[Inhoud]

VIII. DE LICHTTOREN AAN DEN VLAKKEN HOEK

Zestig meter oprijzend uit het vlakke, eenzame land, staat daar de slanke witte toren, wiens fonkelend oog den zeeman, die in den donkeren nacht uit den oceaan op Sumatra aanstuurt, uren tevoren waarschuwt, dat hij den Vlakken Hoek aan de straat van Soenda nadert.

Zestig meter oprijzend staat daar de slanke witte toren.

Op de zwarte koraalbanken aan zijn voet, blakerend in de felle zonnehitte, zoeken bij laag water bedachtzaam wandelende reigers, witte en grijze, naar vischjes en garnalen. Een enkele zeearend laat zijn schaduw stil glijden over het water en langs het lichtgeel blinkend strand, tusschen het blauw der zee en het kriewelig groen van de dichte strandbosschen.

Tusschen de pool en Zuid-Sumatra houdt geen eiland de eeuwige deining van den oceaan tegen. Het kan dagen aaneen bladstil zijn aan de kust, terwijl een zware, bolle deining uit het westen of zuiden den horizont kartelt en de groote schepen om en om gooit op hun vaart langs de vermaarde „Wild Coast”.

Bij stormweer beuken er de rollers in één bulderenden donder, en [80]in den mist van verstuivend brandingschuim wordt de strandlijn grauw en vervagen de bosschen.

De aarde dreunt van de beukende slagen, de toren rilt en knarst in zijn lendenen.

En in wilde nachten vliegen doodvermoeide vogels zich in den orkaan te pletter tegen het licht, dat hun zonnegloren en blijde warmte scheen.

Aan de landzijde is de vlakke bodem bedekt met bosch; hier en daar zijn lichtgroene pleinen van dicht alang alang-gras, waar eens bouwvelden geweest zijn.

Dicht bij den toren is een aanplant van cocos-palmen; maar de beren uit het bosch, de woestelingen met hun twintig vreeselijke kris-nagels, den aardigen kop wiegend boven het oranje-gele befje aan den hals, hebben uit de toppen der klapperboomen den zoeten palmiet gesnoept; zoo werd de groeikracht van de boomen vernield, en het is alsof een bliksemflits van top op top is overgesprongen om alle te dooden.

Bij die afstervende palmen ligt een kleine begraafplaats. Enkele graven van Europeanen, met verweerde opschriften, maken de troostelooze verlatenheid nog meer drukkend. Tot voor enkele jaren waren hier Europeesche lichtwachters, wel eens met vrouw en kinderen …

Cornelis Marianus Tarenskeen
geboren 1885
verdronken 8 April 1894

Verdronken als negenjarig ventje, ergens daar bij het sissende schuim tusschen de zwarte koraalbanken, waar hij voor ziek zusje, dat in brandende koorts lag te ijlen, schelpjes zocht.

Nu wonen er slechts Inlandsche wachters. Zij voelen niet zóó het afgesneden zijn van de wereld als zij er zijn mèt hun vrouwen.

En vooral, zij hooren niet zóó: de stilte!

In het stille bosch, buiten de omheining om den toren, kan elk [81]vallend blad leven beteekenen, en het flauwste geluid van knappend hout kan een ontstellende beteekenis hebben.… dáár leeft de stilte.

Binnen, in de omheining, zijn langs den torenvoet de fel-witte paadjes stijf uitgesneden; een eenzaam geitje beknabbelt de half verzengde grasrandjes met langzame bewegingen in de verschrikkelijke hitte-trilling van het omsloten binnenplaatsje. Halfbewustelooze katten kijken oogknippend naar het dier, dat zich in zulk een hitte zóó druk maakt in die felle zon; zij, die vet gevoed worden door de vrouwen der lichtwachters, die alleen maar wachten op de aflossing van hun mannen. Daar, in die ruimte, waar de mensch zich heeft afgesloten om veilig te zijn voor de gevaren van de wildernis, dáár is de stilte dood, verschrikkelijk.

De eerste inlandsche hoofd-lichtwachter, die den laatsten Europeaan afloste, was Si Tong, door zijne drie lichtwachters en hun vier koelies betiteld met den hem toekomenden eerenaam van „hoop” (hoofd).

Ieder van de wachters van den vuurtoren wordt om de drie maanden „aploes” (afgelost). Eens in de maand komt de witte Gouvernements-stoomer van Batavia, brengt nieuwe menschen en „rangsoen”: rijst, droge visch, zout enz., en voert afgelosten en zieken terug naar hun land, naar Java.

Van de kleine Blimbing-baai, waar het witte schip ankert, is een smalle weg aangelegd naar den toren, een kilometer lang, spatrecht door de gloeiende vlakte, akelig, desolaat strak. Eens in de maand loopen dan enkele menschen langs dien weg, totdat de baai weer leeg is, en alles weer stiller dan ooit.

De vlakke wildernis is gedeeltelijk moerasbosch, waar in de vette slib alleen de krabben snappen en de lugubre varaan1 met mal-lange likkende tong den spiedenden kop vèr vooruit steekt; gedeeltelijk vrij laag bosch, waar het gewone kleine gedoe leeft van apen, tijgerkatten, varkens, marters en bunzingen. In die wildernis komen ook wel de grootere dieren, ook de Gestreepte, ook de zwarte panter en de nevel-panter, die waarschijnlijk in één nest lagen. Zij besluipen de herten en de reeën en de dwerghertjes met hun fijne beentjes en groote, bange oogen; — deze zijn voor de lenige katten een fijner hapje dan [82]het dagelijksch maal aan varkensvleesch, en zij leveren voor de fulpen lichamen heel wat minder gevaar op dan de kop van den volwassen ever met de verschrikkelijke, onwrikbaar ingeplante slagtanden.

En eens in het jaar, als de tijd aangebroken is dat allerlei fijne gerechten, zekere jonge twijgen en bladeren en smakelijke jonge boombast, voor hen klaar staan aan zee, dan komen de Grooten van het woud met hun diepe, inwendige geluiden, met hun klaroengeschal. Zij komen van ver uit de binnenlanden, van hooge berghellingen. Op hun eindelooze rondreis slepen zij ook in de bosschen aan den Vlakken Hoek breede paden, die zich vereenigen en weer scheiden, een wirwar, waar alleen de achtergebleven bolvormige mestsporen den leek overtuigen, dat het geen menschenhand was, die deze wegen deed ontstaan. Gezellig oorflappend, afscheurend in lange reepen den heerlijken bast van de afgeknakte jonge boomen, schommelen de reuzen voort; tot aan het strand, tot bij den toren, dien zij niet meer vreezen; en zij nemen een bad in zee, en schuren zich, knippend de leuke oogjes, de jeukplekken van het bolle lichaam aan de glasharde, scherpe koraal.

Het meest vermaard is de Vlakke Hoek door zijn wilde karbouwen. Buffels, men weet niet van waar gekomen,—misschien van een nederzetting, lang geleden door haar bewoners plotseling verlaten, in wilde vlucht voor den ergsten duivel van Sumatra vóór de Hollanders hem bestreden: de pokken. Eerst verwilderden de dieren, toen kwamen zij langzamerhand in volslagen wilden staat. Degenen, die horens dragen, welke door den benedenwaartschen stand den tijger niet afdoend kunnen afweren in zijn aanval, zijn gedoemd door de klauwen van den Bonte te sneuvelen. Maar zij, die op den rotsvasten nek een goed verdedigden kop dragen, en die weten, dat de Oudste der dieren zich nog wel eens bedenkt voor hij zijn dunne huid, zijn zachten buik waagt aan de scherp aangepunte horens,—die blijven gespaard en vermenigvuldigen zich. En zoo zijn de kudden van eenige honderden wildemannen ontstaan, die sinds menschenheugenis aan den Vlakken Hoek voorkomen.

Dit is ook op Java bekend, en zoo nu en dan komen jagers van daar met het witte schip mede en slaan hun tenten op; zij jagen, dikwijls [83]onder groote ontberingen, op den wilden karbouw en gaan een maand later weer naar Batavia terug.

Eens, toen Si Tong al baas was op den toren, was ook een Europeesche vrouw meegekomen, met haar man, een Hollandsch dokter2. Wonderlijke zielen die witte menschen, die moeite en ellende en gevaar in de wildernis komen zoeken, terwijl zij het thuis zoo goed hebben! Maar toch was de Njahi, zoo werd de chefsche op den toren genoemd, wonderlijk getroffen door den moed van haar witte zuster, die aan den Vlakken Hoek den eeretitel had verwonnen van Njonjah Brani, de Durfvrouw.

Zijzelf—zoo klein en fijn als zij was—voelde zich toch eigenlijk ook wel „brani”, en vooral, zij wilde er ook wel zoo flink uitzien als de Durfvrouw, die een pantalon droeg als haar man!

Tong had ook al eens, van een veilig plekje in een boom, een karbouw geschoten. Hij was dus niets minder dan die jagers, en toen zij een broek van hem had aangetrokken en met hem mee uittrok, voelde zij zich niet minder dapper dan de mevrouw. Alleen, zij zou zich niet zoo mal wagen als die blanke menschen; die hadden altijd haast en konden niet rustig op een veiligen boomtak wachten op komend wild.

Zoo werden Tong en zijn vrouw jagers, en het duurde niet lang, of het ging hun vervelen op het wild te wachten; ook hen beving de jachtlust, dien zij eerst niet konden begrijpen en voor domheid hielden. En Njahi kroop achter haar man aan door de hooge alang-alang als zij een hert beslopen, al klopte het hart haar in de keel uit vrees voor hem, die de stemming kleurt in de wouden en wildernissen van Sumatra, en die dikwijls juist begeert wat ons voor het geweer komt.

Zoo had dit menschenpaar het goed in de eenzaamheid, omdat zij genot vonden in de natuur, en zij leefden gelukkig en waren oppermachtig op den toren, bewonderd door de kameraden.

Wel werd de kleine bezetting in een nacht van Maart 1919 opgeschrikt door een hevige aardbeving, die den toren uit zijn voegen rukte, maar een inspecteur van Batavia constateerde, dat grondige reparatie alles spoedig weer in orde zou brengen. [84]

Toen het verschrikkelijke gebeurde op 31 Mei, waren de werklieden alweer vertrokken, en alles ging weer zijn gewonen gang. Dien morgen, het schemerde nauwelijks, kwam Nata zijn „hoop” vertellen, dat hij versche buffelsporen had gevonden aan het strand, en dat deze naar een uitgestrekt alang alang-veld leidden. Hier kon vrouwelijke flinkheid, zelfs „met de broek aan”, niet helpen, bij dit karwei moest Tong zich van mannensteun verzekeren.

