Synodontis, II 35.
Synthese van organische lichamen, 314.
Syrski, over hermaphroditisme bij visschen, 310.
T.
Ta-Mah, bewoners van —, II 348.
Tamilen, 381.
Talen, verwantschap der — vergeleken met die der soorten, 293.
Tandboog, bij de kaak van la Naulette elliptisch, 47.
Tanden, aantal — der apen, 29;
verdwijning der — ten gevolge van de ontwikkeling van een hoornachtigen bek, 42;
— van den mensch van la Naulette, 47.
Tanden, vogels met —, 297.
Tandstelsel, onvolkomenheden in het — bij den mensch dikwijls het gevolg van buitengewone ontwikkeling der lichaamsharen, 42.
Taonius, 528.
Tapiren, 290.
Tartaren, 381.
Tasmaniërs, 411; tandstelsel der —, 109;
familietaal bij de —, 175.
Tate, Th., het vinden van een ouden schedeltypus op Nieuw-Zeeland door —, 262.
Teeltkeus, militaire en medicinale —, 100, 101;
voorbeelden van kunstmatige —, 99;
invloed der seksueele — op de moeilijke baring bij blanke vrouwen, 100;
verband tusschen de seksueele — en de ontwikkeling der geestvermogens, II 36;
natuurlijke —, II 396;
seksueele —, II 396;
natuurlijke wetten der variatie en — oorzaken van eigenaardig lichamelijk maaksel
en groote hoogontwikkelde hersenen, 226.
Teen, kleine, begint bij den mensch rudimentair te worden, 34.
Teenen, groote — geheel van de anderen afgescheiden, 106.
Tegenstanders der Darwinistische denkbeelden missen meestal de kennis om ze te beoordeelen, 292.
Teleostiërs, 314.
Tempel van Karnak, 371.
Tepels, overtallige —, 38.
Tertiaire lagen, vuursteenen in — gevonden, 294.
Tertiaire steentijd, 44.
Tertiaire tijdvak, 320;
oude sporen van den mensch uit het —, 37;
bewijs voor hel bestaan van den mensch in Californië in het —, 373.
Tertiairen mensch, sporen van den —, 295.
Terugkeer tot eenige vroegere en oudere type van organisatie, zie Atavisme.
Tetraodon, II 35.
Texas, gewoonten der mieren in —, 289.
Thacher, J., over Craniata, 302.
Thaliacea, orde der —, 528.
Thebe, vuursteenen werktuigen gevonden in de nabijheid van de ruïnen van —, 262.
Thebe, oudheid van —, 400.
Thecla, 570.
Theriosauriërs, 317.
Thibetianen, II 381.
Thomson, Dr., over de grootte der dolmen door de Khasia’s gebouwd, 386;
zijn indeeling der voorhistorische tijden, 373.
Tiedeman, zijn meening over het maaksel van de hersenen der apen, 39.
Tiele, Prof. C. P., over geloof als grondslag van den godsdienst, 163.
Tithonus, veranderd in een Cicade, 572.
Toda’s, 381.
Toecans, zie Ramphastidae.
Tonga-Taboe, de wilden van — onderscheiden een vrouw van een man door den reuk, 102.
Topinard, P., over steatopygie van vrouwen, 378.
Toonen, overtallige —, 38.
Torell, O., over de verdeeling van land en zee in het quaternaire tijdvak, 402.
Tornaria, 307.
Toxodon, 290.
Toxodonten, 290.
Trapganzen, geene loopvogels maar moerasvogels of hoenderachtige vogels, 501.
Trappen van den menschelijken stamboom, 314.
Trenton, N. Jersey, steenen werktuigen van —, 408.
Trias periode, 320.
Trichosis sacralis, 50.
Trigla, II 35.
Trilwormen, 319.
Tristram, H., over woestijndieren, II 174.
Triton, II 317.
Tritones, 319.
Trochilidae, II 95.
Trogonidae, II 174.
Trojaansche volk, de oudsten van het — bij Cicaden vergeleken, 571.
Tschoekschen, 376.
Tsuga canadensis, 415.
Tusschenschubben van vlinders, 609.
Tunnel onder de Parahyba door mieren gegraven, 289.
Turbellariën, 319.
Turidae, II 95.
Turksche eend, zie Cairina moschata.
Turner, zijn onderzoekingen omtrent de hersenen der apen, 39.
Turnix, II 223.
Tweevleugeligen, geluid der —, 570.
