Homerus, over de Cicaden, 571.
Homines eriocomi, 370.
Homines euplocami, 370.
Homines Lissotriches, 370.
Homines Lophocomi, 370.
Homines Ulotriches, 370.
Hommels, niet de naam der mannelijke bijen, 217. [508]
Homo Americanus, 379.
Homo arcticus, 379.
Homo Australis, 379.
Homo Cafer, 379.
Homo Dravida, 379.
Homo Hottentotus, 379.
Homo Malayus, 379.
Homo mediterraneus, 379.
Homo Mongolicus, 379.
Homo niger, 379.
Homo Nuba, 379.
Homo Papua, 379.
Homologe structuur, 33.
Homologie, 33.
Homoloog, 33.
Homoptera, een onderafdeeling van de orde der Hemiptera, 570;
secundaire seksueele kenmerken van de —, 572.
Homotype deelen, correlatie tusschen —, 33.
Homotype voorste en achterste ledematen, correlatie tusschen —, 33.
Homotype lichaamshelften, correlatie tusschen de beide —, 33.
Homotype organen, 33;
zie Homotype deelen.
Hon, le, over den fossielen mensch, 44;
over den mensch in de voorwereld, 263.
Hond, over het onderscheiden van de dagen der week door een —, 150;
een bijgeloovige —, 161.
Honden, vrees van — voor spoken, 161.
Hondshaai, zie Scyllium.
Honigdassen, zie Ratelus.
Honigvogels, zie Nectarinae.
Hoogduitschers, 382.
Hooker, J., over de Kahasia’s, 386;
over Lomarium, 385.
Hopvogels, zie Upupidae.
Horatio Hale, over groepen van talen, 159.
Horens, invloed van de castratie op de ontwikkeling der —, II 258.
Hortensia, oorsprong van den naam —, 102.
Hottentotsche vrouwen, kenmerken van de schaamdeelen der —, 378.
Hottentotten, 318, 381;
pseudogodsdienstige plechtigheden der —, 160;
bewering, dat de voetstappen der — gemakkelijk herkenbaar zouden zijn, 106;
inhoud van den schedel der —, 107;
haar der —, 370;
— wijken terug voor de blanken, 387;
familietrek der Papoea’s en —, 387.
Hubrecht, Prof., over de afstamming der gewervelde dieren, 300.
Huid, correlatie tusschen de kleur der — en die van haar en oogen, 38;
doorschijnendheid der — bij de Eoliden, 529.
Huisdieren, tijdperk der —, 44.
Huiskrekel, krieken van den — voor sommige menschen onwaarneembaar, 574.
Humboldt en Bonpland, over een man die zijn kind zoogde, 50.
Hunebedden, 385.
Hünengräber, 385.
Huschke, over de vesicula prostatica, 51.
Huxley, Prof. P. H., zijn strijd met Owen over het maaksel der hersenen van den mensch en de apen, 39;
over den voet van den gorilla, 41;
over de plaats van den mensch in de natuur, 42;
over den Neanderdalschedel, 45, 107.
Huwelijk, verbieden van het — aan mannen met vrouwelijke borsten, 50.
Hybriden, zie Bastaarden.
Hydra, zie Zoetwaterpolypen.
Hylobates agilis, zijn geschreeuw, II 347.
Hylodes martinicensis, 312, II 224.
Hyomoschus aquaticus, II 304.
Hyperboreeërs, 381.
Hypermetropie, erfelijkheid van —, II 331.
Hypochondria, II 346.
Hypophysis cerebri, 300.
Hyrtl, Prof., over mannen en bokken die melk geven, 50;
over de scherpte van den reukzin bij wilden, 102;
over overtallige vingers [509]en de erfelijkheid daarvan, 105;
over het weêr aangroeien van afgezette vingers, 105;
over een cloaca bij een vrouw, 106;
over de kenmerken der Hottentotsche vrouwen, 377.
I.
Icteridae, II 174.
Icteris baltimore, nestbouw van —, II 174.
