[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN SCHOTSCH HEEREN-HUIS, ZESTIG JAAR GELEDEN.

Het was omstreeks den middag, dat kapitein Waverley het wijd uit elkaar gebouwde dorp, of liever gehucht, van Tully-Veolan binnenreed, in welks nabijheid het huis van den heer der plaats gelegen was. De woningen zagen er jammerlijk uit, inzonderheid voor hem, die aan de bevallige netheid der Engelsche boerderijen gewoon was. Zonder dat er eenigen regel bij in acht genomen was, stonden ze aan weerszijde van een soort van slingerenden oneffen weg, waar kinderen, bijna in den oorspronkelijken staat van naaktheid, lagen te spartelen, als om door de hoeven van het eerste het beste voorbijkomende paard vertrapt te worden. Nu en dan, wel is waar, wanneer zulk eene gebeurtenis onvermijdelijk scheen, schoot een grootje, dat het oog op hen hield, met haar kap, spinrokken en klos te voorschijn, stormde, als een bezetene, een der ellendige hutten uit, en wierp zich midden op den weg, terwijl ze uit den hoop van door de zon verbrande bengels den haren oppakte, hem met een duchtigen stomp begroette en in haar hol terugbracht, gedurende welken tijd het witharige knaapje uit al zijne macht schreeuwde en een gillenden tremolo aanhief, tot accompagnement van de grommende bestraffingen van het verwoede wijf. Eene andere partij van dit concert werd uitgevoerd door een twintigtal nut- en werkelooze honden, die onophoudelijk knorrende, blaffende en huilende de paarden vervolgden en aanvlogen; een overlast te dien tijd in Schotland zoo algemeen, dat een Fransch tourist, die, even als andere reizigers, een goeden en redelijken grond voor alles wat hij opmerkte wenschte te vinden, als een der merkwaardigheden in Schotland heeft opgeteekend, dat de Staat in ieder dorp een troep honden er op nahield, die dienen moesten om de chevaux de poste (te uitgehongerd en uitgeput, om zonder zulk een prikkel aan den gang gehouden te worden) van het eene dorp naar het andere te jagen, tot het volgende station. De kwaal en het middel (hoe het ook zij) bestaan nog. Maar dit ligt buiten ons tegenwoordig bestek, en werd alleen aangehaald ten gevalle der inzamelaars van belasting, het gevolg van des heeren Dent’s „Wet op het houden van honden.”

Naarmate Waverley voortreed, strompelde hier en daar een oud man, evenzeer door arbeid als door jaren gebukt, met oogen rood van ouderdom en rook, naar de deur van zijn hut, om de kleeding van den vreemdeling, en den gang zijner paarden aan te gapen, en verzamelde zich dan met zijn buren in een groep bij de smidse, om de waarschijnlijkheid te bespreken, van waar de reiziger kwam en waarheen hij ging. Drie of vier dorpsmeisjes, die van [40]de bron of de beek terugkeerden met emmers en kruiken op hare hoofden, leverden een aangenamer tafereel op, en herinnerden, met hare dunne, korte rokken, haar bloote armen, beenen en voeten, ongedekte hoofden en gevlochten haar, eenigszins aan de vrouwen die een Italiaansch landschap opluisteren. Ook kon geen liefhebber van het schilderachtige, iets afdingen op de bevalligheid van haar kleeding, noch de evenredigheid van haar gestalte, ofschoon, om de waarheid te zeggen, een Engelschman, naar het comfortable zoekende, een woord aan zijne vaderlandsche taal bijzonder eigen, de kleederen minder schamel, de voeten en beenen wat meer gedekt tegen het weder, en hoofd en aangezicht tegen de zon beschermd gewenscht, of zelfs gedacht zou hebben, dat de geheele persoon en kleeding aanmerkelijk winnen konden door een ruime toediening van bronwater, benevens de benoodigde hoeveelheid zeep. Het tooneel in het algemeen was niet opwekkend, want het getuigde op het eerste gezicht, zeker van gebrek aan industrie, en misschien aan verstandelijke ontwikkeling. Zelfs de nieuwsgierigheid, de vurigste hartstocht van den ledigganger, scheen in het dorp Tully-Veolan in een staat van lusteloosheid te verkeeren; – alleen de straksgenoemde rekels legden in dit opzicht eenige bedrijvigheid aan den dag; maar bij de dorpelingen was alles lijdelijk. Ze stonden den knappen jongen Officier en zijn knecht na te gapen, maar zonder dat ze door de levendige bewegingen en begeerige blikken de zucht verrieden, waarmede zij, die te huis aan een eentoonig gemakkelijk leven gewoon zijn, daar buiten naar vermaak uitzien. En toch lag er in het uitzicht van het volk, meer van nabij bekeken, alles behalve onverschilligheid of stompheid; hunne trekken waren ruw, maar opmerkelijk schrander; ernstig, maar niet dof; en onder de jonge vrouwen of meisjes, zou een kunstenaar meer dan éen model hebben kunnen kiezen, in gelaatstrekken en vorm voor eene Minerva. Desgelijks hadden de kinderen, wier huid zwart gebrand en wier haar wit gebleekt was, een levendigen en belangstellenden blik. Het scheen over het algemeen, als of armoede, en luiheid, haar maar al te getrouwe gezellin, zich vereenigden, om den aangeboren aanleg en de verkregen kundigheden van een krachtigen, schranderen en nadenkenden boerenstand te onderdrukken.

