Emigratie, een krachtig palliatief tot leniging der sociale ellende, II 396.

Engeland, verhouding der geboorten in —, 504.

Engelsche knaap, eigenaardigheid in het spreken bij een doofstommen —, 160.

Engelschen, gemiddelde schedelinhoud der —, 107, 108.

Engelschen en Tahitiërs, de bevolking van het eiland Pitcairn bestaat uit bastaarden tusschen —, 377.

Engis, schedel van —, 388. [503]

Enteropneusta, 316.

Eocene periode, 296, 320.

Eoliden, doorschijnendheid der —, 529.

Eos, gemalin van Tithonus, 571.

Epigastrium, II 346.

Epiglottis, 383.

Epiphyse, zie Pijnappelklier.

Erasmus, over de sage van Tithonus en Eos, 572.

Eriocomi, 380, 381.

Eriodoridae, II 95.

Eskimo’s, 381; woonplaats der —, 376;
hun voorvaderen met de tegenwoordige Papoea’s verwant, 375;
gelijkenis tusschen — en enkele Indianenstammen, 375.

Esox lucius, II 36.

Estrelda, II 174.

Etrurië, schedels uit —, 108.

Eunomos en Ariston, wedstrijd van —, 571.

Euplocami, 330, 381.

Euprepia, geluid van —, 608.

Europa, oorspronkelijke wilde bevolking van — door het blanke ras verdrongen en uitgeroeid, 388;
verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504.

Europeanen, 379.

Europeanen en Amerikanen, verschil tusschen —, 388.

Eurylaemidae, II 174.

Euthycomi, 380, 381.

Evans, Joseph, hij bevestigt de opgave van Boucher de Perthes omtrent vuursteenen wapenen, gevonden in het diluvium der Somme-vallei, 36.

Eyzies, grot van —, 44;
geraamten uit de grot van —, 44;
schedels van —, 388.

F.

Falconer, Dr., hij bevestigt de opgave van Boucher de Perthes omtrent vuursteenen wapenen, gevonden in het diluvium der Somme-vallei, 36.

Fallah, 379.

Faluns de la Tourraine, bewerkte vuursteenen uit de —, 295.

Familie, naaste — van den mensch, 299.

Familietaal bij verschillende volken, 175.

Familietrekken tusschen verschillende rassen, 387.

Farrer, over klanknabootsing, 156.

Faudel, Dr. P., ontdekker van den schedel van Eguisheim, 46.

Fauna, pelagische — der Glasdieren, 528.

Fazant, Konings—, II 173.

Fazant, Koper—, II 173.

Fazant, Reeve’s —, II 173.

Fazant, Soemmerring’s —, II 173.

Feitelijke bevolking, 506.

Fellah, 379.

Fellah’s, woningen der Egyptische —, 151;
de type der — stemt soms met die der oude Egyptenaren overeen, 371.

Fellatin, 379.

Ferrière, het Darwinisme, 160.

Fiber zibethicus, II 304.

Finnen, 381.

Florence, schedel van —, 388.

Flower, zijn onderzoekingen omtrent de hersenen der apen, 39.

Focke, over de verhouding van wettig geborenen, 510.

Foelh, 379.

Foelan, 379.

Foela’s, 379, 381.

Foelbe, 379.

Foetus, misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling van den —, 38.

Fossiele apen, 416.

Fovea centralis in het oog der apen, 41.

Fraipont, over in België gevonden skeletten, wier schedels overeenkwamen met den Neanderdalschedel, 49.

Frankfort, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten te —, 505;
sterfteverhouding der Joden en Christenen te —, 502.

Frankrijk, verhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 504;
verhouding der seksen bij [504]wettige en onwettige geboorten in —, 505.

Franschen, gelijkheid in kenmerken van Galliërs en —, 387.

Frenulum, ontbreekt bij de Hottentotsche vrouwen, 377.

Fretje, 147.

Friesland, getalsverhouding der seksen in —, 506;
getalsverhouding der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509;
overmaat der mannelijke geboorten in —, 508.

Friezen, 382.

Fringillidae, II 95.

Fritilaria (Appendicularia) furcata, 304.

