Er leefde eens eene oude vrouw, die een grondje bezat, even buiten de stad. Zij voorzag in haar levensonderhoud door het verkoopen van de produkten, die haar grondje opleverde. Zij had er cassave*, napis*, tayers*, switi patata181, bananen enz. op geplant en ging geregeld naar de markt, om de opbrengst te verkoopen. Hierdoor was zij in staat, niet alleen ruimschoots in haar onderhoud te voorzien, maar ook drie kleinkinderen groot te brengen.
Haar kleinkinderen heetten Fini foetoe (spillebeen), Bigi bere (dikbuik) en Bigi hede (groot hoofd).
De oude vrouw hield veel van haar kleinkinderen en deed alles, wat in haar vermogen was, om ze tot nuttige leden der maatschappij groot te brengen.
Zij had echter veel verdriet van hare lievelingen, daar zij onverbeterlijke snoepers en dieven waren, trots hun jeugdigen leeftijd.
Eens op een morgen moest de oude vrouw naar de markt gaan, om als gewoonlijk hare produkten te gaan verkoopen. Daar zij echter op haar grondje een prachtigen dokoen-boom had met overrijpe dokoens*, welke zij bestemd had, om als geschenk den granman aan te bieden, riep zij hare drie kleinkinderen, voor zij van huis ging, bij elkaar, waarschuwde hen ten strengste, om niet te snoepen van [322]de dokoens, daar bij ongehoorzaamheid hun een ongeluk zou overkomen.
De kinderen beloofden plechtig, te zullen gehoorzamen, waarna de grootmoeder gerust ter markte ging.
Nauwelijks was de oude vrouw vertrokken, of de kleine bengels wierpen begeerige blikken naar de rijpe dokoens en na fluisterend met elkander gedelibereerd te hebben, besloot men, dat Bigi hede, die als een geoefend klimmer bij de broêrtjes bekend stond, in den boom zou klimmen en eenige prachtige dokoens zou plukken en voor de anderen naar beneden zou werpen.
Zoo gezegd, zoo gedaan: fluks beklom de kleine dikhoofdige rakkert den boom en begon hij, in plaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen en de een na de andere op te peuzelen.
… en begon hij, inplaats van de dokoens naar beneden te werpen, zich flink te goed te doen …—Zie blz. 322.
Nadat het smulpartijtje in den boom een poosje geduurd had, vroeg eensklaps Bigi bere aan Bigi hede of het goed smaakte.
Deze had echter zijn mond vol en daar hij niet kon antwoorden, schudde hij met zijn dikken kop zóó hard van ja, dat zijn hoofd van den romp viel en holder-de-bolder naar beneden viel.
Dit ziende, begon Bigi bere zóó hard te lachen, dat zijn buik, die al tamelijk dik was van het smullen, als een bom uiteenbarstte. Fini foetoe, dit ziende, schrok zóó hevig, dat hij het op een loopen zette, de dokoens vergetende. Aan een breede sloot gekomen, sprong hij er over, doch hij kwam daarbij zóó hard neêr, dat hij zijn beide spillebeentjes brak.
De grootmoeder, thuis komende, hoorde in de verte reeds het gekerm van Fini foetoe. Zij liet den jongen naar het hospitaal brengen, waar de beentjes werden afgezet. De doode lichamen van Bigi hede en Bigi bere werden zorgvuldig gekist, en, na mass’ra Krebs gewaarschuwd [323]te hebben, werden zij begraven onder den dokoenboom op het grondje van hun grootmoeder.
Fini foetoe leefde nog jaren lang, maar hij moest op krukken loopen. Na den dood der grootmoeder liet hij den dokoenboom omhakken.