„Ajo, Saïn, wij gaan een karbouw schieten!” zei hij tot zijn fermsten lichtwachter.

„Ajo!” zei Saïn, „maar Bang (abang, oudere broer) ik heb pas ééns een geweer afgeschoten,—gejaagd heb ik nog nooit.”

Nou ja, zoo heel erg was dat toch eigenlijk niet, in elk geval was een buffel voor Saïn een bekend beest, hij zou niet, op het zien alleen, van angst beven als voor een tijger of een olifant.

Dàt vond de geheele mannelijke populatie, de vrouwen werden er buiten gehouden, zelfs de kleine, dappere njahi.

De wilde buffel ontdekte de twee mannen tegelijk toen zij hem in het lange gras beslopen.

De snuivende kop—neus, voorhoofd en horens in één horizontaal vlak—roerloos maar dreigend, joeg Saïn geen bijzonderen schrik aan, en zoo goed en kwaad het ging legde hij het oog aan het geweer en trok af … maar de patronen van de enkele Gouvemementsgeweren, welke aan lichtwachters ter beschikking worden gesteld, zijn oud, Saïn’s patroon weigerde. En nu sloeg hem de schrik in de beenen, want het ketsgeluid deed het driftige dier onmiddellijk tot den aanval overgaan. Maar Tong bleef rustig en een goed schot deed den buffel schuinweg verdwijnen in een boschje lage struiken, waar hij, blijkbaar zwaar gewond, even moest overdenken wat verder te doen.

De twee mannen kwamen nu overeen ieder in een van de enkele hoogere boomen in het boschje te klimmen, om van daar het aangeschoten dier neer te leggen. Hem op den vlakken grond in de dichte ruigte op te zoeken, achtten zij een poging tot zelfmoord.

Ieder, die ooit ondervonden heeft, hoe slecht zich Inlanders dikwijls [85]aan jacht-afspraken houden, voelt met angstige zekerheid het eind van dit avontuur naderen.

Het was Tong, die, misschien omdat hij zijn kameraad het succes niet gunde, het gewonde dier tòch opzocht. En Saïn schoot, zooals in dergelijke gevallen altijd gebeurt, met niet-falende zekerheid een niet-weigerenden patroon af op de langzaam in de struiken bewegende schijf … en vond niet den buffel, maar zijn jachtkameraad roerloos liggen.

De arme kerel, die toch zóó weinig schuld had, durfde niet naar den toren. Uren later vond men hem ergens tegen de omheining gehurkt, starend in de ontzaglijke stilte, met het stijve lichaam van zijn baas tegen zich aan. En toen hij eindelijk antwoorden kon op hem gestelde vragen, toen hij de wilde smart van de kleine njahi zag, verzon hij leugens, en hortend kwamen verhalen van een geweer, dat onverwachts vanzelf was afgegaan.

En een onderzoek had plaats; maar eerst nadat de arme njahi brani op het witte schip was, naar Batavia, had Saïn den moed te zeggen, dat hij gelogen had.

... en vond niet den buffel, maar zijn jachtkameraad roerloos liggen.

[86]

Op het witte schip lag een kleine vrouw te snikken, op het dek, bij de railing.

Men had haar een kajuit willen geven,—toen een matras, om op het dek rustig te kunnen uitslapen haar groot verdriet. Maar zij kroop tegen de railing aan, om zoo dicht mogelijk te zijn bij het land, waar op de verlaten begraafplaats onder de stervende palmen een nieuw graf gekomen was; zoo lang mogelijk wilde zij den Vlakken Hoek zien met zijn witten toren.

Zoo sliep zij in, op het harde dek. En zij, die niet wisten en de arme ziel zagen liggen, konden een glimlach niet bedwingen … omdat zij niet begrepen, waarom dat kleine vrouwefiguurtje een gelapte mannebroek droeg.

Ornament met cicade.

[87]


1 Varanen worden in de wandeling „leguanen” genoemd; daarom is in de schets over den „krankzinnigen controleur” het woord leguaan gebruikt, ofschoon het uiteraard juister is van „varaan” te spreken (Varanus salvator). Dit dier kan een lengte bereiken van ongeveer twee meter. Het vleesch is voor vele volksstammen in Azië een lekkernij; het is inderdaad fijn van smaak, maar zóó vet, dat het niet raadzaam is om een Westerling, die er een proef van neemt, te herinneren aan het voedsel, dat de varaan gaarne tot zich neemt! ↑ a b

2 Dr. Doyer en diens echtgenoote. 

[Inhoud]

IX. DE SOLITAIR
EN HOE WIJ DOOR HEM GEJAAGD WERDEN

Met Groeneveldt en een totok1 was ik op reis in het bovenstroomgebied van de Batang Hari, de geweldige, die als Djambi-rivier in de Straat van Malaka valt.

Het was in 1909; slechts enkele militaire patrouilles hadden deze streken bezocht, maar uit den tijd van hun gezag, eenige jaren tevoren, toen een aantal kwaadwilligen in Djambi een flinke les niet langer konden ontberen, dateerden de breede voetpaden tot aan ver gelegen dorpen. Zóó dicht waren de oerwouden waardoor die paden slingerden, dat er nergens gras groeide; en de klei-bodem was oorzaak, dat er de indrukken van de gespijkerde schoenzolen der militairen maanden en maanden waren blijven staan,—een herinnering aan de macht van den witmensch bij de goedige bevolking, die zelve nooit eenig kwaad bedoeld had.

In den morgen hadden wij, zwijgend in het heerlijke bosch, een zwarten panter verrast, die zich vermeide langs den rimba-boulevard. Ons aankomen had stellig een aanzwellend rhythmus, dat hem niet beangst had, een rhythmus in de lucht en in het dreunen van den grond, maar zonder kwetsende stemgeluiden. Maar toen wij in blij ontzag, misschien met een enkel onderdrukt geluid, plotseling stil stonden op de bocht van het pad, draaide hij verrast den kop om. [88]Nog slanker scheen hij nu op de hooge beenen, nog langer leek de dreigend zwaaiende, overdreven lange staart … en wèg was hij.

En ’s middags was het mij gelukt voor onze „keuken” een kidjang te schieten, een reebok, die op de zilte asch van een pas gebrande ladang afkwam; weken lang zouden wij kunnen smullen van de dèndèng, het pittig gekruide en gedroogde vleesch, dat vooral van hertedieren zoo croquant en smakelijk is.

En toen wij na den straffen dag in het oude bivakje kwamen, dat indertijd door de militairen was opgezet aan een beek bij een kleine kampoeng, toen wij zagen hoe innig saai er alles uitzag, toen grepen Groeneveldt en ik maar gauw naar het geweer om de verveling te ontloopen. Wij konden nog even vóór den donker probeeren het juiste plekje te vinden, waar een ever zou staan te wroeten in een braak liggend veld, of een bezoek zou brengen aan een manggaboom aan den kampoengrand, die zijn vruchten vallen liet.

Wij wandelden het terrein geheel door; sporen genoeg, maar geen varkens. Misschien had de oudste ever bekend doen maken, dat een tijger in de buurt was? Hoe dikwijls was het ons opgevallen, dat de dieren elkaar op onbegrijpelijke wijze schijnen te waarschuwen; wij zeiden op jacht dikwijls als het wild maar niet te vinden was: „’t heeft zeker weer in de varkenscourant gestaan, dat wij komen zouden!”

Het was heelemaal mis dien avond. En tot overmaat van ramp viel plotseling een zware bui uit de lucht, juist toen het donker werd.

Wij besloten te schuilen onder een hoog op palen gebouwd huisje, een der enkele waaruit deze nederzetting bestond.

Wij hoorden het houtvuur op de stookplaats knetteren, er waren dus menschen in huis. Toen hoorden wij zacht krakende voetstappen, dan eindelijk de gedempte stem van een oude vrouw, die zeide, dat het kind nu wel sliep; en dan spraken zij eindelijk, zacht maar duidelijk, altijd maar weer over het kind, de trots van grootmoeder en dochter.

Wat voelt men zich uitgesloten, wanneer men daar binnen zoo gemoedelijk en huiselijk de zachte stemmen hoort en het gezellig vuurtje er meeknettert van knusse warmte en lekkere pot. En ons kletterde de regen van het dak langs onze neuzen neer. [89]

Ginds, heel ver in den zwarten nacht, was het weerlicht niet van de lucht. Hoe lang zouden wij hier nog moeten wachten? en dan naar dat „gezellige” bivak; eerst nog een bad in het drabbig geworden beekje,—wat zou het paadje naar het water glibberig zijn … kom, wij moesten er toch maar door.

Wij stootten elkaar plotseling aan … waarover praatten nu de vrouwen?

„Gadjah toenggal,” een solitair, hadden wij beiden hooren zeggen; in onze jagerhersens was plotseling het electrische schelletje overgegaan … wat werd daar van een solitair gezegd?

De jonge vrouw haalde nog eens op, wat haar man verteld had. Den vorigen avond had hij in de korte schemering nog even wat boeloeh moeten snijden, om thuis van de gespleten reepen een vischfuik te vlechten.

’t Was wel wat laat geworden, omdat hij moeite had een paar oude stengels van de taaie bamboe uit te zoeken; jonge kon hij niet gebruiken, die worden te gauw door houtwurm doorzeefd.

Juist toen hij zich bukte om de op lengte gekapte stukken bijeen te rapen, had hij ’t gevoel, dat er een huis vlak achter hem voorbij ging; maar dadelijk wist hij, dat het een olifant moest geweest zijn, stellig de reusachtige solitair, die nu al eenige weken in deze streek onrust bracht en geheele aanplantingen verslond en vertrapte.

Wij luisterden ademloos, gespannen als een veer.

Het was voor den man, die met een groot kladi-blad boven het hoofd, de kampoeng-parapluie, door den regen thuis kwam, een geweldige schrik bij het licht van zijn flambouw van verdord klapperblad plotseling twee witmenschen met blinkende geweren onder zijn huis te zien staan.

„Kilat” (weerlicht) ontviel hem, en hij verraadde daarmee, dat hij aan het weerlichten dacht, en dus aan olifanten, wier ivoorglans immers flikkert tot tegen den zwarten hemel.

