Eerst te vier uur was de vergadering met de ambtenaren, hoofden en notabelen van Manna afgeloopen en kon ik in mijn fonkelnieuwe, lichte Amerikaansche auto naar Bengkoelen terug keeren.
Een rit, langs den kustweg, van 123 kilometer. Dit is voor Zuid-Sumatra nu niet zoo’n belangrijke afstand, maar het traject heeft zijn bijzondere moeielijkheden, doordat er vijf breede riviermonden in liggen, welke niet overbrugd zijn. En in den tijd, waarop deze schets betrekking heeft, bestond er nog geen geregeld autoverkeer; mijn wagen was de eerste automobiel, welke dit traject aflegde.
De overvaart aan de riviermonden geschiedde met vlotten van op elkaar gebonden lagen bamboe’s; dit was voor het licht verkeer voldoende. Weliswaar sloegen die vlotten bij bandjir’s dikwijls weg en werden in de branding aan flarden gebeukt, en het nam eenige dagen om nieuwe vlotten te maken, zoodat aan beide oevers een kamp ontstond van wachtende transportkarren, maar dit gebeurde ook dikwijls wanneer bandjir’s het oversteken gevaarlijk maakten; dat was zoo erg niet, men had geen haast; en de karrevoerders wisten met een gezellig dobbelpartijtje en veel slaap den tijd wel te dooden.
Mijn auto, de baanbreekster voor een nieuwen tijd, bracht de eerste malen groote ontsteltenis voor hen, die de overvaarten geregeld bedienden, eenvoudige brave mannen uit de binnenlanden, die met open mond en verbleekte gezichten den snorrenden wagen met onverwachte [150]snelheid zagen aankomen, zonder eenig trekdier; en nog meer schrikten zij van het gewicht van het nieuwe voertuig, dat gewoonlijk de vlotten onderdompelde en, tot de assen in het water, van oever tot oever overzwaaide. Het spreekt vanzelf, dat er allerlei kleine en grootere ongelukjes gebeurden bij het op- en afrijden van de wankele vlotten, die volstrekt niet altijd behoorlijk konden worden vastgemeerd aan de telkens door bandjir’s aangevreten oevers.
En indien automobielen wezens waren met rede begaafd, dan zouden zij, die gefolterd zijn om en bij bamboe-vlotten in Zuid-Sumatra, gedenkschriften hebben nagelaten, welke reeds lang aanleiding zouden hebben gegeven tot het bijeen roepen van een congres tegen koloniale gruwelen.
Nu hebben alleen de eigenaren pijnlijke herinneringen, welke vastgelegd zijn in bundels kwitanties van auto-herstellers.
Maar toen ik dien dag in mijn licht Amerikaantje stapte, had ik dergelijke souvenirs nog niet, en dien keer werden ze mij toevallig bespaard.
Het was een bijzonder warme dag geweest, op het nog kale plein voor de nieuwe Controleurswoning trilden de hittegolven.
Maar indien men eenmaal in beweging is, hindert de hitte niet meer, en zij was het dan toch ook, die de heerlijke geur gestoofd had uit de kruidnagelboomen langs den weg. Prachtige boomen zijn het, en zij zouden doen denken, dat de cultuur loonend zou zijn voor deze kuststrook, een verwachting, die ook Raffles had. Maar de verschillende proeven zijn mislukt, en van de laatste ervan zijn alleen deze boomen overgebleven; bij de inheemsche bevolking houden zij de herinnering wakker aan den Controleur, die ze liet aanplanten1, en dien zij nog steeds den Kruidnagel-meneer noemen, toean tjabé tjongkah, een man, die streng èn goed was en daarom dankbaar herdacht wordt.
De zon daalde tropisch snel, en nu trad de mooiste periode van den Indischen dag in,—als de scherpe lichtcontrasten plaats maken voor de halftinten, als de hemel niet zoo strak blauw meer is en de wolken zich voorbereiden om zich te tooien met de wondere pracht van kleuren, waarmee de zon haar en den hemel tinten zal.
