Er heerschte opschudding in de dierenwereld. Alle wouddieren waren opgeroepen, om een dag na volle maan op de groote savanne* te verschijnen, waar bígi króetoe207 zou worden gehouden, om te beslissen over het lot van Ba’ Tigri208, die zich had schuldig gemaakt aan het zwaarste misdrijf, dat een dier kan worden ten laste gelegd, nl. grove beleediging zijner moeder.
De aanklaagster, de verdachte en de getuigen ondergingen een scherp verhoor, waardoor wettig en overtuigend kwam vast te staan, dat Ba’ Tigri zich had schuldig gemaakt aan een doodzonde en daarom den verschrikkelijksten dood behoorde te sterven, welke het dierenbrein maar kon bedenken.
Poema* stelde voor, hem den hongerdood te laten sterven, Tapir* wilde hem eerst radbraken, daarna ophangen, Sneki209 voelde er meer voor, hem op een zacht vuur te roosteren of hem met een gloeiende tang vleesch uit het [340]lijf te nijpen tot de dood er op zou volgen—een in den slaventijd zeer gebruikelijke strafoefening op weerspannige negers. Een ander weêr wilde den veroordeelde levend villen en zoo ging het voort, maar de vrouwelijke dieren vonden die straffen niet verschrikkelijk genoeg, verlangden in deze nog het oordeel te hooren van Kees-Keesi*210, den rechtsgeleerden raadsman van de Kroetoe; maar hoe men ook riep, Kees-Keesi kwam niet te voorschijn, en eerst nu bleek het, dat hij niet ter vergadering verschenen was.
Eindelijk stond er een dier op, dat beweerde, hem een paar dagen te voren te hebben ontmoet, keurig aangekleed, en in een zelfs voor zijn doen buitengewoon vroolijke stemming. Kees-Keesi had aan spreker verteld, dat hij verloofd was en op weg was naar Apenstad, waar hij het mooiste, liefste en zachtzinnigste apinnetje zou gaan trouwen, dat ooit den huwbaren leeftijd had bereikt. Sedert had niemand meer iets van hem gehoord of gezien.
Eensklaps echter hoorde men Sabakoe*, de schildwacht211, roepen: „daar komt Kees-Keesi aan”, en werkelijk, enkele minuten later trad hij de vergadering binnen en stond hij voor den stoel van den voorzitter. Met stomme verbazing sloegen allen Aap gade, en geen wonder, want zijn voorkomen gaf er wel aanleiding toe. De anders zoo in de puntjes gekleede en gekapte Kees-Keesi zag er verfomfaaid, ja, haast ontoonbaar uit; zijn hoedje was ingedeukt, en het lint hing er aan flarden bij; zijn das was hij kwijt, zijn boord was losgerukt, zijn jasje en broek waren gescheurd, zijn gezicht droeg sporen van in aanraking te zijn geweest met scherpe nagels. Uit alles bleek ten [341]duidelijkste, dat hij gevochten had en daarbij met een tegenpartij te doen had gehad, die niet voor de poes was.
Op de vraag van Poema, waar hij van daan kwam en hoe hij in dien toestand was geraakt, antwoordde Kees-Keesi opgewonden, en terwijl de woorden hem haast in de keel bleven steken: „Van mijn bruiloft. Ik ben, moet jullie weten, sedert gisteren getrouwd, en mijn vrouw, die beweerde, dat ik te veel naar de bruidsmeisjes keek, heeft mij in dien toestand gebracht, waarin jelui mij nu ziet”.
De vrouwelijke dieren glimlachten om het verhaal van Kees-Keesi, beweerden medelijden met hem te hebben; de mannelijke noemden hem botweg een stommeling, omdat hij zich louter uit ijdelheid, zonder de gevaren te overdenken, in altijd durende slavernij had begeven.
De zaak tegen Tígri zou nu verder voortgang kunnen hebben. Kees-Keesi werd op de hoogte gebracht der beraadslagingen en ten slotte uitgenoodigd een straf te bedenken, evenredig aan de door Ba’ Tígri gepleegde misdaad. Kees-Keesi bedacht zich niet lang, want nauwelijks waren de tot hem gesproken woorden geuit, of hij sprak deze gedenkwaardige woorden: „Geachte vergadering, laat Ba’ Tígri trouwen”.
En aldus werd besloten. [342]