Maar hij had al gehoord van onze komst, was spoedig over den schrik heen, en fluks lieten wij hem alles van den solitair vertellen. Hij was een kante kerel en bood aan ons in het lage bosch te brengen, [90]waar het dier in den morgen gewoonlijk sliep of rondkuierde. Een plannetje werd gemaakt, en toen de regen opgehouden had, konden wij den totok in het gezellige bivak verrassen met een uitnoodiging om even een olifant mee te gaan schieten.

Groeneveldt en ik kenden op dat oogenblik een olifant alleen nog maar uit dierentuin en circus; verder konden wij nog eenige verhalen van anderen ophalen … nou ja, gevaar is overal en altijd op jacht; het was alleen wel jammer, dat deze solitair nog maar één tand had; de andere was afgebroken, had onze man verteld. Maar enfin, over de verloting van dien eenen tand zouden wij wel nader spreken …

Toen den volgenden morgen de zon in het lage bosch begon te schijnen waar ergens de solitair moest slenteren, slopen daar eenige dappere, gewapende mannen langs het weinig begane pad. Velen tegen een, ettelijke dood en verderf dreigende geweren tegenover den goedzak met den éénen tand.

Vooraan liep onze Maleier geruischloos op zijn sterke, lenige voeten, een vlijmscherp kapmes in de hand, een vervaarlijk wapen in de hand van den man van het bosch, die nooit zijn huis verlaat zonder speer of slagwapen.

Achter hem liep een grijzende hadji, een bekend jager. In den tijd, dat het Gouvernement nog premies betaalde voor het dooden van tijgers, had hij, die als vroom Moslim niet meer geloofde aan den band tusschen den mensch en den Gestreepte, heel wat tijgers gedood. Hij besloop de dieren in hun slaap, en stopte hun een kogel, of een van een brug losgeraakt moertje of een ander stuk ijzer, in het oor; dàn was hij zeker, dat zijn oude tromplader hem niet in den steek liet. Nu had hij zijn roer thuis gelaten, hij schaamde zich tegenover de Hollandsche jagers, die zoo uitmuntend gewapend en zoo brani (moedig) zijn …

Achter den hadji kwam ik, mijn trouwen dubbelloop van Jan Visser van Deventer in de hand. Ik had in ’t geheel niet op olifanten gerekend, ik had trouwens in die dagen nog geen zwaardere buksen. Dan kwam de totok, gewapend met een legergeweer, dat hij van een [91]luitenant had geleend, met wien hij de reis van Holland gemaakt had. Groeneveldt en ik waren uiterst jaloersch, dat nu juist dat geweer in zijn handen was; wij hielden ons het hart vast bij de gedachte, dat hij ervan gebruik zou moeten maken, want hij was een beste jongen, maar geen jager; de geheele geschiedenis is voor hem geen pretje geweest.

Groeneveldt, getooid met een koket jagershoedje, sloot den optocht. Groeneveldt rookt buiten elke willekeurige sigaar en schiet met elk willekeurig geweer, dat hem voor de hand komt.

Hij was nu gewapend met een heel oude Beaumont-karabijn; hoe hij er aan gekomen was, kunnen wij ons beiden niet meer herinneren. Maar onvergetelijk is ons dat geweer gebleven, omdat het een geheim ongemak had en op willekeurige momenten, juist als men het allerminst verwachtte, plotseling met een ijselijken knal afging; maar ook, omdat het ons daardoor het leven heeft gered.

Wij slopen voort, reeds was de nabijheid van den olifant ons gesignaleerd, onze Maleiers lazen in de sporen de situatie.

Nu waarschuwde onze voorman door een handbeweging om toch vooral stil te zijn.

Nog weer een waarschuwend gebaar. Zagen de Maleiers al iets daar in dat kreupelhout? lag hij daar te slapen? Zij suggereerden ons het sluipen, wij waren nog nooit achter een olifant geweest, en wij slopen, als dieven in den nacht. Wij reageerden met domme lachjes op onbegrijpelijke, opgewonden gebaren of gezichtstrekken, die zoo iets moesten beteekenen als „daar ligt-ie ergens, hij slaapt”, of „als jullie nou maar goed schiet, want wij kunnen niets!” en dergelijke opwekkende dingen, die o! wonder, opeens heelemaal niet meer opwekkend waren.

Nu een heel dringend gebaar, sssst … dáár … sssst; nu vooral niet op brekende takjes trappen, sssssst … waar?????… de halzen lang gerekt, de neuzen bleek, elke zenuw een vioolsnaar …

„Pang!!!!”

… een vreeselijk schot tusschen ons in. De totok kromp in lenige [92]lichaamswringing naar links, de rechterhand greep in hevigen schrik naar de rechterheup … „o, God!”

En Groeneveldt, ontdaan, aschgrauw, keek met schuldige, maar o! zoo verbaasde oogen eerst naar de heup van zijn voorman, dan naar zijn geweer.

„Hè!” zei de totok, „is dàt schrikken!”

„Maar man, ben je dan niet gewond???”

„Wel neen!”—en wij keken elkaar aan, en brulden, en huilden van het lachen … maar Groeneveldt en ik danken nòg onze boschgodjes, dat die eene kogel niet een paar centimeter meer links was, want de totok had wel degelijk naar een kogel gegrepen, waarvan hij den windstoot gevoeld had.

De solitair moet wel wonderlijke dingen hebben gedacht, toen hij zich muisstil op de zelf ingetreden paden verwijderde. Maar vriendelijk waren zijn gedachten niet, en nu maakte hij zijn plannen, en hij nam de leiding.

Al spoedig hadden de Maleiers de versche sporen gevonden, voetsporen en dampende mest.

Ook zagen wij schuurplekken tegen boomen, waar stukjes modder de hoogte aangaven van de schouders, van de schoft. Wij maten zoo modderplekken op een hoogte van 2½ meter en een voetspoor op een vochtige plek had een middellijn van 43 centimeter. Wij zagen boomen van een dij-dikte geknakt, ontworteld … en het enthousiasme steeg bij elke nieuwe ontdekking niet, omdat wij niet bepaald meer de absolute overmacht gevoelden, en omdat de verloting van dien eenen tand ons wat verder weg gelegen voorkwam dan den vorigen avond in het bivakje.

Wij volgden hem, hij bracht ons door zwaarder bosch naar een lichte plek, een oude ladang, twee jaren geleden verlaten en nu met dichten opslag van ongeveer vijf meter hoog begroeid, een dorado voor een olifant, een festijn van de smakelijkste takken en bladeren en bast, voor ons een ondoordringbare muur van groen.

Maar hij was er rustig ingewandeld en lokte ons langs zijn nieuwe pad, waar de mestballen nog dampten. Ik kon het gevoel niet van [93]mij afzetten een fuik binnen te loopen, maar wat wil een man met een geweer in die gevallen anders doen, dan het risico nemen van de jacht op groot wild. Jagen mag per slot van rekening niet maar dooden alleen zijn. Jaag niet, indien gij er tegen op ziet zelf ook eens in den slechten hoek te moeten zitten … vooruit dus, de fuik in, ik moest trouwens aan de jongeren het voorbeeld geven … maar mijn trouwe dubbelloop begon aan te voelen als een proppeschieter, en men vraagt zich in dergelijke gevallen af: wat doe je hier!

In een ontzaglijke spanning liepen wij achter de Maleiers aan; waren zij niet bang? of wisten zij precies waar het dier was? Zouden wij nu plotseling tegenover hem staan, en wat dan? moest ik met mijn dubbelloop …

Hoor! daar gaf de olifant het mij later zoo welbekende signaal, met een doffen slag viel een boom, de solitair stond aan den boschrand links van ons.

Zenuwachtig verrast, dat hij zich zoo spoedig aankondigde, keken de Maleiers mij aan.

„Maar dat is toch een houthakker; zóó’n boom!?”

„Neen, toean, dàt is hij!” zei de hadji met een kort, stil lachje.

Wij wisten al, dat hij een reus was, maar … welk een ontzettende tegenstander. En toch: hoe heerlijk, hoe alles in ons beheerschend was de jachthuiver!

Zóó voelde ik het later, met een goede buks in de hand, maar toen …

Blafte daar een beer of een oude ever? dat machtige geluid, dat het bosch deed trillen …

„Hij heeft ons opgemerkt,” zei de hadji, hij keek onbewogen, maar ik zag, dat hij in enorme spanning was.

„Wat nu?” vroeg ik zacht.

„Wachten,” zei hij kortaf en bukte zich, alsof de struiken hem iets te zeggen hadden; hij luisterde naar de doodelijke stilte. Wij stonden op ongeveer dertig meter van den boschrand, dien wij hadden verlaten, in een gloeiende, nauwe steeg met muren van groen …

Toen kwam over de stille toppen van het kreupelhout een verward geluid van langzaam slepen, van kraken en breken. [94]

De solitair had ons, waar hij ons hebben wilde en zocht nu in den wind onze lucht. Wij wisten toen nog niet, wat dat te beteekenen had, maar wij konden er toch geen bezwaar tegen maken, dat Groeneveldt bescheiden zijn geweer laadde.

Wij fluisterden elkaar toe manmoedig elkander te zullen steunen … ieder herdacht nog even zijn zonden.

Plotseling werd het stil, even slechts. Hij had ons gevonden.

En dan scheurde de wereld door één uitdagend, snerpend gedaver, de aanvalstrompet van den boozen solitair, en dadelijk daarop kwam door het ondoordringbare kreupelhout een sneltrein recht op ons af.

Toen begreep ik eerst precies, wat de duivelsche opzet was van dezen jagenden solitair, die de rollen had omgedraaid, en ik wist, dat wij verloren waren, indien wij bleven staan; wij konden slechts enkele meters voor ons uit zien, en niets kon ons voor den eersten aanval beschermen.

„Terug naar het bosch!” riep ik. Ergens naast mij zag ik een der Maleiers tusschen de lage struiken weg schuivelen, een tulband was hem voor, ook laag bij den grond.

Toen gingen ook wij terug, wij trachtten tòch door de struiken den kortsten weg te vinden naar de zware boomen van het bosch.

Toen kwam in het tumult, dicht bij het naderend gedaver, een vreeselijke ontploffing, en dadelijk daarop een ontzettende stilte …

„Groeneveldt!”

Ergens uit de ruigte gromde een toonloos antwoord, niet een geluid van wanhoop of schrik, maar van ergernis en verbazing, en dadelijk daarop: „waar is-ie?”

Ja, waar was hij?