Bij een der rivierovergangen moest rust worden gehouden, de veerlieden hadden het nog druk met het herstellen van het vlot, dat op een [151]of andere manier een knauw had gekregen. Ik was er dankbaar voor, omdat het bosch aan de kust hier een eigenaardige bekoring heeft, en ik glipte weg in de stilte onder de machtige aroe-boomen.2
Het fijne loof van deze casuarinen doet op het eerste gezicht sterk denken aan naalden en men noemt ze wel eens denneboomen, ook omdat de afgevallen grijsbruine naalden den bodem dik bedekken, als in een dennebosch; maar verder gaat de vergelijking niet op met deze reuzen van veertig, vijftig meter hoog en met hun ijl, grijsgroen loof, dat elken harsgeur mist.
De bodem is er droog en egaal bedekt door de doode naalden, die op hun weg van boven dikwijls een tijdlang hangen blijven aan de losbladderende schors der boomen. Door de ijle struiken, die het onderhout vormen, ziet men den oceaan, geheel open tot aan de zuidpool. De witte rollers eindigen eeuwig weer in een laatsten rimpel, die zich in bochtige, telkens veranderende lijn, zacht uitstrijkt over het heldere, vlakke zand.
Het bruisen van de branding wordt in het ijle loof nagefluisterd; maar beneden, tusschen de zware stammen, heerscht de stilte. En als er in de gloeiende middaguren van mooie dagen geen zuchtje wind is, als de kleffe zeelucht niet verwaait, dan hangt de stilte loodzwaar neer; de cicade, die hier het eenige levende wezen schijnt en die halfweg een stam zijn hoog-snerpend deuntje telkens weer herhaalt, kan die stilte niet verbreken, accentueert nog meer de eeuwige rust en de verlatenheid.
Aan den horizont streepte een lange rookveer, daar stoomde een boot, een mailstoomer misschien naar Holland, naar onze kinderen …
Een scherpe steek op mijn hand riep mij plotseling uit het lieve vaderland terug. Een roode mier was van den stam, waar ik tegen geleund stond, op mij overgewandeld en nam bezit van de onverwachte prooi; zij zijn verzot op vleesch, deze kararangga’s, ze slaan de vervaarlijke kaken er stevig in, en zegevierend tilt het achterlijfje zich loodrecht op.
Arme drommels, hij en ik, wat waren we een oogenblik in de war! Ik was even, in een droom, in het verre vaderland, hij, in zijn vitaliteit, [152]dacht zich zóó zeker van zijn prooi. Ik maakte zijn greep los en zette hem weer op zijn stam, waar hij even verdwaasd neerzat, maar dan vlug de pijnlijke kaken bevoelde, het achterlijfje in verbazing hoog in de lucht.
En nu ik weer tot de werkelijkheid terug gekeerd was, merkte ik niet meer alleen te zijn; aan het strand liepen twee kleine meisjes in haar nationaal badkostuumpje een eind de zee in; ook hier doen de kinderen aan „pootje baden”; maar zij waren zoo doodverlegen, toen zij den vreemden man ontdekten, dat ik me bepaald schuldig voelde en mij weg haastte, naar de auto, die reeds aan den overkant van de rivier stond te wachten; en Amin, mijn brave chauffeur, keek zacht verwijtend, wij moesten immers nog zóó ver!
Het weggedeelte dat nu volgde, voert door een der eenzaamste streken van Sumatra, welke men per auto kan doorkruisen. Links, aan de westzijde, loopt een smalle rand van jong bosch, dat het uitzicht op den oceaan afsluit. Aan den oostelijken kant strekken zich zwaar begroeide moerassen uit, ontstaan door de bandjir’s der rivieren als zij worden teruggedreven door den springvloed uit zee, en waardoor de lage oevers en het vlakke land overstroomd worden. Breeduit getakte ficusboomen steunen als met tal van licht gekleurde armen hun reusachtig dak, de zijtakken vormen loopbruggetjes naar andere boomen in een chaos van groen en van lianen en hoog klimmende, doornige rotans. De bodem is grootendeels drassig en staat in den regentijd diep onder water; er groeien pandanen en andere scherpbladige planten, en overal staan boschjes van jonge rotan, alles dicht, doornig en scherp. En worstelt de mensch zich door dien chaos, dan hangen overal, altijd juist ter hoogte van zijn oor, de bekende weerhaakjes aan de punt der sierlijke vederbladeren van den rotan, en telkens doen zij hun werk en zij bijten het gevangen oor nijdig hun bijnaam in: „wait-a-bit!”