Idioten, microcephale —, 154.
Ieren, 382.
Iguana, 35.
Inboorlingen van Amerika, hun afstamming, II 347;
de — kenden tijdens de ontdekking landbouw en veeteelt, 261.
Indianen, wilde —, gemiddelde schedelinhoud der —, 107.
Indiërs, 382.
Indische buffel, 259.
Individu, de ontwikkeling van het — een verkorte herhaling van die der soort, bewezen door de Amphibieën, II 223.
Indo-Chineezen, 381.
Indo-Germaansche ras, stamboom van het — volgens Häckel, 382.
Ingewanden, lengte der —, 384.
Ingewandswormen, jeukte in den neus veroorzaakt door —, 312.
Insectivora, orde der —, 290.
Insekten, het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij de —, 301;
welriekende —, 610.
Insessores, hun verdeeling door Blasius en Keyzerling, II 95.
Insnijdingen op fossiele beenderen, afkomst der door Desnoyers gevonden —, 295.
Insulinde, het land van den orang-oetan en den paradijsvogel, het werk van A. R. Wallace, getiteld —, 40.
Insulinde, het Aziatisch gewest van — bewoond door den Orang en de Gibbons, 294;
— wellicht het oorspronkelijk vaderland der Aziatische volken, 293.
Intermitteerende koortsen, 312.
Intermitteerende processen, 312.
Intermittente krankzinnigen, 216.
Iraniërs, 382.
Iris, seksueel kleurverschil in de — tusschen de seksen van den adder, II 36.
Israëlieten, verschil in levensverhoudingen tusschen Christenen en —, 503.
Italiaansche buffel, II 259.
Italië, verhouding der geboorten in —, 504.
Italiërs, 382.
Italo-Kelten, 382.
J.
Jarjavay, over een matroos die zijn kind zoogde, 50.
Java, bewoond door Lemuriden, 294;
menschengeraamten van —, 414.
Japanneezen, 381;
individueele verschillen bij de —, 370.
Jodeln, 164.
Joden, jaarlijksche toeneming der —, 502.
Joekagiren, 376.
Jongens, gewoonlijk in grooter aantal geboren, dan meisjes, 503;
in sinds kort gekoloniseerde landen in kleiner aantal geboren, 504.
Joodsche krijgsgevangenen, Assyrische afbeelding van — uit Lachish, 372.
Jousset de Bellesme, over geluiden van insekten, 570.
Julia Mammea, 104.
Julien, Stanislaus, over de steenperiode in China, 262.
Jura-periode, 320.
K.
Kaap de Goede Hoop, verhouding der blanke geboorten aan de —, 504. [510]
Kaapkolonie, naam dien de Nederlandsche bewoners der — aan Pneumora geven, 574.
Kabylen, 379;
de Guanches met de — verwant, 44.
Kabeljauw, het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij den —, 309.
Kaffers, 381;
haar der —, 371;
— wijken niet terug voor de blanken, 387.
Kalkoensche haan, II 95.
Kalm, over stinkdieren, II 302.
Kamkwallen, 528.
Kamschadalen, 376.
Kangoeroe, 318;
ontwikkeling der ledematen bij den —, 42.
Karnak, salle hypostyle in den tempel van —, 371.
Karobberee, dans der Australiërs, II 146.
Karper, het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij den —, 309.
Kat, erfelijke genegenheid van een — voor een hond, 217.
Kaukasiërs, 381;
haar der —, 370.
Kaukasische volken, 379.
Kaukasus, Wisents in den —, II 257.
Kelten, 382.
Kenmerken, secundaire seksueele — bij de Cephalopoda, 529;
bij Homoptera, 572.
Kent, grot van —, 432.
Keus, groot gewicht der — voor de ontwikkeling eener taal, 171.
Kever, heilige —, het onveranderd blijven van den — onbewijsbaar, 371.
Kevers, welriekende —, 610.