Ieder wist, dat de solitair niet meer dan een meter of tien van ons af was, toen het schot viel. Wie had geschoten, wat was er gebeurd, en waar was hij? Stond hij ons te beloeren voor een tweeden aanval?

Toen wisten wij nog niet, hoe een olifant muisstil op zijn caoutchouc-zolen langs het zelf ingetreden pad terug gaat, als hij bang wordt; wij konden ons niet voorstellen, dat de kolos, zóó dicht bij ons, [95]onhoorbaar zou kunnen loopen in de dreigende stilte, die ingevallen was dadelijk na het schot …

Eerst onder de boomen waren wij van de verrassing bekomen, en daar vertelden de Maleiers, dat de solitair terug was gegaan.

„Ja … ’t is natuurlijk weer dat beroerde geweer geweest,” zei Groeneveldt, „ik schrok me ’n aap!” En wij begrepen nog niet dadelijk, dat die oude Beaumont met zijn ongemak ons het leven had gered.

„Waar is je hoed, Groeneveldt?”

„Daar ergens”… een vermoeide handbeweging in de richting van de ontploffing.

„Haal dien dan even”… zei ik vriendelijk.

Nimmer zal ik den blik vergeten, die mij schuinweg werd toegezonden en die bijna de diepe ergernis van het antwoord overtrof … „Ik zou met dit geweer dien hoed daar halen?????”…

Er zijn momenten, dat men niet vatbaar is voor humor; wij waren op dat oogenblik in dat stadium; maar het is voor ons een van de kostelijkste herinneringen uit onzen gouden jachttijd gebleven.

Nu werd krijgsraad gehouden.

Het was wel fnuikend, dat onze Maleiers den snel geslonken heldenmoed van den superieuren witmensch hadden bijgewoond. Hier moest op de tanden gebeten worden.

En hoe gering ook de innerlijke kracht was waarmee ik de beslissing uitsprak, met pathos werd gezegd, dat wij den solitair weder moesten opzoeken.

Nu pleegde mijn trouwe kameraad insubordinatie.2 Hij sprak:

„Ik heb altijd gedaan wat mij is opgedragen, maar met deze spuit dat beest achterna, hoor ’s”… en dit in een doffe dropping jaw-toon …

De Maleiers wisten raad. Zij begrepen, waar zij den solitair zouden kunnen vinden. Onze man zou hem op een of andere manier weten op te jagen naar ons toe, en dan kon hij maar één pad volgen.

„Gaat u maar mee!” en de hadji bracht ons op een heuveltje waar enkele beklimbare boomen stonden, juist niet dik genoeg om veilig te zitten. [96]

Groeneveldt en ik zochten ieder een boom uit. De totok keek besluiteloos rond, vergeleek de dikte van alle stammen. Mijn boom leek hem de beste, en zoo klom hij achter mij aan; de hadji was al halfweg den top.

„Haast je wat!” riep ik naar beneden, „ik zie ginds alang-alang branden, dat zal onze man hebben gedaan om hem op te jagen.”

Toen werd de totok zenuwachtig, vroeg of Groeneveldt’s boom niet beter was, zoo niet dikker dan toch taaier … maar plotseling werd ik door iets anders bezig gehouden; ginds, niet ver van het grasvuurtje, twee honderd meter van ons af, zag ik boven den rand van laag bosch een wandelende fontein van roode aarde; toen zag ik een blazende slurf, dan werd het geheele lichaam zichtbaar van een enormen olifant met één zwaren, bruingelen tand. Hij was blijkbaar woedend, draaide al blazend heen en weer, besluiteloos.

„Daar komt-ie!” hoorden wij onzen man gillen … dit deed den totok een beslissing nemen, als een aal gleed hij mijn stam af …

„Meneer,” zei de hadji, „ziet u die open plek, daar komt hij langs, schiet u dan, meneer!” Die plek lag honderd meter van ons af; moest ik op dien afstand, met een ronden kogel uit mijn gladloop, dien razenden kolos neerleggen???…

„Stil toch!”… de totok schraapte luidruchtig met klimmende beenen en laarzen langs Groeneveldt’s stam … „schiet toch op, man!”

In een sukkeldrafje kwam de solitair, grijsbruin van halfopgedroogde modder, de kale plek oploopen … donderend klonk mijn schot, maar al riep de hadji bemoedigend „kena” (raak), ik zelf had niet de minste zekerheid een goed schot te hebben gedaan, en dan nog!

Wat echter met de meeste stelligheid tot ons doordrong, was het feit, dat onze totok bezig was zelfmoord te bedrijven. Op ongeveer vier meter boven den grond, juist de meest aangename hoogte voor de slurf van een olifant, hingen twee menschenbeenen te slingeren …

„Schiet nou op, hij is dadelijk hier!”

„Ik kàn niet meer”…

„Waarom niet?”

„Dat wéét ik niet”… [97]

De solitair liep haar met huisje en al onderste boven.

„Ja maar, je hangt nu nèt zoo hoog, dat”…

„Dat weet ik wel, maar ik kàn niet meer”…

„Wel allemachtig, maar hou je beenen dan toch stil”…

Doodsche stilte, Groeneveldt keek op het slachtoffer neer, als een kaptein over den rand van zijn brug, zijn mondhoeken trokken verdacht …

Goddank bleef alles stil, de solitair koos zich tòch een anderen weg.

Eerst later hoorden wij, dat hij acht kilometer doorgeloopen was, door zware heiningen en aanplantingen heen. Menschen, die op een goed omrasterd rijstveld werkten, hoorden een rauwen gil en zagen hun grootmoeder door de lucht vliegen: de solitair liep haar met huisje en al onderste boven.

Toen wij over het gevoel van gepaste schaamte heen waren—wij hadden in den heel vroegen morgen aan onze Maleiers gevraagd of hun kapmessen wel scherp genoeg waren, voor den tand—toen vroeg ik den hadji, hoe dit beest toch zóó slim geworden zou zijn.

Nimmer vergeet ik den leuken grijns op het verweerde gezicht. „Nou meneer, eerlijk gezegd hadden wij kampoeng-menschen al zeventien [98]maal op hem geschoten. Ik zelf heb al eens vlak naast hem gestaan en heb hem onder de kin geraakt, twee maal heb ik hem in de polsen geschoten, niets hielp. Maar dat hebben wij u niet eerder willen vertellen, want dan lachen jullie ons maar uit; jullie zijn zoo knap, en zoo … brani!”

Ornament met cicade.

[99]


1 Europeaan, eerst kort in de tropen. 

2 Toen de Heer W. Groeneveldt en ik deze eerste les van een solitair kregen, was ik assistent-resident te Fort van der Capellen, hij was als jong bestuursambtenaar aan mij toegevoegd. Op onze dienstreizen in de diepe binnenlanden, waarbij wij dikwijls dagen achtereen door de rimba liepen om ook de bevolking in verre uithoeken te bezoeken, deed zich dikwijls de gelegenheid voor om op groot wild te jagen, dat gevaar en last opleverde voor die inheemsche bevolking. Jachtpartijen in de binnenlanden geven veel meer en in veel ruimer mate kans om de mannelijke bevolking te leeren kennen, dan mogelijk is bij de gewone ambtelijke verhoudingen; de kennismaking heeft ongedwongen plaats en er wordt onderling vertrouwen gewekt door den band, welke zich tusschen mannen vormt bij gezamenlijk doorstaan gevaar. 

[Inhoud]

X. DE KRANKZINNIGE CONTROLEUR

Om de „kletstafel” in de sociëteit te Kota Balei zaten vier mannen zacht te deinen in hun wipstoelen, de voeten rustend op de ijzeren staaf, die de pooten van de ronde tafel verbond. Het tweede bittertje, dat den prikkel moest geven voor de juiste waardeering van de copieuze rijsttafel, die thuis hun deel zou zijn, was juist door den „djongos” gebracht. Deze had daarop zijn post verlaten, een deurpost namelijk, waar hij slaperig tegen had staan leunen totdat hij voor de tweede ronde was geroepen. Nu had hij weer den tijd om in de buffetkamer, achter een deur, een lekker tukje te doen; een leege petroleumkist was voor dat doel in het hoekje gezet, het was voor de inlandsche bedienden het beste plekje van de sociëteit.

Een der vier mannen had op dit oogenblik gewacht, hij wilde niet, dat de bediende iets zou kunnen opvangen van wat hij te zeggen had.

„Dokter, ik hoor, dat u verteld zou hebben, dat u mijn collega van Langen gaat bezoeken op uw aanstaande dienstreis naar de binnenlanden, en dat u zich spottend zou hebben uitgelaten over zijn geestestoestand?”

De dokter, een genaturaliseerd vreemdeling, als eerstaanwezend officier van gezondheid belast met de geneeskundige inspectie in het gewest waarvan Kota Balei de hoofdplaats was, lachte pedant.

„Spottend? nou, dat weet ik zoo niet. Maar wat ik wel weet, is, dat uw chef, de resident, mijn opinie heeft gevraagd over enkele brieven, die uw collega geschreven heeft en mij over hem gesproken [100]heeft, vooral over de wijze waarop van Langen zoo nu en dan tegen den resident optreedt, die dan toch zijn chef is. Wij medici kunnen over dergelijke dingen zoo moeielijk met leeken spreken, meneer Robbers, maar het komt mij bepaald noodzakelijk voor om uw collega eens te observeeren, of hij namelijk wel geheel normaal is. U zult dat toch zeker wel aan mij willen overlaten, niet waar?”

„U hebt onlangs in gezelschap gezegd, dat van Langen „van Lotje getikt is”, en dat kan nu wel heel grappig zijn, maar de leek wil zich de moeite geven om u eens in te lichten, wat van Langen doorgemaakt heeft, dan krijgt u eens een anderen kijk op de zaak.

Van Langen was de knapste jongen van mijn jaar, van geest en van uiterlijk; brave, geestige kerel, goed zwemmer en cricketer, de meest getapte student in Delft. Geen wonder, dat de meisjes dol op hem waren. Een bekende Haagsche nuf begon hem meer en meer in te palmen, een bijzonder knap kind, maar een egoïst en koud als ijs. Voor haar was de hoofdzaak, dat hij haar boven anderen verkoos, maar van werkelijke liefde geen spoor. Zoo dachten wij, zijn vrinden, erover en hij heeft met mij gebroken omdat ik hem dat gezegd heb, juist voor de verloving publiek werd. Wij vonden het doodzonde, we wisten hoe fijngevoelig en goed hij was, en we zagen in de toekomst niets dan narigheid.