In deze ondoordringbare moerasbosschen, waar men maar zelden het geluid van vogels hoort, zal de wereld van klimmende dieren misschien de overhand hebben, maar zij zijn ook een dorado voor slangen en varanen2; en het wilde varken vindt er altijd nog droge plaatsen genoeg om er in groote gezelschappen te leven. Zelfs de slimme olifant [153]komt er geregeld; hij heeft er, van geslacht op geslacht, zijn veilig gebleken paden in vast getrapt en ze in de moerasranden uitgeschuurd. Wee! den jager—ik ondervond het later persoonlijk—die zich foppen laat en zonder dubbel op zijn hoede te zijn, een aangeschoten olifant volgt in zulke bosschen, in de overtuiging, dat de tonnen-zware reus hulpeloos en verloren is in die moerassen. Den Grooten van het woud deren bovendien de dorens van pandan en rotan niet, zij eten zelfs met smaak de jonge, stekelige uitspruitsels; en als zij de weeke onderlip maar met den slurf beschermen en de oogen dicht knijpen, dan loopen zij, op hun massieve rubber-zolen, door de dichtste dorenbosschen als een voetbal door het gras.
Die moerasbosschen zijn niet zwaar bevolkt, maar zij huisvesten eigenlijk alle dieren, behalve den tapir en den neushoorn. Ook de malaria-muskieten, de gevaarlijkste sluipmoordenaars van Indië, wonen er, en zij zijn een terreur voor de schaarsche bevolking van deze kust.
Het was dien dag bijzonder stil langs den eenzamen weg. Ik had gehoopt den zwarten panter terug te zien, die er eens mijn weg gekruist had, de slanke, hoogbeenige kat met den overdreven langen staart. Maar zelfs de varkens, die er in den laten namiddag gewoonlijk de bermen van den weg omwoelen, ontbraken; ik moest mij tevreden stellen met één reusachtigen varaan, die vlak voor de auto overstak en die slechts, door er een vervaarlijke versnelling in te zetten, nog juist aan de voorwielen ontsnapte; in het gras aan den kant stak hij zijn bespottelijk lange tong tegen ons uit.
Amin lachte. Hij was in zijn schik met den nieuwen wagen, die zoo geruischloos liep; dat was toch wel heel wat anders dan onze oude Fiat, hoe trouw deze ons ook gediend had; hij zat met trotsch-rechten rug aan het wiel, en ook hij genoot blijkbaar van de invallende koelte na den gloeienden dag, die in een vlammenzee van ons afscheid nam.
Snel viel nu de duisternis in, zonder merkbare schemering, en de bosschen werden zwart, nog vóór de wolkjes aan den hemel afstand konden doen van de zachte tinten in oneindige afwisseling, die het laatste licht hun gaf.
Aan den onderrand van het bosch, waar het àl zwarter werd, kriekten [154]de krekels hun liedje, slechts hier en daar begeleid door het gezellig kwakken van een kikker in zijn plas.
En voort snorde de motor langs den witten grindweg. Het was al hoog tijd om de lantarens op te steken, maar Amin reed steeds zoo lang mogelijk zonder lichten; hij had enkele jaren een vrachtauto gereden met zulke slechte carbid-lampen, dat hij het veiliger achtte tot de uiterste grens op zijn scherpe oogen te vertrouwen, ook de carbid-lantarens van de Fiat waren verre van schitterend; en ik liet dergelijke dingen geheel aan hem over, den trouwen, zwijgzamen kameraad, die met zijn baas en zijn wagen heel wat meegemaakt heeft in de wildernis.
