[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

ROSE BRADWARDINE EN HAAR VADER.

Rose Bradwardine was slechts zeventien jaar oud; en toch zeide, bij de laatste harddraverij in de hoofdstad van het graafschap, toen hare gezondheid met die van een aantal schoonen ingesteld werd, de heer van Bumperquaigh, permanent ceremoniemeester, enz. van de Bautherwhillery-club, niet alleen: Meer! terwijl hij dien toast met een beker vol Bordeaux-wijn bevestigde, maar noemde ook, eer hij de plenging volbracht, de godin, aan wie deze dronk gewijd was, de „Roos van Tully-Veolan.” Bij deze feestelijke handeling brachten al de leden van dit eerwaardig gezelschap, wier keel de wijn tot zulk eene inspanning nog had in staat gelaten, drie luide hoera’s uit. Ja, ik ben er zeker van, dat de slapende deelgenooten van het gezelschap hunne goedkeuring daaraan snorkend te kennen gaven, en dat, ofschoon sterke teugen en zwakke hoofden er twee of drie tegen den vloer geworpen hadden, deze evenwel, gevallen als ze waren uit hun hoogen staat, en wentelende – ik wil de parodie niet verder uitwerken – verscheiden ongearticuleerde geluiden voortbrachten, om te doen verstaan hoe zeer ze met het voorstel instemden.

Zulk een algemeene toejuiching kon slechts het gevolg zijn van erkende verdienste; en Rose Bradwardine verdiende ze niet alleen, maar eveneens de goedkeuring van veel redelijker wezens, dan de Bautherwhillery-club had kunnen aanwijzen, zelfs vóór de eerste flesch geleegd was. Zij was inderdaad een zeer lief meisje, zoo als de Schotten de schoonheid begrijpen; dat is, met een overvloed van bleek goudgeel haar en een huid, die de sneeuw op de bergen in witheid evenaarde. Nogtans was haar gelaat bleek noch droefgeestig; hare trekken, zoo wel als hare geaardheid, waren levendig; hare kleur, zonder bepaald blozend te zijn, was zoo zuiver, dat ze bijna doorschijnend geleek, en de minste aandoening joeg op eens al haar bloed naar gelaat en hals. Hare gestalte, schoon beneden de gewone maat, was zeer sierlijk, en hare bewegingen vlug, gemakkelijk en zonder een zweem van stijfheid. Zij kwam van een ander gedeelte [48]van den tuin, om kapitein Waverley te ontvangen, op eene wijze die het midden hield tusschen beschroomdheid en beleefdheid.

Na het wisselen van de eerste groeten vernam Eduard van haar, dat de zwarte heg, die hem een weinig in de war had gebracht, bij des keldermeesters verslag van de bezigheid zijns meesters, niets te doen had met een zwarte kat of bezemsteel, maar eenvoudig een stuk eiken kreupelhout was, dat dien dag moest geveld worden. Beleefd, maar met een zekere schroomvalligheid, bood ze aan den vreemdeling naar de plaats te brengen, die, zoo het scheen niet ver af was; doch ze werd voorgekomen door de verschijning van den baron van Bradwardine in persoon die, geroepen door Davie Gellatley, thans naderde, „geheel met gastvrije gedachten bezield,” en wel met zulke geweldige schreden, dat Waverley daardoor aan de zeven-mijls laarzen uit het kindersprookje herinnerd werd. Hij was rank, schraal, krachtig en grijs, ofschoon iedere spier door aanhoudende oefening, nog volkomen lenig en rekbaar was. Hij was met weinig zorg gekleed, en meer als een Franschman dan een Engelschman van dien tijd, terwijl hij, met zijn harde trekken en zijn stijve houding, eenigszins geleek op een Zwitserschen garde-officier, die eenigen tijd te Parijs gelegen had en wel de kleêrdracht, maar niet het gemakkelijke in de manieren van de inwoners dier wereldstad zich had eigen gemaakt. Om de waarheid te zeggen waren zijn taal en zijn gewoonten even zonderling als zijn geheele voorkomen.