Zij trouwden dadelijk nadat hij afgestudeerd was en vertrokken naar Indië. Zeven jaar later ontmoette ik hem weer voor het eerst, in een hotel. Hij kwam dadelijk naar mij toe, pakte me bij m’n schouders en zei met onzekere stem: „ben je nog boos? jij hebt gelijk gehad!”

Arme kerel, wat zag hij eruit. Zes jaar hel achter den rug—toen ging zij er met ’n ouwe kerel vandoor, maar die was rijk. Van Langen was een gebroken man. Wij noemden hem in Delft een aanstaand gouverneur-generaal, en nu gold hij als ongeschikt voor het binnenlandsch bestuur! Men zond hem naar Oost-Borneo, naar den grenspost tegen Serawak aan; daar had hij het grensschild en den vlaggemast te bewaken, een ellendig oord en niets te doen. Twee Controleurs zijn daar volslagen menschenschuw weggegaan, een is er krankzinnig geworden, men zond er niet bepaald de goede krachten naar toe, dat [101]spreekt. Van Langen kreeg het er natuurlijk ook te kwaad, men kan in zoo’n oord niet alleen zijn met z’n verdriet. De gezaghebber van een gouvernementsstoomer, die de plaats zoo nu en dan bezocht, kon het niet over zijn hart verkrijgen hem daar zoo te laten zitten en nam hem mee, met eenige moeite, want hij was ook al wat schuw. Toen zond men hem met ziekteverlof naar Holland en na een lange rustkuur was hij zoo opgeknapt, dat hij in Indië terug kwam. Hij heeft nu heel wat van z’n ouwe fut terug, maar hij kan zich wel eens geducht opwinden als hij tegenover oneerlijke en onbillijke dingen staat, en hij ergert zich groen aan ambtelijke futiliteiten. Hij noemt de dingen dan te veel bij den naam en drijft er den spot mee; dat de resident dit wel eens heel onaangenaam vindt, weet ik, maar dat hij niet normaal zou zijn, is onzin. De resident had hem niet dadelijk weer naar de binnenlanden moeten zenden; als ik geen kinderen had, die hier op school moeten gaan, zou ik graag met hem ruilen, hij woont er heerlijk, ’n mooi land, prachtig uitzicht op het meer. Hij heeft behoefte aan gezelligheid, dat is alles; er is te veel bitterheid gekomen in z’n leven, maar de blijheid begint het weer te winnen. Ik geef toe, dat hij niet uitbundig vrindelijk is tegenover iedereen en wel eens den indruk maakt wat stug te zijn, maar men weet ook niet alles, en daarom wilde ik u dit even vertellen.”

„Och, meneer Robbers, dat zijn zoo van die gevoelskwesties, die wij medici niet in de eerste plaats als object van beoordeeling nemen. Het publiek spreekt van „menschenschuw”… enfin, ik zal de gelegenheid hebben om hem te leeren kennen en hem persoonlijk ongemerkt te observeeren; de resident heeft mij dit uitdrukkelijk opgedragen. Over ’n paar weken zal ik zelf mijn vaststaand oordeel hebben, niet waar? Door onze practijk hebben wij een heel anderen kijk op dergelijke ziektegevallen dan leeken, die zich dikwijls door het gevoel laten meeslepen.”

„Ja, ja; dat geef ik in zooverre toe, dat u wel niet veel last van uw gevoel zal hebben. Maar dit wilde ik u nog zeggen, ik geef u den raad om mijn vrind van Langen niet meer belachelijk te maken; van een dokter verwacht men dit allerminst.” [102]

De oud-militair in het gezelschap knikte tevreden, de vierde man, een piepjonge baar, verschoot van kleur.

De dokter slikte even. Hij dacht plotseling aan iets, dat hem al een paar dagen geweldig dwars zat; hij had een gesprek opgevangen van een sergeant, die een zieken makker in het hospitaal had opgezocht. De sergeant had eenige jaren geleden de bestorming van den kraton te Koeta Radja meegemaakt en had er „het ridder”1 verdiend; in het kleine garnizoen van Kota Balei was hij een man, met wien men rekening had te houden. De dokter had hem tot zijn zieken kameraad hooren zeggen: „Moet jij je door de Pil laten opereeren?? Nou, dan zou ik m’n testament maar maken; wij hebben hem ook in Atjeh gehad; toen hij daar kwam, heette hij Jan Mes, omdat-ie d’r dadelijk met het mes bij is, maar toen-ie een paar makkers kapot gesneden had, hebben wij er Jan Mis van gemaakt”…

Hij moest nu met „het civiel” wat voorzichtig zijn, het is niet prettig als ’t zoo van twee kanten inregent.

„Controleur, ik heb niet de opzet gehad om uw vrind belachelijk te maken, maar ik zie het als medicus nu eenmaal anders, en ik ben toch vrij om mijn eigen oordeel te hebben, niet waar?”

„Laten we er maar niet verder over praten, ik heb gezegd wat ik te zeggen had … djongos!!”

De bittertjes werden betaald, Robbers en de oud-militair stonden op en gingen samen weg; de piepjonge baar herinnerde zich plotseling een dringende afspraak.

Eenige dagen later liet de dokter den controleur van Langen weten, dat hij van plan was een dienstreis door de binnenlanden te maken, en hij vroeg voor een middag en den nacht om logies. De reis tot het meer deed men in die jaren der vorige eeuw met een licht voertuig, door twee inlandsche paardjes getrokken. Als de besturende ambtenaar, die aan den oever van het meer woonde, gewaarschuwd was, vond men op het punt, waar de bergweg het meer bereikte, de sloep van den controleur, men werd na een uur roeien bij zijn dienstwoning gebracht, en vandaar werd de reis door de bergen voortgezet [103]met gouvernements-rijpaarden, die er waren gestationneerd.

Toen de dokter aan het meer kwam, was er geen boot aan de aanlegplaats. Hij dankte het wagentje af, zette zijn koffer aan den oever, ging er op zitten, en wachtte. Een eenzaam hengelaar in een klein prauwtje was het eenige in de doodstille omgeving en op het roerlooze watervlak, dat zich zoo nu en dan bewoog; voorzichtig pagaaide hij, met eene hand, om zich telkens enkele meters te verplaatsen. Heel in de verte kraaide een haan, het deed de stilte nog drukkender worden.

Hoe lang zou hij hier nog hebben te wachten? Wat een gemis aan deferentie voor hem, een der eerste autoriteiten van de hoofdplaats! Die ambtenaren van het binnenlandsch bestuur, met hun groote macht in de binnenlanden, verbeeldden zich … maar, dat was waar ook, deze B.B.-man was immers niet goed wijs, hij had natuurlijk vergeten zijn boot te zenden … ellendige kerel! Er zat niets anders op, dan den eenzamen visscher te bewegen hem over te brengen; dat zou geld kosten, ’n onverwachte knauw in zijn declaratie, maar hij kon toch niet eeuwig blijven wachten en de koetsier was al lang met zijn wagentje vertrokken.

„Hooooi!!” praaide hij den hengelaar, „kom eens even hier!”

Langzaam, zeer tegen zijn zin, roeide de man naar den kant.

„Heb je de sloep van den controleur niet gezien?”

„Neen, toean, en als er menschen komen voor den controleur, dan is die boot hier al heel vroeg, want de roerganger heeft in de buurt een jonge vrouw!” grijnsde de hengelaar; hij was een oud mannetje en hij kende zijn wereld.

De dokter bekeek roeier en bootje. Een wanhopig geval, vond hij; ’n oud, zwak mannetje, en ’n kleine, vieze prauw, maar er was geen andere weg. Na eenig tegenstribbelen en door een in cijfers uitgedrukte belofte, gelukte het hem man en kano in te huren. De koffer, die het hoogstnoodige goed voor de aanstaande reis bevatte, moest zoo droog mogelijk blijven; daartoe werd ze op het eenige, losse zitplankje gelegd, in de voorsteven van het bootje. Voor de twee mannen zocht de hengelaar een paar stokken aan den wal, deze werden op maat [104]gekapt en tusschen de boorden geklemd; hijzelf had genoeg aan één stokje, de dokter kreeg er twee om op te zitten.

„Eerst even hoozen,” zei de oude man, en hij zette zich aan het werk met een klapperdop, die in het bootwater dreef tusschen eenige doode visschen; hij schepte en schepte totdat de bodem van de kano zichtbaar werd; ziezoo!

Voor een Europeaan, die wat stijf en onhandig is, vormt het zitten in ’n kleine, ranke, lekke prauw, een episode. De voeten op den bodem te moeten zetten, waar men het water heel langzaam ziet binnen siepelen, is al niet aangenaam, maar veel moeielijker is ’t het vraagstuk op te lossen, of men trachten zal zijn evenwicht te behouden door de knieën aaneengesloten te houden, dan wel ze tegen de boorden te vleien. En als men dan als eenige basis van z’n bestaan twee stokjes heeft, die in bespottelijk korten tijd aanvoelen als gloeiende staven, als men braadt in de felle zon op windstil water en men ademt slechts kwalijke vischlucht in, dan wordt wel een zware wissel getrokken op ’s menschen blijheid.

De dokter was heel stijf en heel onhandig; hij kon niet zwemmen en was doodsbang voor dat diepe water zoo vlak naast zich; maar vooral: hij liep tegen de honderd kilo, zoo klein hij was, en het was in ’t bijzonder dat gewicht, dat hem letterlijk neerdrukte en de stokken in hem deed insnijden. En dan de ergernis, te zien en te voelen, hoe het vieze, visschige water in zijn brandnieuwe, witte schoenen drong … en die zon! Hoe kon men in Europa toch spreken van „het lieve zonnetje”, neen, de soldaten in Indië hadden wel gelijk, bij hen heet ze „de koperen ploert”. Mijn God, hoe kon dat ouwe mannetje zoo behaaglijk op z’n ééne stokje zitten, terwijl hij alle zelfbeheersching noodig had … zelfbeheersching? maar daar was geen sprake meer van; hij leed, en hij moest blijven lijden, nooit had hij zoo de waarde beseft van dat bekende gezegde van „in het schuitje zitten”.

Maar die controleur, zoo’n ellendige malloot!

Hij had de boorden van de prauw stevig vastgeklemd om het evenwicht te houden, maar nu moest hij het contact van lichaam en gloeiende staven eenigszins verbreken, hij leed onmatig. Jan Mes zette zich op de handen op, de armen gestrekt … dat gaf opluchting. Maar [105]nu begonnen al gauw de boorden van de kano in de handpalmen te snijden … dan maar weer zitten … maar een gesmoorde gil ontsnapte hem … „aai!”

