Nadat Waverley zijn nieuwsgierigheid bevredigd had, door eenige oogenblikken rond gekeken te hebben, greep hij den massieven klopper der slotdeur, wier architraaf het jaargetal 1594 te lezen gaf. Maar antwoord volgde er op zijn geklop niet, ofschoon het geluid door een aantal kamers klonk, door de muren der binnenplaats van buiten herhaald werd; en het de duiven van de grijze rotunda waar ze verblijf hielden, opjoeg en op nieuw de verwijderde dorprekels in rep en roer bracht, waarvan ieder zich op zijn mesthoop had te slapen gelegd. Vermoeid door het verwekte rumoer, en de tergende antwoorden, die hij daarop ontving, begon Waverley te denken, dat hij op het kasteel van Orgoglio was aangekomen, zoo als dit door den overwinnenden prins Arthur werd betreden.
Hij ving nu aan met kracht te roepen in het huis;
Maar niemand was er wie zijn kreten mochten wekken.
Er ademde overal slechts stilte en dof Gesuis;
Geen stem weêrklonk, geen mensch liet ergens zich ontdekken.
Daar hij niets anders verwachtte dan „een oud, oud man te zien, met een baard zoo wit als sneeuw,” dien hij zou kunnen ondervragen over het verlatene woonhuis, keerde onze held zich naar een klein eiken zijdeurtje, rijkelijk met ijzeren spijkers beslagen, en dat in den muur van het plein aan den hoek van het huis werd aangetroffen. Dit deurtje was, in weerwil van het versterkte voorkomen, slechts op de klink, en bracht Eduard, nadat het geopend was, in den tuin, die een aangenaam gezicht opleverde.1 De zuidzijde van het huis, met vruchtboomen, en hier en daar met hoog langs de muren groeiende klimplanten bewassen, strekte den onregelmatigen en grijzen voorgevel langs een, deels bestraat deels met zand bestrooid, deels met bloemen en uitgezochte heesters omzoomd, terras uit. Dit terras leidde langs drie verschillende trappen, waarvan een in het midden was, en twee aan de beide einden geplaatst waren, naar den tuin, en was omgeven door een steenen borstwering met eene zware ballustrade, van afstand tot afstand versierd met logge, groteske figuren van dieren, op de hurken gezeten, waaronder de geliefkoosde beer herhaaldelijk voorkwam. Midden op het terras, tusschen een vleugeldeur in het huis en den middelsten trap, droeg een dezer dieren op zijn kop en voorpooten een zonnewijzer van grooten omvang, met meer meetkundige figuren bezet, dan Eduard in staat was te ontcijferen.
De tuin, die met de grootste zorg scheen onderhouden te zijn, en een overvloed van vruchtboomen bevatte, leverde een groote hoeveelheid bloemen, en palmstruiken in allerlei zonderlinge figuren geschoren op. De aanleg bestond in verschillende terrassen, die trapsgewijze van den westelijken [44]muur naar een breeden vliet afdaalde, die zich stil en effen vertoonde, in zoo verre hij den tuin tot grens diende; maar dicht aan het einde liep hij bruisend over een sterken dam, de oorzaak van zijn schijnbare kalmte, en terwijl hij daar een waterval vormde, was er aan den oever een achthoekig koepeltje, met een vergulden beer, bij wijze van weerhaan op den top. Achter dit kunstwerk verloor men de beek uit het oog, terwijl ze haar natuurlijk, snel en stout karakter hernam, en een diepe en met boschjes bezette vallei instroomde, uit wier midden een zware, maar vervallen toren, de voormalige woning der barons van Bradwardine, zich verhief. Langs den oever van de beek, aan de andere zijde, strekte zich een smalle weide of uiterwaard uit; ze was tot een klein bleekveld ingericht, terwijl de hoogte daarachter met oude boomen bedekt was.
Hoe bevallig dit tooneel ook was, kon het evenwel met met de tuinen van Alcina vergeleken worden; ondertusschen ontbraken er de „due donzelette garrule”2 van dat betooverd paradijs niet; want op het genoemde bleekveld volbrachten twee meisjes, die ieder in eene groote tobbe stonden, met hare ontbloote voeten de taak van eene patent-wasch-machine. Ze bleven echter niet, gelijk de nimfen van Armida staan, om den naderenden gast met haar welkomstgroet te verheugen; maar, verschrikt door de verschijning van een knappen vreemdeling aan de overzijde, lieten ze hare kleederen (om geheel juist te spreken, zou ik kleed moeten zeggen) over die ledematen neervallen, welke ze om den wille van hare bezigheid een weinig te veel ontbloot hadden; en onder den uitroep van een schel: „Heere mijn tijd!” geuit op een toon die het midden hield tusschen zedigheid en coquetterie, sprongen ze als herten in verschillende richtingen weg.