Tweezaadlobbige planten, 218.
Twintigtallig stelsel, sporen van het — in het Fransch, 260.
Tijdvak, het post-pliocene, 36.
Tijdvakken van de organische geschiedenis der aarde, 319.
Tylor, over Animisme, 163;
over een oude taal, 167.
U.
Uitsteeksels der Membraciden, 573.
Umbrina, II 35.
Ural-Altaiërs, 381.
Uraliërs, 381.
Urochorda, 302.
Urus, II 256.
Ussow, over de afstamming der gewervelde dieren, 298.
Utrecht, getalsverhouding der seksen in —, 506;
der mannelijke en vrouwelijke geboorten in —, 508;
overmaat der mannelijke geboorten in —, 508;
getalsverhouding der levend en levenloos aangegevenen in —, 508;
der wettig en onwettig geboren jongens en meisjes in —, 509;
overmaat der vrouwen in de stad —, 506.
V.
Vaderland, oorspronkelijk — van den mensch, 293, 400;
het — lag op de breedte van Groenland, 416.
Vanessa, geluid van —, 608.
Vangarmen van Argonauta, 529.
Varken, Afrikaansch breedsnuitig —, II 259.
Varkens, 290.
Vasa aberrantia, 34.
Vastelanden, de zuidpunten van de — door de laagste rassen bewoond, 410;
eigenaardigheden in den vorm der —, 405.
[529]
Veeteelt der inboorlingen van Amerika tijdens de ontdekking, 261.
Velleius dilatatus, geur van —, 610.
Veldsprinkhanen, 573;
onduidelijk sjirpen der —, 574.
Venkelgeur van Papilio Machaon, 609.
Venkelvlinders, venkelgeur der —, 609.
Ventriculi Morgagnii, bij den blanke horizontaal, bij den neger verticaal, 383.
Verantwoordelijkheid, zedelijke — van sommige dieren, 216.
Verbindingen, over de spontane vorming van organische —, 314.
Vereenigde Staten, aanwas der bevolking in de —, 106.
Vergroeide vingers, 105.
Verhemelte, het gespleten — een gevolg van stilstand in de ontwikkeling, 38.
Verloren, Dr. M. C., over Acherontia atropos, 607.
Vermeulen, Dr. P. J. F., over de afstamming der gewervelde dieren, 298.
Vermogen, lichtgevend — der lantaarndragers, 572;
van den glimworm, 572.
Vermogens, ongelijkmatig verdeelde —, niet verkregen door natuurlijke teeltkeus, 231.
Verschil in de geestvermogens van den mensch en de dieren, 217.
Vertebrata, geen klasse, maar een Typus of Onder-Rijk, II 347.
Vesicula prostatica, 51.
Veth, Prof. P. J., zijn vertaling van Wallace’s Insulinde, 40.
Vibraye, Marquis de —, onderkaak in de grot van Arcy gevonden door den —, 47;
nasporingen van den — omtrent den tertiairen mensch, 295.
Vibrissae, 43.
Vignoli, T., over den oorsprong van het godsdienstig gevoel, 262;
over de grondwet van het verstand in het dierenrijk, 220;
over mythe en wetenschap, 220.
Vincent, Bory de St., over den grooten toon der Hottentotten, 106.
Vingers, overtallige, 38;
overtallige —, erfelijkheid van —, 105;
overtallige —, na het afzetten weer aangegroeid, 105;
vergroeide —, 105.
Vinken, zie Fringillidae.
Virey, over de vetkussens der Hottentotsche vrouwen, 378;
over het aantal menschensoorten, 379.
Visschen, 313;
kieuwen der —, homoloog met de longen van een zoogdier, 33;
„nevenoogen” bij —, 35;
geluidgevende —, II 36;
hermaphroditisme van sommige —, 309;
nesten van —, II 34.
Viverra civetta, II 304.
Viverra zibetha, II 304.
Vledermuizen, haar vleugels homoloog en analoog met die van een vogel, homoloog met de hand van
den mensch, met den graafpoot van den mol, 33;
— komen op Oceanische eilanden voor, 42;
— door Linnaeus tot de orde der Primaten gerekend, 42;
muskusgeur van sommige —, II 304.
Vlek, gele — op het netvlies, 41.
Vleugelloozen, 501.
Vleugels, de — van een vogel analoog met die van een vlinder, 33;
homoloog en analoog met die van een vledermuis, 33;
de — van de vledermuis, homoloog met de hand van den mensch, met den graafpoot van
den mol, 33.