„Ajer?” (water) zei ’t ouwe mannetje, „ja hoor, er is weer veel water in de boot!” Hij legde de pagaai neer en reikte naar den drijvenden klapperdop.

„Nee, nee! roei door, man! ik zal wel hoozen, roei op!!”

Maar de dokter hoosde niet, want hij had geen derde hand.

Toen de kano aan de aanlegplaats voor de controleurswoning was vastgemeerd, wentelde zich een gebroken man aan wal. Gelukkig was daar niemand, die deze vreugdelooze aankomst zag; voor den visscher schaamde hij zich niet, die had al lang gemerkt, dat zijn passagier niet heelemaal gelukkig was.

„Nee, nee! roei door, man! ik zal wel hoozen, roei op!!”

Toen hij tot loopen in staat was … den volgenden morgen moest hij tien uur paardrijden!… hielp de visscher den koffer naar het huis van den controleur dragen. Hij [106]ging den dokter voor, de trap op van de voorgalerij. Maar toen zijn hoofd ter hoogte van den vloer was, dook hij ineen alsof hij een schot verwachtte; ontdaan zette hij den koffer neer, zei met heesche stem: „daar zit de controleur”, en meteen liep hij op de teenen de trap af en zette het op een loopen, naar zijn prauw.

De dokter was geen held, wat wachtte hem daar in die voorgalerij? Maar hij kon toch dien visscher niet achterna gaan! Met een onaangenaam gevoel in zijn nekharen sloop hij de trap op … wat was hij begonnen! Er klonk geen revolverschot, maar toch was er wel eenige aanleiding voor den ouden hengelaar geweest om maar schielijk naar huis te gaan.

In de voorgalerij lag op een luiaardstoel een Europeaan met bloot bovenlijf, een gebatikte „slaapbroek” maakte zijn eenige kleedij uit; de beenen lagen over de lange leuningen van den stoel, de bloote voeten recht vooruit; hij staarde verdwaasd naar het meer door een bos op het voorhoofd neerhangend haar. En dit was de besturende ambtenaar, hier de vertegenwoordiger van Nederland, van Zijne Majesteit den Koning!

Dit was de besturende ambtenaar, hier de vertegenwoordiger van Zijne Majesteit den Koning!

[107]

Maar de dokter vermande zich, dit was immers een patiënt.

„Is u de controleur van Langen?”

Een geeuw was het eenig antwoord uit de verder beweginglooze massa.

„Heeft u mijn brief ontvangen? Ik ben de inspecteur van den geneeskundigen dienst.”

„Brief? Wel mogelijk,” zei nu een loome, maar beschaafde stem.

„Weet u dat dan niet zeker?”

„Neeeee”… en de controleur geeuwde een langen geeuw.

„Mag ik vragen waarom niet?”

„Ja, dat mag; omdat ik alleen maar brieven door mijn schrijver laat open maken als ik er lust in heb.”

„En …”

„Dat heb ik al ’n heelen tijd niet.” Van Langen sloot de oogen; stilte alom.

Wat nu? Hemel, wat deed een zeker deel van zijn lichaam den dokter pijn; en men liet hem rustig staan, terwijl de ander in zaligheid lag te geeuwen. Hij moest een snel opkomende woede bedwingen; hij verbeeldde zich zelfs den lust te onderdrukken om dien luien, vadsigen malloot eens door elkaar te rammelen, maar dit bleef bij verbeelding, want er was iets in dien halfnaakten man, in zijn schouders en armen, dat hem dien lust tot vechten als levensgevaarlijk deed inzien.

„Mag ik bij u logeeren voor één nacht? ik wilde morgen doorreizen, zooals ik u schreef.”

„Logeeren? Och ja, waarom niet, sla zelf maar eens op die gong”… op inlandsche manier wees hij met uitgestoken lippen naar een gong, die vlak naast hem was opgehangen.

De dokter verbeet zich, maar hij suste zijn getarten mannenmoed, die man was immers een patiënt; en hij sloeg op de gong.

Van Langen had de oogen weer gesloten. Ergens achter het huis hinnikte een paard, het eenige geluid in de beklemmende stilte. De dokter kon zich nauwelijks staande houden, hij zou zelf maar een stoel nemen. Maar er was geen tweede stoel in de voorgalerij … zoo’n ellendige gek … [108]

Eindelijk sloop uit het huis een slordig gekleede bediende de voorgalerij in.

„Toean?”

De oogen openden zich, „meneer blijft hier eten en slapen.”

„Saja”, en zacht sloop de djongos weer weg.

Weer een geeuw, nu luid en lang gerekt. „Hè, hè, lang niet zoo lekker gerust, dokter.”

„O, u heeft last van slapeloosheid?”

„Wat?! Welneen, man, alleen heb je aan den nacht niet genoeg en overdag is het zoo akelig schel in den Oost.” Hij rekte zich heerlijk en kwam overeind.

„Hé, zit u eigenlijk niet? Geen stoel?? O, dat is waar ook, de kippen hadden de stoelen zoo bevuild, dat ik ze maar eens een paar dagen te weeken heb laten leggen, in het meer.”

„Te weeken?… stoelen?…”

„Och ja, dat is zoo makkelijk, alles wat vuil is wordt in het meer geweekt, de visschen knabbelen alles brandschoon af. Hè, hè, hè, ik heb een heerlijken morgen achter den rug, al hebt u me ook gestoord Ik ben toch wel blij, dat u er bent, want ik heb een heerlijk stuk wild, voor mij alleen is ’t te veel en u zult wel honger hebben.”

De dokter voelde het eerste symptoom van opleving. Zóó gek was van Langen toch niet, of hij begon blijkbaar te beseffen, dat hij een autoriteit voor zich had. Jan Mes was bepaald gestreeld.

„Mag ik even mijn reispak verwisselen?”… van z’n schoenen sprak hij maar liever niet.

„Wel neen, blijf zooals je bent, ik doe ’t ook; ik zal u maar voorgaan.”

Een reiziger kon in die jaren der vorige eeuw vreemde dingen beleven in de binnenlanden van Indië, maar deze dokter zal toch wel de eenige gast aan de tafel van een bestuursambtenaar zijn geweest, die zijn gastheer in zoo luchtige kleedij mocht aanschouwen. Van Langen had enkele goede momenten, maar wat was hij al ver heen!

In de eetkamer, waar vechtende stieren maar heel weinig kwaad zouden hebben kunnen doen, stond in een hoek een ongedekte tafel; [109]twee wrakke stoelen hadden nog juist zooveel aan rotan-zitting over, dat men er niet doorheen gleed.

„Ga zitten, dokter, ga zitten!”

De dokter ging voorzichtig zitten. Hij deed dit met groote voorzorg, niet alleen om de wrakheid van den stoel. Maar het viel mee, hij hing meer dan dat hij zat en juist dit was hem momenteel zeer aangenaam, eindelijk rust! Wat ’n situatie anders!

Maar nu verscheen de slordige djongos en hij zette twee diepe borden op tafel; in die borden lagen een glas, een mes en een lepel en vork.

„Help uzelf!” zei de controleur vergenoegd, „’t zal ons smaken, hoor!”

Alle ingrediënten werden uit de borden gevischt, Jan Mes’ barometer daalde.

Maar daar gleed de djongos weer binnen met twee schalen, die hij met grootsch gebaar op de gezellige tafel plaatste. Een heerlijke braadlucht steeg op uit de eene schaal, waarop een prachtig stuk vet vleesch lag; het leek wel een moot gebraden reuzepaling. De andere schaal was bedekt met geelbruine schijven, welke de dokter herkende als geroosterde oebi (cassave).

Van Langen sneed aan, wipte een flink stuk vleesch op ’s dokters bord, nam zelf een geweldige portie en viel onmiddellijk aan.

„Heerlijk, dokter, heerlijk, je moet toch maar boffen! U neemt zelf wel oebi, ik heb geen tijd meer.” Vergenoegd grommend, met groote happen, verslond hij het van vet druipend vleesch.

De dokter begreep, dat het maal zou bestaan uit hetgeen hem voorgezet was, maar enfin … het vleesch rook in elk geval heerlijk, en hij was dol op wild. De smaak was kostelijk, nooit nog had hij zulk vleesch geproefd.

„Inderdaad, meneer van langen, ’t is heerlijk vleesch, wat is ’t eigenlijk?”

„Dokter, ik heb nu heusch geen tijd, straks zal ik u ’t heele jachtverhaal vertellen.” Van Langen at niet meer, hij schrokte als een hongerige hond. De dokter werd aangestoken, hij kwam wat op z’n [110]verhaal na zijn meertocht en had een prachtigen honger; de oebi was zoo taai als leer, maar ’t vleesch, ’t heerlijke vleesch! Wat trof dat goed, dat hij zóó dol was op wild! ook hij smulde gulzig … ja, hij wilde graag nog ’n stuk hebben …

„Ziezoo!” zei de Controleur en veegde met den rug van de hand langs den vetten mond, servetten kende men hier niet. „Eet nu maar rustig door, dokter, dan steek ik vast ’n strootje op, en ik zal u nu vertellen, hoe ik aan deze heerlijke wildbout gekomen ben. Eet u maar door, ’t is de kans in uw leven.”

„Ja, ’t is bepaald heerlijk, maar …”—en de dokter hikte even—’t is wel vet, wel heel erg vet”…

„Nou, dat zal waar zijn, maar ’t was ook ’n zeldzaam exemplaar. Ik roeide gisteren langs den oever en had m’n geweer meegenomen, er zijn in dit seizoen nog wel eens wilde eenden op ’t meer. Nu was er in die streek een hertejacht gehouden, ’n dag of acht geleden; men had een bok aangeschoten en volgde het dier op de bloedsporen; aan den rand van een rots, die vrijwel loodrecht naar ’t meer daalt, hielden de sporen op, blijkbaar was ’t hert hier naar beneden gestort. Maar die plek staat bij de Inlanders in een slechten reuk en men was te bang voor z’n hachje om de jacht te vervolgen. Toen ik onder langs die rotspartij roeide, zag ik tusschen de biezen een hertehoorn uitsteken; ik begreep, dat het dier in dat lage water aan z’n eind was gekomen, maar ’t gekke van ’t geval was, dat het gewei bewoog…”

„Maar … ik eet hier toch niet ’t vleesch van ’n hert, dat acht dagen lang heeft liggen sterven??”…

„Wel nee, man! ’t dier was al lang dood. Maar weet je waarom ’t gewei bewoog? Een leguaan1 had zich in ’t beest gevreten, ’t was waarachtig of ’t nog leefde; dat zie je dikwijls, en ’t kan heel bedriegelijk zijn.”