Maar nu werd het oppassen. Al was de witte weg nog duidelijk te onderscheiden, het bosch was zwart als inkt geworden, en men kan in de woeste streken van Sumatra nimmer weten, wat plotseling uit den boschrand schieten kan. Amin en ik hebben samen wonderlijke dingen beleefd, en men moet zelf de sensatie hebben genoten een snoezige tijgerwelp in het licht der lantarens voor de autowielen te zien hobbelen, met de stellige overtuiging, dat een razende moeder in den zwarten boschrand mee-galoppeert, om de wilde bekoring van een nachtrit door een wildernis als deze te begrijpen.
Nog drie bochten in den weg en wij zouden voor de Ngálam staan, de grilligste en gevaarlijkste van alle riviermonden, nog slechts 45 kilometer van huis.
Wij scherpten beiden de oogen.
Was het niet, of daar, even uit de bocht, een huis stond? Maar … midden op den weg, dat kon toch niet, en hier woonde geen levende ziel. Wat ik daar zag, was ook zwarter, en had boller vormen.
Wàt kon dàt zijn?! „Stop, Amin, ada hal, daar is iets vreemds!”
Hij ontdekte het op hetzelfde oogenblik, remde met alle macht en zette de motor af. De ontzaglijke stilte van den nacht kwam over ons, geen krekel zong, alleen heel in de verte gromde zacht de branding. En zestig meter vóór ons, lag op den weg een zwarte, platte heuvel. „Allah!”… en Amin rilde, „wat is dat, meneer?”
„Allem …” fluisterde ik, „dat moeten wel olifanten zijn, Amin!”
„Olifanten??”… zei hij doodverbaasd; hij was geen jager, en ik [155]wist, dat hij nog nooit een olifant gezien had; „maar meneer, zullen we dan gauw draaien en terug gaan naar de pasanggrahan in Talo?”
„Amin, dat kàn niet; als wij probeeren te vluchten, komen ze stellig op ons af; en je weet, hoe ze met ossekarren doen, ze pakken de ossen tusschen de boomen weg en zeilen de huif van kadjangmatten de boomen in; zulke dingen zullen ze met onzen wagen ook probeeren, èn met ons.”
Maar wat dan?! We moesten toch iets doen. Al fluisterden wij, de dieren moesten al lang begrepen hebben, dat daar iets was, dat hun daadwerkelijke belangstelling waard was; alleen het vreemde, het voor hen nieuwe geluid moet hen bevangen hebben. Voorzoover wij zien konden, kwam er geen beweging in den zwarten klomp.
„Maar u hebt toch een geweer!” vond Amin plotseling uit, en het kostte mij moeite hem duidelijk te maken, dat men niet met een gladloops jachtgeweer in het donker optrekt tegen een front van opgeschrikte olifanten. Maar wat dàn?? pijnigde ik mijn hersens; bovendien ik wilde zoo graag meer weten van dien geheimzinnigen zwarten klomp, maar hoe?
Het was weer Amin, die een helder oogenblik had, en nu bracht hij de beslissing: „Mijn vriend Kono, die oude Javaansche chauffeur, heeft me eens gezegd: als je ooit het ongeluk hebt ’s avonds een olifant op den weg te ontmoeten, steek dan dadelijk je lantarens op, daar zijn ze bang voor,” en met stak Amin de hand in zijn zak, op zoek naar lucifers. Maar tegelijk bedachten wij onnoozelen ons eindelijk, dat deze nieuwe wagen electrische lampen had … en klik! daar lag de zwarte klomp bestraald door twee felle bundels licht. Inderdaad, rustende olifanten! en zij sloten ons geheel van de bewoonde wereld af; waarschijnlijk kwamen zij uit de moerassen en zij genoten van den nog warmen weg. Maar dadelijk stond een hunner op, en anderen volgden. Oogen knipperden, ooren wapperden, slurven slingerden, maar er was geen flikkering van zwaar ivoor. Het gezelschap, ongeveer tien man sterk, waggelde zeer onrustig heen en weer. Wat zouden zij doen? de seconden leken minuten; ze konden blijkbaar maar niet tot een beslissing komen. [156]
Eindelijk scheidde een der grootste dieren zich af en wandelde links het bosch in; ik zie nog voor me de lijn van tegenzin en ergernis in den korten nek, en ik voel nog de ontzaglijke spanning van dit oogenblik … zouden de anderen volgen, en wat zouden zij dàn doen, als zij eens in de beschermende schaduw waren??