Als een gevolg van zijn natuurlijken aanleg voor de studie, of misschien volgens eene zeer algemeene gewoonte in Schotland, om de jonge lieden van rang in de rechten te laten studeeren, had men hem voor de balie opgeleid. Maar daar de staatkundige denkwijze zijner familie de hoop voor hem afsneed om in deze loopbaan vooruit te komen, had de heer Bradwardine gedurende verscheidene jaren gereisd, en was in den krijgsdienst eener vreemde mogendheid getreden. Na in 1715 deel aan de staatkundige woelingen te hebben genomen, waar hij in moeielijkheden met de regeering geraakte, had hij in afzondering geleefd, en bijna geen omgang gehad, dan met lieden van zijn beginselen uit de buurt. De vereeniging van de pedanterie des rechtsgeleerden, met den militairen trots des krijgsmans, zou aan meer dan een ijverig lid der corpsen vrijwilligers van onze dagen den tijd voor den geest roepen, toen de toga onzer pleiters dikwijls over een schitterend uniform geworpen werd. Voeg hierbij de vooroordeelen eener aloude afkomst en eener Jacobietische staatkunde, niet weinig versterkt door de uitoefening van een onafhankelijk gezag, dat, ofschoon beperkt binnen de grenzen van zijne heerlijkheid en de daartoe behoorende halfbeschaafde bewoners, aldaar onbetwistbaar en onbetwist was. Want, zoo als hij gewoon was aan te merken, „de landen van Bradwardine, Tully-Veolan, en andere, waren tot eene vrije baronie verheven, door een Charter van David den Eerste, cum liberali potestate habendi curias et justicias, cum fossa et furca et saka et soka, et thol et theam et infang-thief et outfang-thief, sive hand-habend, sive bakbarand.1 De bijzondere meening van al deze Cabalistische woorden wist bijna niemand te verklaren; maar ze beteekenden over het geheel, dat de baron van Bradwardine zijne vazallen en meijers naar verkiezing mocht gevangen [49]nemen, vonnissen en terechtstellen. Evenals Jacobus I, was de tegenwoordige bezitter van dit gezag echter eer geneigd om over zulk een voorrecht te spreken, dan er gebruik van te maken; en, behalve dat hij twee wilddieven in den kerker van den ouden toren van Tully-Veolan wierp waar ze geweldig verontrust werden door spoken, en bijna opgevreten door ratten, en dat hij een oude vrouw had laten vastzetten, omdat ze gezegd had, „dat er meer gekken in het huis van Laird waren dan David Gellatley,” geloof ik niet, dat hij beschuldigd werd ooit van zijn hooge macht misbruik gemaakt te hebben. Met dat al verleende het bewustzijn, dat hij die macht bezat, min of meer gewicht aan zijn taal en houding.

Uit de wijze, waarop hij Waverley ontving, scheen het, dat het innig genoegen, hetwelk hij smaakte in het zien van zijns vriends neef, de stijve en statige deftigheid van den baron van Bradwardine een weinig uit den plooi had gebracht; want de tranen stonden den ouden heer in de oogen, toen, na Eduard eerst, volgens Engelsche gewoonte, hartelijk de hand te hebben gedrukt, hij hem vervolgens à la mode Française omhelsde, en op beide wangen kuste, terwijl zijn stevige handdruk en de hoeveelheid Schotsche snuif door zijn accolade medegedeeld, wederkeerig de tranen in de oogen van zijn gast te voorschijn riepen.

„Bij de eer van een edelman,” zeide hij, „het maakt mij weêr jong u hier te zien, mijnheer Waverley! Een waardige spruit van den ouden stam van Waverley-Honour – spes altera, zoo als Virgilius zegt – en gij hebt precies het gelaat van de oude linie, kapitein Waverley; niet zoo lijvig nog als mijn oude vriend Sir Everard – mais cela viendra avec le temps, zooals een mijner Hollandsche kennissen, de baron van Kikkitbroeck zeide, van la sagesse de Madame son épouse. – En gij hebt dus de kokarde opgezet? Best, best! schoon ik de kleur anders zou gewenscht hebben, en dat, denk ik, zou Sir Everard ook. Maar daarover geen woord meer; ik ben oud en de tijden zijn veranderd. – En hoe vaart de waardige Baronet, en de schoone Freule Rachel? – Ha, gij lacht, Jonkman! maar ze was de schoone Freule Rachel in het jaar onzes Heeren zeventien honderd en zestien; maar de tijd gaat voort – et singula prædantur anni – dat is ontegenzeglijk waar. Maar nogmaals, van harte welkom op mijn armoedig huis van Tully-Veolan! Loop vlug naar huis, Rose, en zorg dat Alexander Saunderson den ouden Chateau-Margaux op tafel zet, dien ik in het jaar 1713 uit Bordeaux naar Dundee zond.”

Rose trippelde weg, vrij deftig tot ze den eersten hoek om was, maar vervolgens met de snelheid van eene toovernimf, ten einde den tijd te hebben, na het volvoeren van haars vaders last, om voor haar toilet te zorgen, en haar geheelen kleinen opschik voor den dag te halen, eene bezigheid waarvoor het naderend etensuur maar weinige oogenblikken overliet.