Waverley begon reeds te wanhopen, dat hij toegang tot dit eenzaam en schijnbaar betooverd verblijf zou verkrijgen, toen hij een man zag naderen langs een der lanen van den tuin, waar hij was blijven toeven. In de meening dat dit een tuinman, of een andere tot het huis behoorende bediende, wezen zou, liep Eduard eenige trappen van het terras af, om hem te ontmoeten; maar, toen de gedaante naderde, en lang voor dat hij de gelaatstrekken onderscheiden kon, stond hij versteld over het zonderlinge voorkomen en de gebaren van den man. Nu eens hield dit wonderlijke wezen de handen boven het hoofd ineengeslagen, gelijk een Indiaansche Jogue die boete doet; dan weder zwaaiden ze heen en weer als de slinger van een uurwerk; waarna hij ze snel en bij herhaling kruiselings over zijn borst sloeg, gelijk een huurkoetsier, om het gemis van het gebruik der zweep te vergoeden, als hij, op een kouden winterdag met zijn beesten op de gewone standplaats staat te wachten. Zijn gang was niet minder vreemd dan zijne gebaren, want eene poos lang hinkte hij, met groote volharding op den rechter voet, waarna hij dezen steun verwisselde, om op dezelfde wijze op den linker voort te gaan, en ze vervolgens weder dicht aan elkander sluitende, sprong hij op beide te gelijk voort. Zijn kleeding was ouderwetsch en buitengewoon. Ze bestond uit een soort van grijs wambuis, met scharlaken roode opslagen, en halfopen mouwen, waaronder een voering van gelijke kleur zichtbaar werd; de andere deelen zijner kleeding kwamen hiermede wat de kleur betreft, volkomen overeen; een paar roode kousen en een scharlaken muts niet tevergeten, sierlijk opgeschikt met de veer van een kalkoen. [45]Eduard, dien hij niet scheen op te merken, bespeurde nu dat de trekken van zijn gelaat bevestigden, wat zijne bewegingen reeds hadden doen vermoeden. Naar het scheen, was het noch onnoozelheid noch zinneloosheid, welke die woeste, gejaagde steeds verwonderlijke uitdrukking aan zijn van natuur niet leelijk gelaat gaf, maar veeleer iets dat eene vereeniging van beide was, daar het stompe der onnoozelheid met de buitensporigheid eener gekrenkte verbeelding, vermengd was. Hij zong met grooten ernst, en niet zonder eenigen smaak, een stuk uit een oud Schotsch lied:
Valsch lief, en speelt ge mij deez’ trek,
Bij ’t lachend zomergroen?
’k Betaal hem u met woeker weêr
In ’s winters bar saizoen;
Zoo gij u niet bekeert, mijn lief,
Bekeert, uw ontrouw moê:
Als gij met andere meisjes stoeit,
Lach ’k andere mannen toe.
Zoodra hij de oogen van den grond ophief, waarop ze waren gevestigd geweest om te zien hoe zijne voeten de maat bij het gezang hielden, ontwaarde hij Waverley, en nam terstond zijne muts af met vele wonderlijke blijken van verrassing, eerbied en beleefdheid. Schoon hij weinig hoop koesterde eenig antwoord op zijne vraag te ontvangen, verzocht Eduard te mogen weten, of mijnheer Bradwardine te huis was, of waar hij iemand van de bedienden kon vinden. De ondervraagde gaf antwoord, en, even als de tooveres van Thalaba, „was zijn spraak steeds gezang.”
„De ridder toog heen naar ’t gebergte,
Daar schalt er zijn jachthoren luid;
Daar ginds in het veld kiest de dame,
Gebloemt’ voor een bruidkrans zich uit.
Schoon-Ellens priëel is in ’t ronde
Met mos en gebladert bedekt,
Opdat niet de tred van lord Willem
Den argwaan van luisteraars wekt.”
Dit maakte Eduard niet wijzer, en toen hij zijn vraag herhaalde, ontving hij een schielijk antwoord waarin, door de haastige en eigenaardige uitspraak, het woord: „keldermeester” alleen verstaanbaar was. Waverley verzocht dus den keldermeester te mogen zien, waarop de man, met een blik, die te kennen gaf, dat hij hem verstond en een toestemmend knikje, Eduard een teeken gaf hem te volgen, terwijl hij begon te dansen en allerlei kapriolen te maken in de laan, waardoor hij gekomen was. „Een vreemde leidsman,” dacht Eduard, „hij heeft iets van een van Shakespeares hofnarren. Het is misschien voorzichtig hem tot gids te nemen, maar wijzer lieden dan ik worden wel eens door gekken geleid!” Intusschen kwamen ze aan het einde van de laan; en daar, op eens den hoek omslaande, bereikten ze een klein bloemperk, tegen den oosten- en noordenwind door eene dichte heg van palmhout beschut. Eduard vond daar een oud man in zijn hemd aan het werk. Zijn voorkomen hield het midden tusschen dat van een eersten bediende en een tuinman. „Zijn roode neus en geplooid hemd behoorden tot iemand die het eerste beroep bekleedde; [46]zijn gezond en door de zon verbrand gelaat, en zijn groene voorschoot daarentegen, schenen aan te duiden:
Des ouden Adams beeld, verplicht deez’ akker te bebouwen.
