[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN GARNIZOEN IN SCHOTLAND.

Onder verschillende aandoeningen, waarvan de voornaamste was een algemeen beklemmend en tevens plechtig gevoel, dat hij op het punt stond om nu grootendeels aan zijn eigen beheer en leiding te worden overgelaten, verliet Waverley den volgenden morgen het kasteel, te midden der zegenwenschen en tranen van al de oude bedienden en inwoners van het dorp, vermengd met een of ander bescheiden verzoekje, om sergeants- en korporaals-strepen, enz. van hen, die betuigden dat zij er nooit aan gedacht zouden hebben Jacob, Gillis en Jonathan soldaat te laten worden, tenzij om, volgens hun plicht, hunnen jongenheer te vergezellen. Volgens Eduards plicht, maakte hij zich van die beden af met minder beloften, dan men ligt van een jonkman van zoo weinig wereldkennis zou hebben verwacht. Na een kort bezoek te Londen reisde hij te paard, destijds het algemeen gebruik, naar Edinburgh, en vandaar naar Dundee, een zeehaven aan de oostkust van Angus, waar zijn regiment in garnizoen lag.

Thans trad hij een nieuwe wereld in, waar hem een tijdlang alles mooi toescheen, omdat het nieuw was. Kolonel Gardiner, de bevelvoerende officier was zelf een studie voor een romanesk en tevens nadenkend jongeling. Hij was rank, knap en vlug, ofschoon niet meer jeugdig. In zijn jonge jaren was hij, wat men, verzachtender wijze, een pretmaker noemt, geweest; en er waren zonderlinge verhalen in omloop omtrent zijn plotselinge bekeering van twijfelzucht, zoo niet van ongeloof, tot eene ernstige en zelfs geestdrijvende stemming. Men fluisterde elkander in het oor, dat een bovennatuurlijke invloed, die zelfs voor de zinnen was waar te nemen geweest, dezen wonderbaarlijken ommekeer had te weeg gebracht, en schoon sommigen den nieuwbekeerden een dweeper noemden, dacht er niemand aan, hem voor een huichelaar te houden. Deze vreemde en geheimzinnige omstandigheid verleende den kolonel Gardiner iets bijzonder indrukmakends in het oog des jongen krijgsmans.1 En men mag met grond veronderstellen, dat onder de officieren van een regiment, door zulk een achtbaren man aangevoerd, een bedaarder en ordelijker geest heerschte, dan gewoonlijk; en dat Waverley daardoor aan menige verzoeking ontkwam, waaraan hij anders zou hebben blootgestaan.

Intusschen werd zijn opvoeding als krijgsman voortgezet. Daar hij reeds goed te paard zat, werd hij ingewijd in de kunsten der hoogere rijschool, die, tot volkomenheid gebracht, de fabel van den Centaurus bijna verwezenlijken, daar het besturen van het paard veeleer alleen van [38]des rijders wil schijnt af te hangen dan van eenig uitwendig teeken of beweging. Desgelijks ontving hij onderwijs in den velddienst. Maar ik moet bekennen, dat, na het bekoelen van het eerste vuur, zijne vorderingen, wat het laatste betreft, niet zoo waren, als hij gewenscht en verwacht had. Het beroep van officier, het eerbiedwekkendste van allen voor een onervaren ziel, omdat het met zooveel uiterlijke pracht gepaard gaat, is in den grond iets zeer droogs en afgetrokkens, daar het hoofdzakelijk op rekenkunstige verbindingen berust, die veel oplettendheid vorderen, benevens een koel en beredeneerd hoofd, om ze in werking te brengen. Onze held was onderworpen aan aanvallen van verstrooidheid, bij welke gelegenheid zijn misslagen gelach, ja somtijds berisping uitlokten. Dit gaf hem een pijnlijk gevoel van minderheid in die hoedanigheden, welke bij oudgedienden van groote waarde schenen en door hen het meest geëerbiedigd werden. Hij vroeg zich zelven te vergeefs, waarom zijn oog niet even goed over afstand en ruimte kon oordeelen, als dat van dezen en genen zijner makkers; waarom zijn hoofd niet altijd slaagde in het ontwarren der verschillende afzonderlijke bewegingen, tot het uitvoeren van een bepaalde verrichting vereischt; en waarom zijn geheugen, in de meeste gevallen zoo vlug, de kunsttermen en kleinere punten van etiquette, of krijgstucht, niet nauwkeurig wist te onthouden. Waverley was zedig van aard, en verviel dus niet tot den groven misslag van te denken, dat zulke kleinigheden van de dienst zijn aandacht niet verdienden, of zich te verbeelden, dat hij voor generaal in de wieg gelegd was, omdat hij slechts een zeer middelmatig ondergeschikt krijgsman was. De waarheid was, dat de ongeregelde en vluchtige wijze van lezen, die hij gevolgd had, op zijn tot afzondering en mijmering overhellenden aard, haar invloed uitoefende, en hem die weifelende neiging had medegedeeld, welke in volslagen strijd is met eigenlijke studie en gestadige oplettendheid. Inmiddels was hij geweldig met zijn tijd verlegen. De adel uit de nabuurschap was ongunstig voor de regeering gestemd, en betoonde den militairen bezoekers weinig gastvrijheid; en de stedelingen, die hoofdzakelijk in den handel hunne bezigheden vonden, waren geen lieden, met wie Waverley wenschte in betrekking te komen. Het begin van den zomer, en het verlangen om iets meer van Schotland te leeren kennen, dan hij op een wandelrid kon waarnemen, brachten hem er toe voor eenige weken verlof te vragen. Hij besloot eerst den ouden vriend en correspondent van zijn oom te bezoeken, met het oogmerk om den tijd van zijn verblijf naar gelang der omstandigheden te verlengen of te bekorten. Hij reisde natuurlijk te paard, en met een enkelen bediende, en bracht den eersten nacht door in een ellendige herberg, waar de waardin schoenen noch kousen droeg, en de waard, die zich een fatsoenlijk man noemde, veel lust had zijn gast onbeschoft te behandelen, omdat deze het genoegen van zijn gezelschap bij het avondeten niet had verzocht.2 Den volgenden dag trok Eduard een opene, onomheinde landstreek door, en naderde langzamerhand de Hooglanden van Perth, die in het eerst zich als een blauwe streep aan den gezichteinder hadden vertoond, maar nu tot zware reusachtige massa’s aangroeiden, die dreigende op de vlakte onder haar nederzagen. Dicht aan den voet [39]van dezen geweldigen scheidsmuur, echter nog in het Laagland, woonde Cosmo Comyne Bradwardine van Bradwardine; en zoo de grijze oudheid eenig geloof verdient, dan hadden zijne voorvaderen, met al hunne erven er gewoond sedert de aloude dagen van den edelen koning Duncan.


1 Zie Aanteekening D. Kolonel Gardiner. 

2 Zie Aanteekening E. Schotsche herbergen.