Title: Waar mensch en tijger buren zijn
Author: L. C. Westenenk
Illustrator: L. S. W. van der Noordaa
Release date: June 23, 2024 [eBook #73896]
Language: Dutch
Original publication: 's-Gravenhage: H. P. Leopold's Uitgevers-Mij, 1927
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg. (Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
WAAR MENSCH EN TIJGER
BUREN ZIJN
Deze schetsen zijn van verschillenden aard.
Het eerste gedeelte ervan is gewijd aan de mysterie der Natuur van den Nederlandsch-Indischen archipel, zooals zij door devoot geloovende menschenkinderen is saamgeweven met hun godsdienst en met overleveringen over voorvaderen en onzichtbare wezens. Dat geloof is het eigen animisme, beïnvloed door de Hindoe’s, die reeds in de eerste eeuwen onzer jaartelling immigreerden; en sedert enkele eeuwen werkt vooral de Islam in en doet het warmgetinte beeld door een nivelleerende deklaag langzamerhand verdwijnen. Het laagje is nog dun en op de meeste plaatsen doorzichtig, maar het werk wordt meedoogenloos voortgezet.
De legendarische verhalen worden gegeven met den ernst, waarmede zij als geschiedenis of wetenschap worden aanvaard door de plaatselijke inheemsche bevolking.
In het tweede gedeelte worden verschillende gebeurtenissen geschetst, welke zich afspeelden in diepe binnenlanden en eenzame uithoeken. Ook worden schetsen gegeven van enkele merkwaardige wilde dieren, zooals de mensch hen kan leeren kennen.
Aan den rand van het oerwoud is de plaats van handeling van bijna alle deze schetsen; waar de brave, gave natuurmenschen wonen en waar zij de buren zijn van de dieren der wildernis.
Ook de meeste dieren leven daar, en niet in het diepst van het oerwoud. Niet dáár, waar de galmende argusfazant voor eeuwig moet verblijven, de ondankbare, op wien de vloek rust van den rossen boeboet, den spoorkoekoek, die hem de prachtige sieroogen had geschilderd [X]op de lange staart, maar die beloond werd met sirih-spog, waarvan zijn veeren nòg de kleur dragen.
Het meeste leven is aan den bosch-zoom, waar de mensch geleidelijk voortschrijdt, hakkend en kappend aan de grootheid der woudreuzen om den vruchtbaren humusbodem te kunnen ontginnen, en waar telkens een gedeelte der eens bewerkte gronden weer verwildert, waardoor dichte opslag ontstaat van jong hout en van planten, een dorado voor allerlei dieren. Daar zijn, naast het gedempte licht en de koelte der bosschen, de open hemel en de felle zonnebrand op de bouwvelden der menschen, en alles wat voedsel zoekt komt er saam.
Met het oerwoud, de rimba, zijn in het bijzonder bedoeld de ongerepte bosschen op Sumatra.
Hier vooral, op dit eiland met zijn ontzagwekkende vulkanen en ravijnen, zijn droomende kratermeren en woeste rivieren, is het de Loerende Verschrikking, die alles beheerscht in de mystiek der wildernis. HIJ, wiens naam men in het oerwoud nimmer noemt, met het felle oog en den nooit missenden klauw, die in den bliksemsnel-suizenden aanval een flitsende lichtschijn is van geel en grauw.
Hier ook breken de Grooten van het woud op hun eindelooze zwerftochten nieuwe wegen in de bosschen, met klaroengeschal en daverend geweld.
Uitdrukkelijk wordt verklaard, dat de beschreven gebeurtenissen en feiten—ernst en luim—geen verdichtsels zijn; slechts in enkele schetsen zijn de namen van personen of plaatsen veranderd. Te goed ben ik mij bewust, dat de waarheid van het geschetste de eenige werkelijke waarde ervan zal kunnen uitmaken.
De teekeningen in dit boek zijn van de hand van den beeldhouwer L. S. W. van der Noordaa, de omslag is geteekend door mijn zoon.
Wassenaar, Februari 1927. [XI]
Voorwoord Blz. IX
SCHEMERING
| I. | Het Oudste Wezen op Aarde, en de Mensch | 3 | |
| II. | Van Mensch tot Tijger | 5 | |
| III. | Maleische Spookmenschen: | ||
| 1. | De „Orang Boenian” | 13 | |
| 2. | Zij, die niet geloofden | 20 | |
| 3. | Spokennacht | 22 | |
| IV. | Wilde dieren als beschermgeest van den mensch: | ||
| 1. | De Volgtijger | 25 | |
| 2. | Radoe | 29 | |
| 3. | De Pawang Rimba en zijn Beschermer | 33 | |
| V. | Beno, de Stuwvloed | 37 | |
LICHT EN SCHADUW
| VI. | De Menschen-eter | 49 |
| VII. | Onder den voorpoot van een olifant | 63 |
| VIII. | De lichttoren aan den Vlakken Hoek | 79 |
| IX. | De Solitair, en hoe hij ons jaagde | 87 |
| X. | De krankzinnige Controleur | 99 |
| XI. | Penjoe, de trage Zeeschildpad | 121 |
| XII. | Telegoe, de Stinkdas | 129 |
| XIII. | Jozef, de Neushoornvogel | 137 |
| XIV. | De eerste ontmoeting met Baby-Olifant | 149 |
| Aanteekeningen | 159 |
[1]