Keyzerling, Blasius en —, hun indeeling der Roestvogels (Insessores), II 94.
Kharo, afbeeldingen van — op Egyptische monumenten, 371.
Khasia’s, het bouwen van Megalithische monumenten door de —, 386.
Khedive, vinden van vuursteenen werktuigen door de invités van den —, 262.
Kiem der wetenschappen van den mensch, bij de dieren gevonden, 261.
Kiezen van den mensch en van de apen, vergelijking der —, 47.
Kikvorsch, Os—, II 36.
Kin, ontbreken van de — bij de onderkaak van la Naulette, 47.
Kinderen, verwilderde — spreken niet, 159.
Kinderliefde, invloed der — op de nakomelingschap, 216.
Kindersterfte bij Israëlieten en Christenen te Amsterdam, 503.
King en Foote, ruw bewerkte steenen werktuigen, door — in Indië gevonden, 262.
Kinlijst, inwendige —, 47.
Kintongspier, 47.
Kisch, Dr. E. H., over de oorzaken die bepalen tot welke sekse een kind zal behooren, 509.
Klankgebaren, 156.
Klanknabootsing, theorie der —, 156.
Klassen en onderrijken, 528.
Klauwieren, zie Laniadae.
Kleinenberg, over de afstamming der gewervelde dieren, 299.
Klieren, Zog—, 34.
Klimaatsveranderingen in de poolstreken, 413.
Klipspringer, II 259.
Klokvogels, II 95.
Knobbeltje, kraakbeenig — aan het oor van sommige menschen, 43.
Kobus ellipsiprymnus, II 259.
Koch, Prof., zijn ontdekkingen in zake tuberculose enz. leiden tot achteruitgang van het ras, 101.
Koekoeksbeen, zie Staartbeen.
Kolben, over de godsdienstige begrippen der Hottentotten, 160.
Kolibri’s, zie Trochilidae.
Koninginnen der bijen, jonge —, 215.
Koningsgraven, Egyptische, II 348.
Konijnen, witte, II 147.
Koortsen, intermitteerende —, 312.
Koperfazant, II 173.
Kopertijd, 373.
Kopten, 379.
Koraaleilanden, 42.
Kordofan, bewoners van —, 379.
Koreanen, 381.
Koreo-Japanneezen, 381.
Korhoen, zie Tetrao Tetrix.
Koriaken, 376.
Kowalewsky, over Balanoglossus, 301.
Kraaivogels, zie Corvidae.
Kraakbeenderen, bekervormige —, 363;
wigvormige —, 383;
— in den larynx van den neger, 383.
Kraakbeenig knobbeltje, aan het oor van sommige menschen, 43.
Krab, dansende —, 529.
Kranswieren, 501.
Krause, Dr. E., over dieren- en menschenziel, 220;
komt op tegen de onderstelling van het zoogen der jongen door mannelijke zoogdieren,
321;
over gestaarte menschen, 50.
Krokodillen, geur der —, 609.
Kruidje roer mij niet, plaats van het — onder de planten, 217.
Kruipvogels, zie Certhiadae.
Krijtperiode, 320.
Kuntze, O., de oudheid van Amerika’s oorspronkelijke bevolking bewezen door haar cultuurplanten, 409.
Kupffer, Prof. C., over de stamverwantschap tusschen Ascidiën en Werveldieren, 297.
Kushieten, 407.
Kwartels, II 223.
Kwi-kwi, II 34.
Kwikstaarten, zie Motacillidae.
L.
Labrax lupus, 310.
Labyrinthodonten, zie Amphibieën
Labyrinthuleeën, 315.
Lacerta Agilis, 35.
Lachisch, Assyrische afbeeldingen van Joodsche krijgsgevangenen uit —, 372.
Lacossagne, over de grootte der schedels, 109.
Lagoa-Santo, beenderen van —, 374.
Lagopus subalpina, wetenschappelijke naam van Dal-ripa, 510.
Lama, door de oude Peruanen getemd, 261.