Vliegenvangers, zie Muscicapidae.
Vliesvleugeligen, gebrom der —, 571.
Vlinders, hun vleugels analoog met die van een vogel, 33;
verklaring van den geur van sommige — door seksueele teeltkeus, 610;
het beloop der aderen op de vleugels van —, 570;
sjirporganen der —, 608.
Voet, vorming van den — van verschillende menschenrassen, 41;
onderscheid tusschen hand en —, 41, 42.
[530]
Voeten, misvormde — der Chineesche vrouwen, II 348.
Voetwortel, der apen komt overeen met die van den mensch, 41.
Vogel, H. A. F. de, de zedekunde als wetenschap, 220.
Vogelbekdier, zie Ornithorhynchus.
Vogelnesten, van oude vogels volkomener dan van jonge, 149.
Vogels, 313, 317;
hun vleugels analoog met die van een vlinder, homoloog en analoog met die van een
vledermuis, homoloog met de hand van den mensch enz., 33;
loktoon der — een spreekuiting, 165;
— met tanden, 297.
Vogt, Prof., over microcephale idioten, 156;
over de vrees van honden voor spoken, 161;
over het zedelijk en godsdienstig gevoel, 218;
over den gorilla en den mensch, 293;
over het gelijktijdig leven van den mensch en Elephas meridionalis, 295;
over het dooden van bastaarden in Australië, 377;
over de oorspronkelijke veelstammigheid van den mensch, 404.
Volkstellingen, vier algemeene — in Nederland, 505.
Volksverhuizingen, straalswijze — van uit de Noordpoolstreken, 420;
oudste — in het palaeolithische tijdvak, 400.
Vollenhoven, Mr. S. G. Snellen van, de bewijzen van — tegen Darwin weêrlegd, 371;
over de uitsteeksels op het voorborststuk der Membraciden, 575;
— bewijst het bestaan van seksueele teeltkeus bij Sprinkhanen, 573;
over Acherontia atropos, 607.
Voorbehoedmiddelen tot voorkoming der zwangerschap, II 396.
Voorborststuk der Membraciden, uitsteeksels op het —, 573.
Voorhistorische tijden, indeeling der —, 373.
Voorhoofdsklier, Stiedasche, 34.
Voor-Indië, vroege beschaving van —, 406.
Voorkeur, bij het gewelddadig rooven van vrouwen, II 376.
Voorloopers van den mensch, 420.
Voorouders, ongewervelde — der gezamenlijke werveldieren, 313;
der gezamenlijke schedeldieren, 313;
der gezamenlijke Amphirrhinen, 316;
der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren, 317;
der gezamenlijke Amniondieren, 317;
der gezamenlijke zoogdieren, 317;
der gezamenlijke Discoplacentalia, 318;
— van den mensch uit de orde der apen, 318.
Voorpooten van een aap, homoloog en analoog met de armen van een mensch, 33.
Voorwoord van den vertaler, 1.
Voorstellingen, verdraaide — der ontwikkelingstheorie, 292.
Voorvader, lemuroïde — van den mensch, 296.
Voorwerpen en handelingen, mogelijkheid, dat de menschen eens allen de — door de zelfde woorden aanduiden, 170.
Vorschachtige Dieren, zie Batrachii.
Vosmaer, „Beschrijving van een Afrikaansch breedsnuitig varken”, II 259.
Vrees, voor het onbekende, bij dieren, 161.
Vries, Prof. H. de, over intracellulaire pangenesis, 314.
Vrolik, Prof., zijn onderzoekingen omtrent het maaksel der hersenen van den Chimpanzee en
van den Orang, 39;
over de betrekking tusschen de apen en den mensch, 293.
Vrouw, aanleg der — voor kunsten en wetenschappen, II 347.
Vrouwen, beginnen na het eerste levensjaar de mannen in aantal te overtreffen, 503;
— talrijker dan de mannen, 504;
— op de oude Egyptische monumenten en de bouwvallen van Yucatan en Chiapas geel gekleurd,
II 377;
Chineesche —, misvormde voeten der —, [531]II 348;
het aantal — neemt in Servië in verhouding tot de mannen jaarlijks toe, 503.
Vuurlanders, 410;
familietaal bij de —, 175.
Vuursteen, bewerkte stukken — in tertiaire lagen gevonden, 294.
Vuursteenen wapenen, gevonden in het diluvium, 36.