„Maar meneer van Langen, ik eet toch geen”… de dokter had ’t gevoel, dat het genoten vet ergens in zijn lichaam in opstand kwam.

„Laat me nu rustig m’n verhaal uitvertellen. Ik roeide heel zacht tot vlak bij ’t kreng; ik moet zeggen, dat er mannenmoed voor noodig was, want de lucht was verpletterend”.… [111]

De dokter kreunde; ergens in zijn binnenste steeg een vetprop hooger en hooger.

„Toen trapte ik ’n riem in ’t water en hield tegelijk m’n geweer klaar. Een lange kop loerde nieuwsgierig uit den halfverganen herteromp, ik gaf hem ’n portie zwaren hagel, en nu is dit vleesch ’t beste stuk van z’n staart; geen wonder, dat ’t zoo lekker vet … maar wat heb je, dokter??”

„Mijn God, meneer!”… de dokter vloog op, de voorgalerij in, de trap af, het vet was de baas geworden, de leguaan wreekte zich!

Van Langen was hem achterna gerend. „Jonge, jonge, dokter, wat spijt me dat nou, is dat nu zóó erg? En je bent zoo dol op wild! Als je vergevorderd wild eet, zul je ’t fijn adellijk vleesch noemen, en nu kun je er niet eens tegen, dat ik vertel van gezond wild, dat adellijk vleesch eet?? Ik vind leguanestaart altijd een traktatie … toe maar, dokter, benauwd?” en hij klopte zijn slachtoffer vriendelijk op den rug.

„Ik zei, dat ikzelf ’t zoo bijzonder lekker vind, zoo heerlijk vet … arme kerel, wat ben je misselijk, ’t lijkt hier wel zwaar weer aan boord! Maar heusch, ik dacht er u een groot pleizier mee te doen, zoo’n lekker vet stuk vleesch! Ja, ga er bij zitten man, tot de bui voorbij is.”

De dokter zeeg neer op den harden grond, hij had één oogenblik de gloeiende staven vergeten, maar werd er nu weer onbarmhartig aan herinnerd. De gekwelde man rolde zich op zij; goede hemel! en het leven was dien morgen nog zoo mooi geweest.

„Arme kerel! ga maar gauw wat liggen, de logeerkamer is klaar, ga maar mee!”

Met een barstend hoofd en slepende beenen volgde de dokter den controleur. Hij bracht het slachtoffer naar de bijgebouwen van het huis, welke ook op palen waren gebouwd. Een der bediendenkamers diende als logeerkamer, in een hoek lag tenminste een matras, zoo maar op den vloer.

„Wel te rusten, dokter, ’t beste hoor! Ik ga ook wat liggen, straks zal ik u eens laten zien, hoe ik mijn paarden heb gedrild”.… de deur ging dicht.

Jan Mes wankelde naar de matras en liet zich als een steen er op [112]vallen; de slag was donderend, want de matras was maar zeer licht gevuld met een enkel bosje gras. Gehoorzamend aan de wet der zwaartekracht kwam de dokter eerst neer op de gloeiende staven, toen sloeg het barstende hoofd door, achterover, trachtte door den vloer te beuken.

Eenige minuten lag hij daar, op zij gewenteld; versuft, geradbraakt, hijgend van ellende en hoofdpijn. Hij had zijn plan volvoerd, had den controleur ongemerkt geobserveerd en was in het bezit geraakt van een eigen oordeel … maar tot welken prijs!

Nu de deur dicht was, kwam er alleen maar licht door de reten van een slecht sluitend venster, dat op de knip zat. Boven hem gonsde een heir van muskieten en op de zoldering van boombast krabde een rat; en er was niet eens een klamboe om hem tegen al die afschuwelijke beesten te beschermen. Moest hij hier den nacht doorbrengen?! Hij moest een slaapmiddel hebben, waar was zijn koffer? Dood ongelukkig stond de dokter op en zette de deur open. Er was geen stoel en geen tafel in de kamer, het eenige meubel was een laag archiefrak, dat hier blijkbaar was opgeborgen; misschien lag de koffer op een der planken; maar hij vond er niets dan stof en, ergens in een hoek geslingerd, wat schrijfpapier en enkele enveloppes; zelfs lagen er potlooden en eenige postzegels rondgestrooid. Wat een toestand! wat ’n slordige vent!

De resident moest nu spoedig weten, hoe erg het met van Langen gesteld was; hij zou van hier nog schrijven. Maar hij kon ’t dien avond niet doen, want er was niet eens een lamp in de kamer; bovendien, hij kon hier toch niet blijven, die man was in staat hem nog veel erger dingen voor te zetten, die kans wilde hij niet loopen. Dan maar liever naar de kampoeng, hij zou na een paar uur slaap verdwijnen. Maar dan moest nu dadelijk de brief geschreven worden, hij zou wel iemand vinden, die den brief morgen aan den schrijver van den controleur zou brengen, die was, zooals overal in de binnenlanden, hulp-postcommies. Dan maar dadelijk; gelukkig, dat die slordervos hier papier en potlood had slingeren.

Staande aan het rak, schreef hij een relaas in potlood aan den resident. Hij bracht verslag uit van wat hem alzoo overkomen was; van Langen was weliswaar nog niet gevaarlijk gebleken voor zijn omgeving[113]—edelmoedig noemde hij zichzelf niet als uitzondering hierop—, maar hij achtte het geval toch hopeloos; hij zou over drie weken, op zijn terugreis, trachten van Langen langs een zoet lijntje mee te krijgen naar Kota Balei, maar dan moest de patiënt zoo spoedig mogelijk naar Java, de resident wilde wel zorgen, dat er een hut werd gereserveerd op de volgende boot.

Ziezoo! dat papier en de postzegels kwamen hem nog te pas. Het duizelde hem, maar hij had nu toch een gevoel van voldoening, dat hij zijn ambtsplicht gedaan had; of, met andere woorden, in zijn diepste binnen gefluisterd: hij zou dien vent wel mores leeren!

Nu ging de dokter in de deur staan en riep: „djongos!!”

„Djongos! djongos!!” krijschte een béo in zijn kooi hem na, en het paard ergens in zijn stal hinnikte.

„Djongos!!! Ha, ha, ha,” lachte de praatvogel, „o! toean, doedoek, ga zitten meneer!!”

Bl … beest! Hij zou de andere bediendenkamers zelf maar eens nagaan, het heele personeel lag blijkbaar te slapen. Hij trof het, in de kamer naast de zijne ronkte de djongos.

„Waar is mijn koffer? En geef mij gauw wat water!”

De bediende vloog op, haalde de koffer, die ergens in het gras was gelegd, en kwam even later met een groezelige flesch water; een glas kon hij niet bezorgen, want de glazen stonden in de etenskast, in huis, meneer sliep en hij was bang zijn baas wakker te zullen maken.

„Ben jij hier alleen?”

„Ja, toean.”

„Zeg eens, die meneer van jou …”

„Allah, toean! Ik houd ’t hier niet meer uit!”

„De controleur is gek, geloof ik, niet?”

„O, meneer, ’t is verschrikkelijk als hij zoo’n bui heeft.”

„Waar zijn de oppassers?”

„Als de controleur zóó is, zijn ze bang, ze zijn weggeloopen; als er wat met meneer gebeurt, willen zij niet als getuigen opgeroepen worden.”

„Maar is meneer gevaarlijk? slaat hij jullie wel eens?”

„O, toean, ik durf u niet alles te zeggen …” [114]

„Nee, djongos, dat hoeft ook niet meer. Maar ik wil hier niet blijven, ik ga nog even wat liggen en dan moet je mij straks naar de kampoeng brengen en ervoor zorgen, dat ik ergens kan slapen. En zoek van avond de oppassers op en zeg hun, dat ik morgen heel vroeg weg wil, zij weten wel hoe het stationneeren van de paarden gewoonlijk geregeld wordt.”

„Ja meneer, dat zal ik doen.”

Zelfs op een vloer van harde planken en in een wolk van muskieten kan een gebroken man slapen als een goede dosis slaapmiddel in hem is. Goddank, de dokter voelde het weldadig gevoel van rust komen, nu zou hem niets meer deren …

Geen vijf minuten kon hij geslapen hebben, toen eenige donderende slagen onder tegen den vloer hem op deden vliegen. Waar was hij? wat was dat??… o, dat hoofd, wat nu weer? Schoten? opstand? aardbeving?… leguanen??

In den vloer waren overal breede naden tusschen de planken, de dokter loerde. Onder hem stond van Langen, in dezelfde luchtige kleedij van daareven, een chambrière in de hand. Hij kon er juist staan, zijn wilde haren raakten bijna den vloer. Eenige paarden waren aan korte touwen aan de palen gebonden, twee onder de matras van den gast.

Klets! ging de chambrière, en alle paarden sloegen in de grootste opwinding met de hoofden tegen den vloer.

Nu werd het den dokter te machtig. Hij zei eenige bijzonder leelijke woorden in zijn eigen taal.

„Haha!” riep de controleur vroolijk, „bent u al wakker? Kom dan ’s kijken hoe ik mijn paarden dril!”

De maat was vol; Jan Mes sloop met zijn koffer de kamer uit, zocht den djongos op en liet zich langs het achtererf naar de kampoeng brengen. In een armzalig huisje kreeg hij onderdak; hij voegde aan zijn brief nog toe, wat er nu nog gebeurd was en gaf hem aan den djongos mee, die voor de verzending zorgen zou. De dokter bracht een slechten nacht door op een onsmakelijke matras van zijn nieuwen gastheer, en in den vroegen morgen heesch men hem op het makste paard en op het [115]zachtste zadel. De volgende tien uren waren niet de beste in zijn leven. Hij hoopte nu maar vurig, dat de resident den controleur Robbers dadelijk zou inlichten over den collega, dien hij had durven verdedigen.

De resident deed dit dan ook, hijzelf had woorden gehad met Robbers, die hem hardheid tegenover van Langen had durven verwijten; hij kon een gevoel van leedvermaak geen weerstand bieden.