Fühlrott, Dr., ontdekker van den Neanderdalschedel, 44.

Fulgora candelaria, 572.

Functionswechsels”, „Princip des —”, 298.

Furfooz, schedel van —, 388.

G.

Galen, 382.

Galklieren, schoone kleur der — bij de Eoliden, 529.

Gallië, de grens tusschen Germanen en niet-Germanen in — onveranderd gebleven, 387.

Galliërs, 382.

Gallinaceae, 501, II 222.

Ganoïden, 314, 317, 319.

Gapers, zie Anastomus.

Gasteropoden, liefdepijlen bij de —, 529;
klasse der —, 528.

Gastraeaden, 315, 319.

Gastrula, 316, 319.

Gaudry, A., over fossiele apen, 416.

Gebergten, onderzeesche—, 42.

Geboorten, verhouding der — in verschillende landen van Europa en aan de Kaap de Goede Hoop, 504;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige —, 505.

Geestelijk verschil tusschen mensch en dier, II 147.

Geestvermogens der microcephalen, 155;
ontwikkeling der — bij hagedissen, II 36;
hooge ontwikkeling der — bij een duif, II 147;
Wallace over de hoogste — van den mensch, 226;
— bij wilden weinig ontwikkeld, 227.

Gegenbaur, Prof., over de afstamming der gewervelde dieren, 299.

Geheugen bij dieren, 150.

Gelaatshoek der verschillende menschenrassen, 379.

Gelderland, overmaat der mannelijke geboorten in —, 506;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes, 509.

Geloof, kiemen van het — aan geheimzinnige wezens bij dieren, 161.

Geluid, piepend — van Acherontia atropos, oorzaak van het —, 607;
— der Diptera, 570;
trommelend — van Balistes aculeatus, oorzaak en nut van het —, II 35, 36;
— als lokmiddel voor seksueele doeleinden, II 36.

Geluidgevende visschen, II 35.

Geluidvoortbrengend orgaan der schorpioenen, 530. Generatio spontanea, Häckel over —, 314;
proeven van Pasteur over —, 314.

Geoffroy St. Hilaire, Isidore, over het verschil tusschen mensch en dier, 218.

Georgiërs, 379.

Gephyrea, 302.

Geraamten, fossiele menschelijke —, 44.

Germanen, gemiddelde schedelinhoud der —, 107;
de jacht van den Urus bij de — volgens Caesar de roemrijkste, II 256.

Geschiedenis, organische — der aarde, tijdvakken en geologische periode van de —, 319. [505]

Geschreeuw van Hylobates agilis en der overige Gibbons, 347.

Geslacht, menschelijk —, grondvormen van het — volgens de oude Egyptenaars, II 348.

Geslachtsdeelen, weinig ontwikkeld bij mannen, wier borstklieren zoo ontwikkeld zijn, dat zij melk geven, 42, 50.

Geslachtsdrift, niet levendig bij mannen met vrouwelijke borsten, 50.

Gespleten verhemelte, het — een misvorming ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling, 38.

Getalsverhouding der seksen bij den mensch, 504.

Geur van sommige dieren, 609, II 303.

Geurschubben van vlinders, 609.

Gevoel, godsdienstig en zedelijk — alleen bij den mensch, 218.

Gevoelsklanken, 156.

Gewervelde Dieren, zie Vertebrata.

Geweten, bij wilden, 260.

Ghebel-el-Assassif, vuursteenen werktuigen van den —, 262.

Giard, Prof. A., over de stamverwantschap tusschen de zakpijpen en de gewervelde dieren, 297.

Gibb, G. Duncan, over het verschil in den larynx bij den neger en den blanke, 383.

Gibbon, 320.

Gibbons, woonplaats der —, 41, 294;
geschreeuw der —, II 347.

Gibraltar, scheenbeenderen uit de grotten van —, 49;
schedel van —, 388.

Gieren, muskusgeur der — in den paartijd, II 94.

Gierzwaluwen, zie Cypselidae.

Gingko biloba, 415.

Glasdieren, pelagische Fauna der —, 528.

Goajiren, huwelijken bij de —, 99.