W.
Waarneembare tonen, grenzen der —, 574.
Wagner, A., zijn verdeeling der Insessores, II 95.
Waitz, over de landverhuizingen der Polynesiërs, 409.
Walckenaer, over den smaak eener spin voor muziek, 529.
Wallace, A. R., zijn beteekenis voor het Darwinisme, 3;
waarnemingen omtrent een jongen orang-oetan, 40;
zijn werk over Insulinde, 41;
over de behaarde familie van Birma, 43;
over den nestbouw der vogels en de woningen van den mensch, 149;
over de grenslijn tusschen de woonplaatsen der Papoea’s en Maleiers, 375;
over den nestbouw en de kleuren van Grallina australis, II 173;
over de hoogste geestvermogens bij den mensch, 226;
over het spiritisme, 235;
wereldkaart van —, 294;
over de gemiddelde hoogte van het land, 432.
Wangen, doorschijnendheid van de huid der —, een gevolg van seksueele teeltkeus, 529.
Wangzakken der apen, 291.
Wantsen, stank der —, 610.
Wapenen, vuursteenen — in Europa, 83;
— in Indië, 262;
steenen — van Californië, 373.
Waterbok, II 259.
Weber, over de vesicula prostatica, 51.
Weissmann, Prof., over de kleuren van vlinders, 610;
over den oorsprong der talenten, 233.
Welcker, H., over de misvormde voeten der Chineesche vrouwen, II 348.
Welriekende insekten, 609.
Werkelijke bevolking, 506.
Werktuigen in de dolmen gevonden, 385;
vuursteenen — in Californië en Portugal, 295.
Werveldieren, schedellooze, 313.
Wervels, onderling homoloog, 33.
West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla, 294.
Westfalen, verhouding der geboorten in —, 504;
verhouding der seksen hij wettige en onwettige geboorten in —, 505.
West-Slaven, 382.
Wettelijke bevolking, 506.
Wetten der variatie en natuurlijke teeltkeus, oorzaken van eigenaardig lichamelijk maaksel en groote, hoogontwikkelde hersenen, 226.
Wettige, over de getalsverhouding der seksen bij — en onwettige geboorten, 505.
Wevervogel, zie Ploceus.
Whitney, Prof. J. D., over een in Californië gevonden fossielen menschenschedel, 372.
Wieren, bloemlooze gewassen zonder stuifmeel of stempel, 501.
Wildebeest, II 259.
Wilde volksstammen, hun smaak voor wanluidende muziek, 611.
Wilde rassen, over het uitsterven der —, 387.
Wilson, over vogelnesten, 149.
Windepijlstaart, muskusgeur van den —, 609.
Winkler, Prof. J. H., over de ziel der dieren, 220.
Winkler, Dr. T. C., zijn vertaling van Lyell’s geologische bewijzen voor de oudheid van het
menschelijk geslacht, 37, 44;
over vogels met tanden, 297;
over den mensch voor de geschiedenis, 263.
Wisent, II 256.
Wiskunde, aanleg voor —, 227. [532]
Witte vloed, vervangt somtijds bij zwangere vrouwen de maandstonden, 40.
Woekerleven, een oorzaak van achteruitgaande ontwikkeling, 298.
Woestijndieren, beschermende kleuren der —, II 174.
„Wolfskinder”, 221.
Wolharige menschen, 381.
Wolpels van den mammouth, 110.
Woningen, vergelijking van het bouwen van — door menschen en dieren, 151.
Wood Mason, over het geluid van schorpioenen, 530.
Woordafleiding, ontstaan der —, 177.
Wormen, Onder-Rijk der —, 528.
Wrijfplaat der Sphingidae, 608.
Wundt, over het onderscheid tusschen menschen en dieren, 220.
Wurtemberg, verhouding der geboorten in —, 504;
verhouding der seksen bij wettige en onwettige geboorten in —, 505.
Wijck, Prof. Jhr. B. H. G. K., over den oorsprong der beschaving, 263.
Wijting, het voorkomen van hermaphrodiete voorwerpen bij de —, 309.
IJ.
IJsvogels, zie Halcyonidae en Alcedinidae.
IJszee, Noordelijke, allerwege ondiep, 432.
Yucatan, verschillende kleur der seksen op de bouwvallen van —, II 377.
IJzertijd, de overgang tot de historische tijden, 44.
Z.
Zakpijpen, 316.
Zakwormen, 316.
Zang der Cicaden, 571.