No. 30. Geschiedenis van Kopro Kanon*.

Er was eens in een dorp een vrouw, die drie zoons had, waarvan de oudste Mininimi heette, de tweede Krimintaria en de jongste Kopro Kanon.

Zij had Mininimi en Krimintaria lief, maar Kopro Kanon niet; daarom werd hij verwaarloosd en zat hij vol schurft196 en jaws*. Als het etenstijd was, riep de moeder alleen de twee ouden, zingende: [333]

Mininimi kom njam!

Krimintaria kom njam!

Kopro Kanon tan de!197

Arme Kopro Kanon was stokmager en stonk van vuil. Zijn moeder wilde niets van hem weten. Ach! Arme Kopro Kanon!

De twee oudste knapen zagen er rond uit van dikte.

De duivel, die menschenvleesch lust, had zijn oogen op hen gericht en wachtte met ongeduld een gunstig oogenblik af, om hen te vangen.

Hij was juist op wacht, toen hij hoorde, op welke wijze de knapen geroepen werden. Den volgenden dag kwam hij ter plaatse terug en zong het lied met een heel grove stem.

Kopro Kanon had zijn broeders lief en zei hun:

„Gaat niet, want dat is de stem uwer moeder niet. Het komt mij voor, de duivel te zijn”.

Zij waren hem gehoorzaam.

De duivel, die begreep, dat zijn zware stem de oorzaak was, dat de jongens niet tot hem kwamen, ging toen bij een smid, om zijn tong te laten vijlen.

De duivel ... ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen.—Zie blz. 333.

De duivel … ging toen bij een smid om zijn tong te laten vijlen.—Zie blz. 333.

De smid verbood zijn cliënt, bakoven* te eten, als zijn tong gevijld was, daar zijn stem anders weêr grover zou worden.

„Ik zal aan Uw bevel voldoen”, antwoordde Joost hem.

Doch geen tien minuten van de smederij zijnde, ontmoette hij een vrouw, die bakoven rondventte. De gulzigaard kon zijn lust niet bedwingen en vroeg haar:

Joe no séri mi toe sensi bakóeba?198

De bakove ging in één hap naar binnen.

Satan ging toen weêr de wacht houden en zong het lied met donderende stem. [334]

De ongelukkige Kopro Kanon waarschuwde zijn broeders weêr om niet te gaan, daar het slechts des duivels stem kon zijn, die zoo dreunend en dof klonk.

De verdelger der wereld ging terug naar den smid, zonder eenig succes te hebben gehad. Zijn stem was veranderd, daar zijn tong door bakove vergiftigd was. De smid zei hem:

„Als iemand onder behandeling van een dokter is, moet hij diens voorschriften opvolgen; anders loopt hij gevaar. Denk niet, dat een patiënt den dokter kan foppen, neen, hij fopt zich zelf!”

„Maar, waarom zijt gij zoo hatelijk tegen mij?” vroeg Satan.

„Omdat ge vol leugens zit, vent. Ge spreekt tegen uw geweten.”

„Ben ik dan een leugenaar?”

„Een gevaarlijke ook. Denkt ge soms, dat ik niets anders te doen heb, dan ieder oogenblik te zitten hameren en vijlen in uw bek?”

Na een flinke bestraffing begon de smid weêr te vijlen.

„Zing het lied nog eens, opdat ik U keure.”

De duivel zong.

„Hoe is het nu, goed niet waar?”

„Dank U vriendelijk, tot wederdienst”.

Satan ging naar zijn bestemming en begon met een altstem te zingen, waardoor de twee knapen zijn slachtoffer werden. Toen de moeder hun riep, antwoordde Kopro Kanon met droevige stem:

Mininimi no de,

Krimintaria no de,

Kopro Kanon wawán de.199

[335]

De moeder ging toen naar Kopro Kanon, voedde hem van toen af en verzorgde hem goed. Zij kwam te sterven en Kopro Kanon begroef haar.

Wie kinderen heeft, mag het eene niet boven het andere voortrekken, maar moet van allen evenveel houden.