Lambert, E., over rasverschillen in het tandstelsel, 109.
Lancetdieren, 313.
Land, gemiddelde hoogte van het —, 432.
Landbouw der inboorlingen van Amerika tijdens de ontdekking, 261.
Landois, over het brommen der tweevleugelige insekten, 570;
over de ribbetjes op de palpen van Sphingidae, 607;
over den doodshoofdvlinder, 607;
over de geluiden der Diptera, 572;
over Cottus scorpius, II 35.
Landverhuizing, zie Emigratie.
Lang, over Gunda segmentata, 300.
Laniadae, II 95.
Lankester, Prof. E. Ray, over Vertebrata, 301.
Lantaarndragers, lichtend vermogen der —, 572;
Chineesche —, 572.
Laplanders, 376.
Lapparent, A. de, over de standvastigheid der vastelanden, 412.
Larve, wordt bij verdere ontwikkeling der soort embryo, II 223.
Larven, zwemmende — van Echinodermata, 528.
Larynx, verschil in het maaksel van den — bij den neger en den blanke, 383.
Latijnen, 382.
Laurentische periode, 319.
Ledematen, achterste en voorste —, 41, 42.
Leeuw, 42;
brult meer mannen dan vrouwen aan, 40.
[512]
Leeuwerikken, II 95; zie Alaudidae.
Leguminosae, 218.
Leichtenstern, von, over overtallige zogklieren en tepels, 104.
Leidaap, voorrechten van den —, 218.
Leiden, overmaat der vrouwen te —, 506.
Leipzig, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten te —, 505.
Lelles sur Cher, Miocene-lagen van —, 295.
Lemur, 320.
Lemuria, 293.
Lemuriden, 292, 318;
hun gehoorwerktuig wijkt van dat van den mensch en der ware apen af, 41;
woonplaats der —, 294;
placenta der — klokvormig, 292.
Lepidosiren, 42, 314, 317, 319.
Lepidosteus, 319.
Leptocardii, 313.
Leptocephalus, 528.
Leptocephalichthys, 528.
Letten, 328.
Levend en levenloos aangegevenen, verhouding tusschen — in de provinciën van Nederland, 508.
Levenstijdperken, verhouding der seksen in verschillende — in Nederland, 507.
Lever, afmetingen der —, 384.
Leydig, over het parietaalorgaan bij de reptielen, 35;
over de afstamming der gewervelde dieren, 299.
Lichaamsafmetingen bij vrouwen, 379.
Lichaamsdeelen, abnormaal ontwikkelde, 38.
Lichaamshelften, correlatie tusschen de beide homotype —, 38.
Lichaamsharen, buitengewone ontwikkeling der — bij den mensch, dikwijls gepaard met onvolkomenheden in het tandstelsel, 42.
Lichamen van Rosenmüller, 34.
Lichtend vermogen der lantaarndragers, 572;
van den glimworm, 573.
Liefde, ouderlijke en kinderlijke — verklaard door de natuurlijke teeltkeus, 217.
Liefdepijlen, bij de Gasteropoden, 529.
Liervogel, zie Menura superba.
Limburg, getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509.
Linguatulinen, 298.
Linde, Dr. A. van der, over de ziel der dieren, 220.
Linnaeus, over de Primaten, 42;
over het verschil tusschen dieren en planten, 217;
over het afvallen der horens bij gesneden rendieren, II 258.
Lipocerca, 291.
Lippert, J., over zielendienst, 163;
over het jodeln der Tyrolers, 164.
Lissencephala, 290,
Lissotrichen, 381.
Lithauen, Wisents in—, II 257.
Lithauers, 382.
Littré, E., — en Ch. Robin, over de verschillen tusschen man en vrouw, II 345.
Livorno, verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten te —, 505.
Lobi olfactorii, onbedekt bij de Lissencephala —, 290.
Lobus posterior, volgens Owen alleen bij den mensch, 289.
Locano, Francesco — zoogt zijn kind zelf, 50.