.

„Ik zal van nacht weêr naar hem toegaan”, antwoordde Bliksem opgewonden, vol verbittering, dat hij Anansi maar niet kon treffen.

Dit hoorende, begaf heer Spin zich op weg, om Schildpad te bezoeken, die hij in het water aantrof. [313]

„Vriend, pas op, je krijgt nog buikpijn, kom aan wal! Heb je het niet koud?”

„Ja”.

„Kom dan met me meê naar huis en breng een paar dagen bij ons door. Ware vriendschap vergaat niet en de eene hand moet de andere afwasschen, niet waar?”

Na deze toespraak kon Schildpad onmogelijk weigeren. Hij vergezelde zijn vriend naar huis, at, en begaf zich daarna op de galerij, om er de nacht door te brengen.

Heer Spin had echter niet verzuimd, zijn gast te vragen, voor hem te willen antwoorden, in geval dat iemand hem kwam roepen. Sekrepattoe174* beloofde het en zijn gastheer verdween.

Arme Schildpad, van den keizer geen kwaad wetende, antwoordde „ja” op de vraag van Bliksem en werd oogenblikkelijk zijn slachtoffer.

Maanden achtereen liet Spin deze list duren.

Toen echter geen enkel dier zich meer bij hem aan huis dorst te wagen, ging hij zijn neef Vos opzoeken.

„Dag, beste neef, hoe gaat het jou, jongen?”

„Ik ben wel, Oom”.

„Sedert den dood van je vrouw, mijn nicht, heb je blijkbaar de heele familie den rug toegekeerd”.

„Wel neen, waarde Oom”.

Tante Akoeba175 laat je groeten en vraagt, wanneer je eens bij ons komt zitten”.

„Dat is moeilijk vooruit te bepalen. Ik heb vrouw en kinderen.….”

„Heb je een vrouw en kinderen! Hm! je bent door en door gemeen! Je hebt mij niet eens als familielid gerekend, niets laten weten, noch van je huwelijk, noch van de dooppartij der kinderen. [314]

Vos dacht: op een trouwpartij valt veel lekkers te eten; bij een dooppartij ook; zoo’n gulzigaard! Maar hij krijgt me niet! Gelukkig heb ik alles gehoord, ik ga niet met hem meê—hij zal zelf antwoorden, als Bliksem komt.

Mati kraboe-dâgoe*, joe no wani loekoe joe tanta?176

„Neen, dank U, slimme Oom”.

„Wat! Slimme Oom! Had jij zoo durven spreken tegen wijlen je vader? Ik ben de eenigste in uw midden, die zorgen kan en zorgen moet, dat de familie blijft bestaan”.

„Nu, goed, ik ga meê, maar ik ga niet naar binnen”.

Zij begaven zich op weg, maar oom Spin wist neef toch over te halen naar binnen te gaan en ook den nacht bij hem door te brengen.

Om half twaalf kwam Spin zijn neef verzoeken, voor hem te willen antwoordden, indien men hem kwam roepen.

„Wel neen, Oom, dat doe ik niet, ik ben toch niet gek. Als men mij roept, dan eerst antwoord ik, anders niet.”

Heer Spin kon hem niet overtuigen.

Vos groef haastig een gat onder het huis, om zich daarin te kunnen verschuilen.

Bliksem kwam:

Anansi! Anansi!

„Antwoord toch, Oom!”

„Neen, jij moet antwoorden; ik kan niet—ik ben zoo schor.

„Dat is wel heel plotseling gekomen”.

„Treuzel niet, antwoord maar … ja”.

„Neen, dat doe ik niet”.

Vos krop in het hol. Bliksem barstte los, aan donder gepaard en vernietigde de gansche familie Spin. [315]