Godsdienst, groote rol van den — bij de ontwikkeling der muziek, 229.

Godsdienstig gevoel, oorsprong van het —, 162.

Goed en kwaad, begrip van — niets absoluuts, 218.

Goerami, nest van den —, II 34.

Gomara, over de volken in het noorden van Mexico, 261.

Gorilla, 318, 320;
woonplaats van den —, 41;
gemiddelde schedelinhoud van den —, 108;
voet van den — en den mensch, 293.

Gothen, 382.

Gouber, Prof., over een man met luchtzakken aan het strottenhoofd, II 302.

Goud, het algemeenste metaal bij de Macrobiërs, 431.

Goureau, over de veldsprinkhanen, 574.

Graaf, de, over de pijnappelklier, 34.

Graafpoot, de — van den mol homoloog met de hand van den mensch en den vleugel van de vledermuis, 33.

Graeco-Romanen, 382.

Grafkelders, steenen, 385.

Grallatores, 501.

Grallina australis, II 173.

Grallinae, haar nestbouw, II 173.

Gratiolet, zijn meening over het maaksel der hersenen bij de apen, 39;
hij toont de onnauwkeurigheid aan van een door Schroeder van der Kolk en Vrolik gegeven afbeelding van de hersenen van den chimpanzee, 39.

’s Gravenhage, overmaat der vrouwen te —, 506.

Grenzen der waarneembare tonen, 574.

Grétry, over den smaak eener spin voor muziek, 529.

Grieken, 382; de oude — bewonderaars van het gezang der cicaden, 571.

Griekenland, menschelijke woning uit den steentijd in — gevonden, 262;
verhouding der geboorten in —, 504.

Groei, compensatie van —, 42.

Groenland, inboorlingen van —, 375.

Groenlanders, gemiddelde schedelinhoud der —, 107. [506]

Grondvormen van het menschelijk geslacht volgens de oude Egyptenaars, II 348.

Groningen, overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
getalsverhouding der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509;
overmaat der vrouwen in de stad —, 506.

Groot-Brittannië, verhouding der geboorten in —, 504;
wilde runderen in —, II 257.

Grootpoothoenders, II 222.

Grot van Massat, afbeelding van den holenbeer, aldaar gevonden, 36.

Grün, over nestbouw van musschen, 151.

Guanajato, steenen werktuigen van —, 408.

Guanches, 44, 379.

Guer, over de ziel der dieren, 220.

Gunda segmentata, 300.

Gymnodontes, II 35.

Gyrencephala, 289.

H.

Haacke, Dr. W., over eieren bij Snaveldieren, 296.

Haaien, 317, 319.

Haar, correlatie tusschen de kleur van het — en die van huid en oogen, 38;
verschil van het — bij de menschenrassen, 370.

Häckel, Prof. E., over de slakprik, 149;
over militaire en medicinale teeltkeus, 100;
zijn Anthropogenie, 37;
over den invloed der geneeskunde op de overplanting van gebreken en kwalen bij den mensch, 100;
over de verdeeling der apen, 291;
over het oorspronkelijk vaderland van den mensch, 293;
over de ontwikkeling van de Ascidiae en Amphioxus, 297;
over de indeeling der gewervelde dieren, 313;
over generatio spontanea, 314;
over den stamboom van den mensch, 314, 318;
over de menschenrassen, 379;
systematisch overzicht der 12 menschensoorten volgens —, 380;
over den stamboom van het Indo-Germaansche ras, 382;
over de pelagische Fauna der Glasdieren, 528;
over de wormen, 528.

Haeckel, zie Häckel.

Hagedissen, 317;
schedel bij —, 34;
beschermende kleuren der — in de woestijn, II 174.

Halbertsma, Prof. H. J., over Serranus, 309.

Halcyonidae, II 95.

Halfapen, 318, 320;
zie Lemuriden en Prosimiae.

Halex, rivier —, 571.

Hallucinaties, een bron van godsdienstige denkbeelden, 163.

Halo’s, II 95.

Hamy, over het oudste Europeesche ras, 411.

Hand van den mensch, homoloog met den vleugel van een vledermuis en den graafpoot van een mol, 33;
onderscheid tusschen voet en —, 33.