Dergelijke gedachten doorkruisten het hoofd van Waverley, terwijl hij zijn paard langzaam door de oneffene met steenen bezaaide straat van Tully-Veolan liet stappen, in zijn bespiegelingen slechts gestoord door de kromme sprongen, waartoe zijn ros herhaaldelijk gedreven werd door de aanvallen van die jankende kozakken, – de voornoemde keffers. Het dorp was omtrent een kwartier gaans lang; want de onregelmatig verspreid liggende woningen waren door tuinen, of „erven,” gelijk de inwoners ze noemden, van elkander gescheiden, waarin, want het is zestig jaar geleden, de nu algemeene aardappel onbekend was, maar die bepoot waren met reusachtige koolplanten, omringd door heggen van brandnetels, waartusschen hier en daar een hoog opgeschoten dolle-kervel-steng of de nationale distel, die een deel der geringe omtuining overschaduwden wiessen. De ongelijke grond, waarop het dorp gebouwd was, was nooit geëffend: zoodat deze omheinde veldjes hellingen van allerlei steilte opleverden, hier rijzende als terrassen, daar weder diep dalende als looierskuilen. De steenen muren, welke deze hangende tuinen van Tully-Veolan beschutten, of schenen te beschutten, want ze waren vol gaten, waren gescheiden door een nauwen-gang, die naar de gemeente-weide heenvoerde, [41]waar door den gemeenschappelijken arbeid der dorpelingen strooken rogge, haver, garst en boonen gekweekt werden, elk van zulk eene geringe uitgestrektheid, dat de wonderlijke verscheidenheid der oppervlakte op een geringen afstand, op het stalenboek van een kleermaker geleek. Het was eene gunstige uitzondering, zoo hier of daar achter de hut een ellendig afdak gevonden werd, uit aarde, losse steenen en zoden bijeengebracht, waar de vermogende een uitgehongerde koe of een kreupel paard kon stallen. Maar bijna iedere hut was van voren beschut door een grooten, zwarten hoop turf aan de eene zijde van de deur, terwijl aan de andere de mesthoop zich in edelen naijver verhief.

Op een afstand van nog geen tweehonderd el van het einde des dorps ontwaarde men de omheiningen, met vrij wat ophef de parken van Tully-Veolan genaamd. Ze bestonden uit eenige vierkante velden, omringd en afgescheiden door steenen muren ter hoogte van vijf voet. In het midden der buitenste omheining was de groote poort, bestaande uit een boog met kanteelwerk van boven, en versierd met twee verweerde en verminkte steenbrokken, welke, indien men aan de dorpsoverlevering geloof mag slaan, eens twee staande beeren, het familiewapen van Bradwardine verbeeld hadden, of althans hadden moeten verbeelden. De rijweg achter de poort was recht en tamelijk lang; hij liep tusschen een dubbele rij zeer oude wilde kastanjes, om den anderen afgewisseld door ahornboomen, welke tot zulk eene verbazende hoogte waren opgeschoten, en zoo weelderig groeiden, dat hunne takken boven den breeden weg een dicht gewelf vormden. Achter dit eerwaardig geboomte, en daarmede evenwijdig, bevonden zich twee hooge schijnbaar even oude muren, met klimop, kamperfoelie en andere soortgelijke gewassen begroeid. De laan scheen zeer weinig begaan, en dan nog alleen door voetgangers; zoodat, daar ze zeer breed en aanhoudend beschaduwd was, ze met dik en welig gras was begroeid, uitgezonderd waar een pad, door enkele voetgangers gebezigd, den weg van de buiten naar de binnenpoort aanwees. Deze ingang bevond zich, even als de voorgaande, in het front van een muur, met eenig ruw beeldhouwwerk, en van boven met kanteelwerk versierd, waaroverheen de door het geboomte van de laan half verborgene, hooge, steile daken en smalle trap gevels van het heerenhuis uitstaken, en de hoeken met kleine torentjes voorzien waren. Een der groote deuren van deze poort was open, en daar de zon haar volle licht op het plein naar binnen wierp, drong een lange, schitterende straal door de opening in de donkere lommerrijke laan. Dit leverde een dier effecten op, welke de schilders zoo gaarne wedergeven, en het schitterende licht vermengde zich bevallig met de schemering, die zich een weg door de dichte takken baande, welke de breede, groene laan overwelfden.