„Gauw, Amin, zet de motor aan, wij moeten zoo snel mogelijk er langs, als ze allen van den weg zijn.”
„Ja, maar …”
„Heusch, jongen, het moet; het is onze eenige kans!”
De motor ronkte, Amin rilde, ik misschien eveneens, maar ook het sportvuur laaide op.
Het zoemen van de motor deed de dieren tot een beslissing komen. Een tweede olifant volgde den eerste in het bosch, en daarachter kwam een nog grooter dier, een moeder blijkbaar, want, achter tegen haar aangedrukt, schommelde een alleraardigst rond olifantje, een reuzespeelbal van circuspaarden op dikke zuiltjes, de baby van den troep.
Negen dieren zagen wij zoo, stuk voor stuk, in den boschrand verdwijnen, de weg was vrij!
„Vooruit Amin, bismillah, de Heer helpe ons!”
Amin zette kloek de zaak in, het ging om ons leven, en de eerste zestig meter gaven ons een spanning, welke ik nimmer vergeten zal. Nog tien meter … de weg was nog vrij … en wij stoven langs de fatale plek. Wij keken beiden snel links, ik zag, dat Amin schrikte, een reusachtig dier stond geen vijf meter van ons … vooruit!!
Dan scheurde de lucht plotseling door een schetterende fanfare als uit honderd klaroenen, de betoovering door het felle licht was voorbij, nu gingen acht slurven en één heel klein slurfje recht in de lucht en achttien ooren werden plat aangedrukt … „tèèèèèèèèèèt, alarm! de vijand!!”
Aan het stuurwiel klonk een rauwe gil … „O, Allah, daar komen ze!” en Amin trapte het gas in de motor, de lichte wagen sprong gehoorzaam vooruit, maar als een dronken man, want in Amin’s nek was iets niet pluis, met ontstellende kracht sloeg hij eenige malen met de eene hand [157]op de opstandige nekharen, en de andere had alle zekerheid verloren … „Ja, Allah, ze zitten ons naaaaaaa!!!”
Ik keek om, maar zag niets achter ons aanhollen … toen barstte ik uit in een onbedaarlijk lachen om de malle vertooning.
Maar ik klopte Amin op den schouder, en wij wenschten elkaar geluk, dat men dien avond thuis niet vergeefs op ons zou wachten.
Zoo was de eerste kennismaking met Baby-Olifant. Ik had hem in den boschrand niet meer zien staan, maar ik zou hem twee jaar later terug zien in een avontuur, waar mijn zoon, student met verlof, en ik slechts door een wonder heelhuids af kwamen; Baby’s moeder kwam daarbij te vallen, later sneuvelde ook zijn oom door onze kogels, in een moerasbosch, waar hij ons aanviel en mij bijna de gelegenheid ontnam om ooit deze schets over Baby’s familie te schrijven. Maar een venijnige tante nam de zorg voor het weesje over. En eens lazen wij uit de sporen, dat tante en Baby, achtergeraakt bij den troep, plotseling in wilden ren een nieuwen weg door het bosch hadden gebroken; en wij begrepen aan welk gevaar het jonge baasje ontsnapt was, omdat wij midden in het versche spoor van Baby’s achterpoot een nog verscher spoor zagen van Hem, wiens naam men in de wildernis niet noemen mag.