De major-domo, want dit was hij, en onbetwistbaar de tweede ambtenaar van staat in de baronie, (ja, als eerste minister van het inwendig bestuur, in zijn eigen departement van keuken en kelder, stond hij zelfs boven baljuw Mackwheeble) – de major-domo legde zijn spade neer, schoot spoedig den rok aan, en, met een toornigen blik op Eduards leidsman, waarschijnlijk omdat deze een vreemdeling bij hem had gebracht, terwijl hij bezig was met deze zware, en, zoo als hij zich wellicht verbeeldde, vernederende taak, verzocht hij mijnheers bevelen te mogen vernemen. Nadat Waverley hem zijn naam genoemd en hem te kennen gegeven had, dat hij een bezoek bij zijn meester wenschte af te leggen, vertoonde het gelaat van den ouden man een uitdrukking van eerbiedige belangstelling. „Hij kon op zijn woord verzekeren, dat het mijnheer den Baron groot genoegen zou doen hem te zien; wilde mijnheer Waverley na zijn reis niet iets gebruiken? De Baron was bij het volk, dat op de plaats bezig was met een zwarten heg omver te halen; en de beide tuinknechts (met nadruk op het woord beide) hadden order gekregen hem te volgen: en hij zelf was zich intusschen gaan vermaken met freule Rose’s bloemperken in orde te brengen, om bij de hand te zijn de bevelen van mijnheer te ontvangen, – hij hield zeer veel van tuinieren, maar had weinig tijd voor zulke uitspanning.”
„Hij kan in geen geval er meer dan twee dagen in de week aan werken,” zeide Eduards dwaze geleider.
Een grimmige blik van den keldermeester tuchtigde deze onbescheidenheid, en terwijl hij hem met den naam van David Gellatley aansprak, gebood hij hem tevens op een toon die geene tegenspraak duldde, den Baron op te gaan zoeken, en hem te zeggen dat er een heer uit het zuiden van het land op de plaats was aangekomen.
„Kan deze arme knaap een brief overbrengen?” vroeg Eduard.
„Met alle mogelijke trouw, mijnheer, aan iedereen, voor wien hij eerbied heeft. Een lange mondelinge boodschap zou ik hem bezwaarlijk toevertrouwen, schoon hij eer ondeugend, dan gek is.”
Waverley gaf zijn geloofsbrieven aan den heer Gellatley over, die des keldermeesters laatste aanmerking scheen te bevestigen, door, terwijl deze naar een anderen kant zag, gezichten achter zijn rug te trekken, die naar de grimassen op den kop van een Duitsche tabakspijp geleken; waarop hij, na een wonderlijke buiging voor Waverley gemaakt te hebben, wegdanste om zijn last te volbrengen.
„Het is een onnoozele, mijnheer,” zei de keldermeester: „men vindt er een bijna in iedere stad van het land; maar de onze is ver van hier gekomen. Hij placht den geheelen dag vrij wel te werken; maar hij redde freule Rose, toen ze vervolgd werd door den heer van Killancureits nieuwen Engelschen stier, en sedert dien tijd noemen wij hem Davie Doe luttel; waarlijk, wij mochten hem wel Davie Doe niets noemen, want sedert hij die kluchtige kleeding kreeg, tot vermaak van den Baron en van mijne jonge meesteres – want groote lui hebben hunne grillen, – heeft hij niets gedaan, dan der tuin op en neer dansen, zonder een hand uit te steken, dan om mijnheers vischnetten in orde te brengen of zijne vliegen aan [47]den hengel te slaan, of nu en dan eens een schotel forellen te vangen Maar daar komt freule Rose, die, ik durf er voor instaan, bijzonder in haar schik zal zijn, iemand van den huize Waverley op haars vaders plaats van Tully-Veolan te zien.”
Maar, Rose Bradwardine verdient iets beters van haar onwaardigen geschiedschrijver, dan op het einde van een hoofdstuk ten tooneele gevoerd te worden.
Inmiddels moeten wij hier aanteekenen, dat Waverley uit deze samenspraak twee dingen leerde: dat in Schotland een op zich zelf staand huis een stad en een geboren gek een onnoozele heet.3
1 Zie Aanteekening G. De tuin van Tully-Veolan. ↑
3 Innocent, Zie Aanteekening H. Familie gekken. ↑