De eenzaamheid en stilte van het geheele tooneel hadden iets kloosterachtigs: en Waverley, die zijn paard aan zijn knecht bij het binnenkomen der eerste poort gegeven had, wandelde de rijlaan zachtkens af, terwijl hij de aangename en koele schaduw genoot, en zóo ingenomen was met de vreedzame denkbeelden van rust en afzondering, die dit stille tooneel opwekten, dat hij de ellende en de morsigheid van het pas verlaten dorp vergat. Het binnenste van het geplaveide binnenplein stemde met het overige van het tooneel overeen. Het huis, dat uit twee of drie smalle, hooge gebouwen, met steile regthoekig van elkander uitgaande daken, scheen te bestaan, maakte de eene zijde der binnenplaats uit. Het was [42]gebouwd in een tijd, toen er geen kasteelen meer noodig waren, en de Schotsche architectuur de kunst nog niet verstond om een gezellig verblijf te ontwerpen. De vensters waren talloos, maar zeer klein: het dak was met rondloopende kanteelen voorzien en op elken hoek verhief zich een torentje, dat eer naar een peperbus dan naar een Gothischen wachttoren geleek. Nogtans getuigde het front geenszins eene volkomene gerustheid in tijden van gevaar. Er waren schietgaten voor geweren, en ijzeren traliën vóor de onderste ramen, waarschijnlijk om de zwervende benden van heidenen te verjagen, of weerstand te bieden aan een stroopend bezoek van de veedieven uit de naburige Hooglanden. Stallen en andere bergplaatsen besloegen de overzijde van het vierkant. De eerste waren lage gewelven, met nauwe spleten, in plaats van vensters, volgens eene opmerking van Eduard’s bediende, „eer gelijkende op een gevangenis voor moordenaren, dieven, en soortgelijke boosdoeners, dan op eene plaats voor Christenvee.” Boven deze kerkerachtige stallen waren korenzolders, en andere bewaarplaatsen, die men langs een buitentrap van lomp metselwerk bereiken kon. Twee muren met kanteelen, waarvan een aan den kant der oprijlaan, en de ander het binnenplein van den tuin scheidde, voltooiden de afsluiting.

Ook deze plaats had hare sieraden. In een hoek stond een lompe, ronde duiventil, in omvang en lompheid op het merkwaardige gesticht, Arthursoven geheeten, gelijkende, dat de hoofden van alle oudheidkenners in Engeland in de war zou hebben gebracht, zoo niet de waardige eigenaar er van het gedenkteeken tot herstelling van een bijgelegen dijk, had afgebroken. Deze duiventil, of columbarium, zoo als de eigenaar ze noemde, had geene geringe waarde voor een Schotschen land-edelman van dezen tijd, wiens schamele inkomsten vermeerderd werden door de heffingen, welke deze vlugge fourageurs op de boerderijen legden, en door de conscriptie onder hen ten behoeve van zijn tafel geheven.

In een anderen hoek was eene fontein, waar een verbazend groote beer, in steen uitgehouwen, voor een ontzaglijke steenen kom stond, waarin hij het water door zijn muil ontlastte. Dit kunststuk wekte de bewondering der landstreek, tien mijlen in het rond op. Ik moet niet vergeten, dat allerlei soort van beeren, klein en groot, half of geheel, uitgehouwen waren boven de ramen, op de gevels aan het uiteinde der goten en de torentjes ondersteunende, met het oude familiemotto, „Wacht u voor den beer,” dat onder elk dezer dieren te lezen stond. De plaats was ruim, wèl bestraat en zindelijk, daar er waarschijnlijk nog een ingang achter de stallen was, om de mest weg te ruimen. Alles in het rond had iets verlatens en zou, zonder het aanhoudende plassen der fontein, dood stil zijn geweest, terwijl het gansche tooneel wel geschikt scheen om aan Waverley’s verbeelding het denkbeeld van een klooster op te dringen. – Doch hier vragen wij verlof tot het sluiten van een hoofdstuk, waarin niets dan stil leven geschilderd werd.1 [43]


1 Zie Aanteekening F. Huis van Tully-Veolan.