Hanlo, Dr. E., zijn vertaling van Hyrtl’s Handboek der topographische ontleedkunde, 50.

Hannover, verhouding der geboorten in —, 504.

Hansen, Goren, over beenderen van Lagoa-Santa, 374.

Hanzemann, over overtallige zogklieren en tepels, 104.

Hapalidae, 290, 291.

Haren, richting der — bij de Japansche Aino’s, 290;
lange — bij dwergstammen, 43.

Harmer, over Cephalodiscus, 302.

Hart, kloppen van het — een intermitteerend proces, 312.

Hartebeest, II 259.

Harting, Prof. P., over verstand en instinkt bij paarden, 150;
over de bouwkunst der dieren, 160;
stellingen betreffende de ontwikkelings-hypothese en de afstamming van het menschelijk geslacht, 333;
[507]over de Borstelwormen, 528;
over de liefdepijlen der Gasteropoden, 529;
over de spoor van Ornithorhynchus, II 258;
over erfelijke genegenheid van een kat voor een hond, 217.

Hartman, Prof. R., over de anthropomorphe apen, 292.

Hatschek, over de afstamming der gewervelde dieren, 299;
over de ontwikkeling van Amphioxus, 300.

Hatteria, 321;
punctata, 35.

Hazenlip, de enkele en dubbele — zijn misvormingen ten gevolge van stilstand in ontwikkeling, 38.

Heliophoben, II 147.

Helix nemoralis, zie Tuinslak.

Helmholtz, over de grenzen der waarneembare tonen, 574.

Helmichthyoïdeï, familie der —, 528.

Helmichthys, 528.

Hemichorda, 302.

Hemipitheci, 291;
kenmerken der —, 290.

Hemmungsbildung”, 38.

Hemmungsbildungen”, zie Misvormingen ten gevolge van stilstand in de ontwikkeling.

Heopitheci, kenmerken der —, 290.

Herberstain, von, over den Wisent en den Urus, II 257.

Hercules, door het gesjirp der Cicaden gehinderd, 571.

Herkauwende dieren, 290.

Herkennen van mannen en vrouwen door den reuk, 102.

Hermaphroditisme van Insekten, 309;
— van Serranus en andere visschen, 309.

Herodotus, over de oudheid van Thebe, 400.

Hersenen, overeenkomst in het maaksel der — bij den mensch en de apen, 39;
vermeende verschillen in het maaksel der — bij den mensch en de apen, 39;
— van den chimpanzee en van den orang, 39;
— der microcephalen, 155;
ontwikkeling der — belemmert dikwijls die van staart en aangezicht, 42;
kleine — der zoogdieren, 289;
invloed van variatie en natuurlijke teeltkeus op de —, 226.

Hersenslijmklier, 300.

Herstellingskracht, zie Regeneratiekracht.

Herstellingsvermogen, zie Regeneratiekracht.

Hesiodus, over de Cicaden, 571.

Hesperopitheci, 291;
kenmerken der —, 290.

Heteropoden, klasse der —, 528.

Hilaire, Isidore Geoffroy St., zijn mening omtrent het maaksel der hersenen bij de apen, 39.

Himategen, 316.

Hindoes, individueele verschillen bij —, 370.

Hippocampus minor, volgens Owen alleen bij den mensch, 289.

Hippopotamus, 290;
beenderen van —, 295.

Hippopotamus amphibius, II 304.

Hirsch, Dr., over de spraakorganen van een doofgeboren knaap, 159;
over het lispelen van een doofstommen Engelschen knaap, 160.

Hirundinidae, 95.

Hirundo urbica, nest van —, 151.

Hoek, Dr. P. P. C., over hermaphroditisme bij visschen, 309.

Hoektanden bij den mensch van la Naulette grooter en breeder dan de overige tanden, 47.

Hoenderachtige vogels, 501.

Hoeven, Prof. J. van der, over de ontwikkeling der horens bij gesneden herten, II 258.

Holenbeer, afbeelding van den —, gevonden in de grot van Massat, 36;
tijdperk van den —, 44.

Holland, zie Noord-Holland en Zuid-Holland.