Er wordt verteld, dat het water beheerscht wordt door de Watramama.200
De Watramama is half mensch, half visch; zij heeft een zacht-gele tint als een Indiaansche, een schoon gezicht, prachtige donkere oogen en lang zwart haar.
De Watramama houdt verblijf in kreken. Zij komt nooit anders te voorschijn dan om hare kleinen te zoogen of om zich het haar te kammen met den wonderkam, en wel altijd met jongvloed201. De menschen, die het geluk hadden, haar te zien, vertellen dat het eene Madonna is. Djokarto, van plantage „Pieterszorg”, zegt er een te hebben gezien in een kreek van plantage „de Resolutie”. Zij zetelt onder in de rivieren en vermag veel op de golven. Zij doet booten zinken en eigent zich den inhoud toe. Nergens, bij niemand ter wereld, vindt men zooveel rijkdommen als bij haar.
Men zegt, dat er menschen zijn, die de kunst verstaan, haar kam te stelen, terwijl zij bezig is zich te kammen. Als de Watramama den dief gevonden heeft, eischt zij haar kam terug en belooft in ruil een aanzienlijke waarde aan geld. De dief echter paait haar met allerlei beloften, en gebruikt haar om zoo te zeggen als een melkkoetje. Telkens komt de Watramama terug en zij brengt steeds meer geld mede, tot zij eindelijk het geluk heeft, haar kam terug te krijgen. Wil de dief den kam niet teruggeven, [336]dan is hij verloren. Want de eerste keer, dat hij over het water gaat, slaat zijn vaartuig om.
Er was eens iemand die, door een kreek varende, gekerm hoorde. Toen hij voortparelde, bemerkte hij de Watramama, die in gevaar verkeerde en hij verschafte haar hulp. De meermin zegende hem en beloofde hem ten allen tijde haar bijstand. De man was visscher van beroep en deed van toen af goede vangsten. Ook raadde zij hem aan, zijn pagala202 open te laten, wanneer hij stadswaarts ging, en dagelijks vond hij er geld in.
De Watramama had hem verboden met iemand hierover te spreken; anders zou zij hem moeten straffen.203 Maar ach! het zwakke geslacht, dat de mannen zoo dikwijls in het verderf stort, bracht ook hem in het ongeluk.
De man had vrouw en kinderen en toen de vrouw hem steeds met geld thuis zag komen, vroeg zij naar de herkomst. Hij liet zich niet uit, doch toen zij sterker aandrong en hij het, om de waarheid zeggen, niet meer kon uithouden, vertelde hij haar alles en ook wat de gevolgen hiervan zouden zijn.
Eens op een dag begaf de visscher zich naar een plantage, maar nog eer hij op de plaats zijner bestemming was aangekomen, was hij verdwenen.
Men zegt, dat het gevaarlijk is, de albino’s die nog al eens onder de negers voorkomen, en Watramama-pikien204 genoemd worden, veel over het water te laten gaan, wanneer ze groot worden, daar de Watramama ze dan wel eens tot zich neemt.
In den slaventijd was er een jonge neger-albino, Skroero-ki205 genaamd, die dikwijls op den rivierbodem [337]neêrdaalde, om allerlei voorwerpen te halen. De Watramama was zijn vriendin. Hij ging bij haar eten en bleef soms dagen onder water.
Zij had hem gewaarschuwd met niemand te spreken over hetgeen hij bij haar hoorde of zag, maar Skroero-ki voldeed niet aan dat verzoek, en toen hij weêr op den rivierbodem daalde, kwam hij niet meer aan de oppervlakte terug.
Visschers, die hun bedrijf uitoefenen, vangen de Watramama wel eens in hun netten.
Doch ze laten haar dan weêr gaan, daar ze anders gevaar zouden loopen, om met boot en al in de diepte te verdwijnen!