Robbers hoorde hem zwijgend aan en was diep onder den indruk. Die arme kerel, was hier nu niets aan te doen … hij was dus tòch abnormaal.

Enkele dagen later kwam de nieuwbenoemde eerstaanwezend ambtenaar van den waterstaat bij Robbers om hem inlichtingen te vragen voor de eerste dienstreis, welke de architect wilde maken ter kennismaking met zijne ambtenaren in de binnenlanden en om verschillende gouvernementswerken en gebouwen te inspecteeren. Hij was een braaf, opgewekt man, maar hij had geruchten gehoord over den controleur aan het meer, waar ook zijn weg heen voerde, en nu kwam hij Robbers vragen, hoe hij een verzoek aan van Langen om hulp op reis zou moeten inkleeden.

„Ja, ’t is een lastig geval. Ik zal u maar precies zeggen, wat de dokter in zijn huis heeft ondervonden. Hoe ’t mij ook spijt voor mijn vrind van Langen, ik moet nu ook wel gaan gelooven, dat hij niet heelemaal normaal is. Ik zou u raden hem wel te waarschuwen en hem op te zoeken, maar ik geloof, dat u wel het best doet om onderdak te zoeken bij zijn schrijver, die heeft een aardig huisje en hij zal u stellig wel willen logeeren, ik zal u een briefje voor hem meegeven.”

Robbers vertelde den architect het gesprek in de sociëteit en wat de resident hem, na het bezoek van den dokter aan van Langen, had meegedeeld. Beide mannen hadden grooten humorzin, en ofschoon de gekwelde esculaap uit den aard der zaak de humoristische zijde van het geval niet belicht had in zijn rapport aan den resident, danste er een ondeugend vlammetje in Robbers’ oogen, en beiden verkneukelden zich inwendig.

„Nou, meneer Robbers, na wat u over uw vrind gezegd hebt, waag ik [116]het er op. Maar ik zal toch maar ’n beetje oppassen, arme kerel!”

Een week later bereikte ook de architect den oever van het meer. Hij had ervoor gezorgd er vroeger te zijn dan de gewoonte was, en hij dankte den koetsier niet af, men kon niet weten of het hem ook gelukken zou een inlandsche prauw in te huren.

„Maar meneer,” riep de koetsier, „kijk ’s!”

Om een landtong, dicht bij de aanlegplaats, draaide een keurige witte sloep recht op hen af. Er werd hard geroeid, trotsch woei de Nederlandsche vlag van den achtersteven. De sloep van den controleur. Blij verrast haastte de architect zich naar de aanlegplaats. Nooit nog had hij in de diepe binnenlanden van eilanden buiten Java gereisd, en voor de eerste maal ondervond hij de ontroering, welke de Hollander voelt, als hij plotseling, zoo „ver van de wereld”, de mooie, de eigen driekleur ziet wapperen.

„Is de controleur niet ziek?” vroeg hij den roerganger.

„Wel neen, meneer, de controleur is nooit ziek. Hij laat u zijn groeten overbrengen. Het spijt mij, dat u heeft moeten wachten, maar u is hier veel vroeger dan de gewoonte is.”

Welk een weelde te tronen in een keurige sloep, als men erop gerekend heeft het met een klein prauwtje te moeten stellen. Sterke mannen in net uniform deden het water klotsen aan den boeg, en knutterend wapperde de dierbare vlag.

De architect genoot, maar was in stomme verbazing. Hij wilde graag meer vragen maar voelde, dat hij dit niet kon doen.

Een weergaloos natuurschoon aan den oever gleed voorbij, in hooge boomen stoeiden de apen, hier en daar slopen zij langs den waterkant op jacht naar krabben; rondom doemden groene heuvels op, daarachter de blauwe bergen. En zie! ginds kwamen inlandsche woningen in zicht, en boven een bosch van klapperboomen woei weer de driekleur, aan den vlaggemast vóór de controleurswoning.

„Kijk,” zei de roerganger, „daar staat meneer aan de aanlegplaats.”

„Is dàt de controleur??”

Een goed gekleed, beschaafd man met een prettig, open gezicht, stak hem de hand toe om hem uit de sloep te helpen. [117]

„Welkom! goede reis gehad? Ik heb uw brief ontvangen en u blijft natuurlijk bij mij logeeren. Is ’t niet een heerlijk land hier? Ik kijk me nooit zat aan het meer met zijn telkens wisselende tinten, aan de bergen ginds, die alles domineeren. Elke dag is er weer nieuwe blijheid!”

De architect drukte hem geroerd de hand, wie had zulk een ontvangst durven verwachten!

„Kom! u zult wel ’n hapje willen eten na zoo’n reis, we zullen maar dadelijk de proef nemen of mijn kokki haar zaakjes nog kent.”

Weer leguaan?? vroeg de architect zich even bang af. Alles leek nu wel heel mooi, maar een abnormaal man is onberekenbaar.

Een paar goed gedrilde oppassers brachten de bagage naar het controleurshuis, aan den voet van de trap stond een keurig gekleede djongos. In de goed gemeubileerde voorgalerij werd even een bittertje gedronken, daarna volgde een korte kennismaking met de logeerkamer, aan den voorkant van het huis, waar men een heerlijk uitzicht had op het meer, en daarna voerde de controleur zijn door verbazing geslagen gast aan tafel. Een tafel, onverbeterlijk gedekt, met vroolijke bloemen, en een maal, dat men den Koning zou kunnen voorzetten.

De controleur praatte druk, over zijn werk, over de bruggen welke in zijn ressort werden gebouwd en over andere werken, noodig geacht in het belang van de bevolking. Uit alles bleek zijn kennis van zaken, zijn blijde toewijding voor het bestuurswerk en voor de belangen der inheemschen.

Zijn gast kon maar niet op gang komen, het was hem of hij droomde. Maar hij was te braaf en te eerlijk, dan dat hij deze vreemde beklemming langer kon dragen.

„Meneer van Langen, u moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik moet u iets vragen. U hebt hier een dag of veertien geleden toch den dokter gehad?”

„De dokter?? Nou!”… en de controleur lachte een blijden, uitbundigen lach. „En nu verwondert het u zeker, dat u een beetje anders ontvangen wordt?! Is het dat niet? zeg ’t maar ronduit. Maar u komt toch ook niet om te constateeren, dat ik met molentjes loop! Robbers had mij in bedekte termen geschreven, dat mijn briefwisseling met den [118]resident „zonderlinge vermoedens” gewekt had en dat de dokter eens zou komen kijken; daar begreep ik uit, wat het bezoek van dien pedanten vent beteekende, en ik heb ’t hem zoo makkelijk mogelijk gemaakt!”

„Maar”…

„Wat maar? Vraag maar op, ik heb aan Robbers opzettelijk niets geschreven; vraag en vertel, dan hoor ik meteen, wat die knul van ’n dokter aan den resident heeft gerapporteerd.”

„Ja, die leguaan …”

„O hemel, man, spreek er niet van! Ik ben er zelf twee dagen ziek van geweest. En je goed te houden, als je zelf doodmisselijk bent en je ziet een ander zich ’t binnenste buiten keeren. ’t Was een onbehoorlijke geschiedenis, maar was-ie tòch niet goed?”

Beide goedlachsche mannen brulden. Zelfs de keurige djongos kreeg het te kwaad en ging even de kamer uit.

„En die paarden?”

„Ja, wat vind je al niet uit om zoo’n man ’n goed lesje te geven. Maar hij was al weg, lang voor ik mijn programma had afgewerkt. Ik had ’t zoo goed voor elkaar. Het kan mij nu nog spijten, dat ik er niet van heb kunnen genieten, hoe de man zou reageeren op een spook in zijn kamer; jammer, hij is er stil vandoor gegaan, en Ali heeft hem erbij geholpen, maar hij heeft er ’n standje voor gehad, hè Ali?”

„Was deze djongos dan in het complot?”

„Natuurlijk! maar verder niemand. Er was toevallig een bruiloft in een naburige kampoeng, en daar heb ik mijn kokki en de oppassers heen gestuurd. Ik vond ’t niet goed om een Europeaan zóó te pakken te nemen in hun tegenwoordigheid, maar Ali is een ouwe getrouwe, die houdt z’n mond. Het was ’n lust, hoe die dokter erin geloopen is, en ik had welverdiende voldoening toen Ali mij den brief aan den resident liet zien, ik had hem dolgraag gelezen! Het schrijven van dien brief heb ik hem ook makkelijk gemaakt, door in zijn overigens niet overvulde kamer wat papier en potlooden en zelfs postzegels te strooien. Mijn postzegels heeft hij gebruikt om aan mijn chef te schrijven, dat ik stapelgek ben! Is ’t niet heerlijk? Ik heb hard gewerkt voor dit blijspel, al mijn meubels moesten het huis uit en in mijn kantoorlokalen worden [119]opgeborgen; ’t heette, dat er groote schoonmaak moest gehouden worden. Maar ik had het er voor over, niet alleen die pedante knul, ook de resident moest een lesje hebben!”

Nu ging er weer een brief naar „beneden”, de architect lichtte Robbers over het geval in; deze stapte snel naar den resident, en het kostte hem heel wat moeite zich goed te houden en zoo zakelijk mogelijk te blijven.

En dienzelfden dag nog renden ijlboden den dokter achterna met een brief van den resident. De brief was zwaar gelakt en in de hoeken waren een paar kippeveeren gestoken en met lak bevestigd; dit was voor iederen looper, die den brief van zijn voorganger overnam, het bewijs, dat groote spoed vereischt was. En in dien brief gaf de resident aan Jan Mes den raad om langs een anderen weg naar Kota Balei terug te keeren, en hij verzocht hem in gansch niet vriendelijke termen om in het vervolg wat meer op zijn hoede te zijn.

Om de kletstafel in de sociëteit zaten dien dag weer eenige mannen te deinen op hun wipstoelen, de voeten op de ijzeren staaf. En Robbers maakte den dokter voor eeuwig belachelijk; niet alleen met dat doel vertelde hij het verhaal in kleuren en geuren, maar vooral om zijn braven makker te rehabiliteeren.

Ornament met varaan.

[121]


1 Bij „het militair” in Indië spreekt men van de Militaire Willemsorde als „het ridder”; zelfs het geslacht van een Javaansche keukenprinses ondergaat wijziging: „het kokki”. „Pil” is de vermakelijke titel van den officier van gezondheid bij Jan Fuselier; een goed dokter weten onze brave Jantje’s en „Kromo’s” (Inlandsche soldaten) zéér te waardeeren.