No. 23. Ieder volwassen man moet een rood zitvlak hebben.

Eer tien tien177. De Koning wilde zijn reine, onschuldige dochter alleen ten huwelijk geven aan den man, die zonder dat het hem kwaad deed, een mand vol pepers* kon opeten. De pepereter mocht zelfs geen lucht happen, om den mond af te koelen, als de pepers hem brandden. Aan alle mannen van zijn gansche rijk stond de Koning toe, te trachten op die wijze de prinses tot vrouw te krijgen, maar zij, wier pogingen mislukten, zouden onmiddellijk ter dood gebracht worden. En deze gevaarlijke voorwaarde schrikte iedereen af, waarom men algemeen geloofde, dat de prinses haar leven lang ongehuwd zou blijven.

Toch was er één, die moedig de peperproef wilde doorstaan, teneinde met de prinses te kunnen trouwen. Deze was Ba’178 Anansi.

Hij ging naar het paleis, teneinde den Koning zijn voornemen mede te deelen.

Maar vóór de poort van het paleis gekomen, begon hij met den mond een zuigende beweging te maken, net als iemand doet, die door het gebruik van pepers den mond gebrand heeft. Ook in bijzijn van den Koning bleef Anansi deze beweging herhalen, waarmeê hij wou doen uitkomen, dat dit zoo een gewoonte van hem was.

Toen de Koning vernam, waarvoor Ba’ Anansi gekomen was, zei hij minachtend: „nu al sta je zoo „sssh”, „sssh” te maken, wat zal je straks doen, als je pepers eet?”

Ba’ Anansi verklaarde hierop: „daar moet U niet op letten, mijn Koning, want het is een oude gewoonte van mij, die ik door het vele peper eten aangeleerd heb”.

De Koning gebood daarna zijn ondergeschikten, een groote mand met pepers te brengen, waarna hij Ba’ Anansi verlof gaf, met de proef te beginnen. Ba’ Anansi zette zich ook naast de mand neêr en het gelukte hem, al de [316]pepers daarin op te eten. Natuurlijk brandden de pepers hevig en koelde hij ook voortdurend den mond af met frissche lucht, zoo „sssh, sssh”. Maar telkens als de Koning dit opmerkte, beweerde Ba’ Anansi, dat het zijn oude gewoonte was, gelijk hij reeds gezegd had. Ook werkten de pepers slecht op Ba’ Anansi’s spijsvertering, zoodat hij zich dikwijls moest verwijderen. Het gevolg van al dat pepereten was, dat Anansi een hevige darmontsteking kreeg en de endeldarm voor een deel uit zijn lichaam trad en veel geleek op een groot, rood gezwel.

Ba’ Anansi liet den Koning niets van dit alles merken. Hij zei slechts, dat de peperproef hem zijn gewoonte om zoo „sssh, sssh” te maken, geheel had afgeleerd, en dat hij er ook een grooten afkeer van pepers door had gekregen, waarom hij ze nooit meer zou eten. De Koning vond dit zeer begrijpelijk; hij prees Ba’ Anansi als den moedigsten man van het land. Hij gaf hem met pleizier zijn dochter ten huwelijk en een rijken bruidschat.

Na het huwelijk bracht Ba’ Anansi de prinses naar zijn woning, die hij met ’s Konings geld zoo weelderig mogelijk had ingericht. En daar deed hij al wat zijn koninklijk vrouwtje maar verlangde. Zij leefden dan ook geruimen tijd gelukkig met elkander.

Doch Ba’ Anansi ging elken morgen vóór zonsopgang uit en keerde niet eerder weêr, dan wanneer de zon reeds hoog aan den hemel stond.

Als de prinses informeerde, waar hij was geweest, antwoordde Ba’ Anansi steeds ontwijkend en gaf hij tevens te kennen, dat hij niet wou nagegaan worden.

Door nieuwsgierigheid gedreven, volgde de prinses op zekeren morgen Ba’ Anansi ongemerkt op diens geheimzinnigen tocht, ten einde hem te bespieden. Ba’ Anansi liep regelrecht naar het zeestrand en beklom daar een hoogen rots, waar hij zich uitkleedde en zijn zitvlak naar [317]de opkomende zon toekeerde, ten einde de verzwering zoo te kunnen genezen.

Nauwelijks had de prinses het groote, roode gezwel in de zon zien schitteren, of zij riep van schrik: „Mijn Jezus179, Ba’ Anansi, wat is er met je gebeurd?”—Op het hooren hiervan schrok Ba’ Anansi hevig, want hij dacht, dat de prinses met haar gegil zijn gebrek zou bekend maken en men zou gaan zoeken, hoe hij er aan gekomen was.

Haastig kleedde Anansi zich weêr aan, klom van den rots en voegde zich schijnbaar kalm bij de prinses, zeggende: „Wat doe je zoo doen, mijn prinsesje, wil je voor niemendal de geheele buurt in opschudding brengen met je gegil?”

De prinses verklaarde toen, dat zij bij het zien van het groote, roode gezwel hevig geschrokken was en dacht, dat hem een ongeluk was overkomen. Anansi antwoordde: „maar mijn schat, als een man groot is, moet zijn zitvlak er zoo uitzien; vraag het maar aan je vader, als je me niet gelooft”. Hij bezat intusschen de zekerheid, dat Zijne Majesteit op reis was.

De prinses, die niet wist, dat de Koning afwezig was, begaf zich naar het paleis, ten einde haar vader te vragen, of Anansi wel de waarheid had gesproken.

Nauwelijks was zij verdwenen, of Ba’ Anansi nam een korteren weg door het bosch naar ’s Konings woning, waar hij vóór zijn vrouw aankwam.

Als schoonzoon van den Koning liet men Ba’ Anansi overal in het paleis toe, zoodat hij zonder moeite in ’s Konings slaapkamer kwam. Daar ging hij op het bed liggen en bedekte zijn geheele lichaam met dekens, behalve de roode plek in kwestie, die duidelijk te zien was.

Toen begon hij het gesnork van den Koning na te bootsen. Anansi wist, dat de Koning er een hekel aan had, in den slaap gestoord te worden en dat zijn [318]vrouw dit, uit eerbied voor haar vader, ook niet zou doen.

Zoo wachtte Ba’ Anansi op de prinses. Deze trad even later ook de kamer binnen, waar zij hardop tot zich zelf sprak, zóó dat Ba’ Anansi het duidelijk verstond: „Ach, mijn vader slaapt, maar kijk, hij heeft net zulk een roode plek als Ba’ Anansi. Ik behoef hem niet wakker te maken. Anansi had dus gelijk en ik zal hem verontschuldiging moeten vragen voor mijn wangedrag”.—Zoodra de prinses zich verwijderd had, sprong Ba’ Anansi het bed uit, kleedde zich aan en snelde langs den korteren weg naar huis terug, waar hij voor het venster plaats nam.

Na een poosje kwam de prinses aanzetten en vroeg hem weenend om vergiffenis. „Vergeef mij, mijn schat Ba’ Anansi, dat ik je gewantrouwd heb, ik zal het nooit meer doen, maar in mijn onschuld heb ik niet kunnen gelooven, dat dit zoo bij alle mannen was.

Daarop beloofde Ba’ Anansi zijn prinses te zullen vergeven, mits zij den Koning niets van het voorgevallene vertelde. Het paste een dochter niet, met den vader over zulke dingen te spreken. De prinses zwoer daarop, dat zij geen woord meer over het gebeurde zou reppen.

Toen omhelsde Ba’ Anansi zijn prinses en het geschil werd zoo in der minne opgelost.