„Wij kunnen niet wedijveren met de weelde van uwe Engelsche tafel, kapitein Waverley, of u de epulæ lautiores van Waverley-Honour geven – ik zeg liever epulæ dan prandium, omdat de laatste spreekwijze gemeenzamer is; Epulæ ad senatum prandium vero ad populum attinet,2 zegt Suetonius Tranquillus. Maar ik vertrouw, dat mijn Bordeaux u zal smaken; [50]c’est des deux oreilles, zoo als kapitein Vinsauf placht te zeggen – vinum primæ notæ, noemde hem het hoofd van het St. Andreas-collegie. En, nog eens, kapitein Waverley, ik ben recht blijde, dat gij hier zijt, om het beste te drinken, dat mijn kelder opleveren kan.”

Deze toespraak, met de noodige tusschengevoegde antwoorden, duurde van het einde der laan, waar zij elkander ontmoetten, tot aan de deur van het huis, waar vier of vijf bedienden in ouderwetsche liverei, aan wier hoofd Alexander Saunderson de keldermeester, bij wien nu geen spoor meer te zien was van zijn tuinwerk, hen in grand costume ontvingen.

In een oude voorzaal, breed en wijd, met piek en boog behangen,

Met harnas en met schild, waarop veel beukens was ontvangen.

Met veel statie, en nog meer hartelijke vriendschap, geleidde de Baron, zonder zich in eenig tusschen gelegen vertrek op te houden, zijn gast naar de groote eetkamer, met een zwart-eikenhouten beschot, en verder versierd met de afbeeldingen van zijn voorgeslacht, waar eene tafel gedekt was voor zes personen, en een ouderwetsch buffet al het oude en zware zilver der Bradwardinesche familie ten toon spreidde. Thans werd eene klok gehoord, aan den ingang der oprijlaan; want een oud man, die op galadagen de dienst van portier waarnam, had het nieuws van Waverleys komst vernomen, en zich naar zijn post begevende, kondigde hij de komst van nog andere gasten aan.

Deze waren, gelijk de Baron zijn jongen vriend verzekerde, zeer achtenswaardige personen. „Daar was de jonge heer van Balmawhapple, een Falconer, van den huize van Glenfarquhar, een groot liefhebber van de jacht – gaudet equis et canibus – maar overigens een zeer bescheiden jongmensch. Ook was er de heer van Killancureit, die zijn ledigen tijd met boomkweekerij en akkerbouw doorbracht, en zich beroemde de eigenaar te zijn van een stier van onovertroffen verdienste, afkomstig uit het graafschap van Devon (het Damnonia der Romeinen, zoo wij Robert van Cirencester mogen gelooven.) Hij is, zooals ge uit zijne bezigheden wel opmerken zult, slechts van geringe afkomst – servabit odorem testa diu3 – en ik geloof (onder ons) dat zijn grootvader niet veel bijzonders was – een Bullsegg, die hierheen kwam als rentmeester, of baljuw, of zoo iets, bij den laatsten Girnigo van Killancureit, die aan verval van krachten stierf. Na zijns meesters dood, mijnheer, – men zou zulk een schandaal nauwelijks gelooven, – huwde deze Bullsegg, die een knap en goed uiterlijk had, met de weduwe, die jong en verliefd van aard was, en stelde zich in bezit van dit landgoed, dat, volgens eene bepaling van wijlen haar echtgenoot, op dit ongelukkige wezen verviel, in rechtstreeksche tegenspraak met eene ongeregistreerde leensbepaling, en ten nadeele van des erfbestellers eigen vleesch en bloed, in den persoon van zijn natuurlijken erfgenaam en neef in den tweeden graad, Girnigo van Tipperhewit, wiens geslacht door het daaruit ontstane proces dermate in verval geraakte, dat de vertegenwoordiger er van thans zonder eenigen rang dient in de Hooglandsche Black-Watch[51]4. Maar deze mijnheer Bullsegg van Killancureit, die nog leeft, heeft goed bloed in zijn aderen, door zijne moeder en grootmoeder, die beide van de familie van Pickletillim waren, en is wel gezien en bemind en weet zich heel goed te gedragen. En God beware ons, kapitein Waverley, dat wij, lieden van onberispelijke afkomst, met minachting op hem zouden neerzien, daar het mogelijk is, dat in de achtste, negende of tiende generatie, zijn nageslacht, in zekere mate, gelijk zal staan met den ouden adel des lands. Rang en voorouders, mijnheer, behoorden de laatste woorden in den mond van ons, lieden van onbesproken stam te zijn – vix ea nostra voco, zooals Ovidius zegt. Er komt ook nog een geestelijke van de ware, schoon verdrukte Episcopale kerk van Schotland. Hij was een martelaar voor hare zaak, na het jaar 1715, toen een Whigsche oproerbende zijn kerk verwoestte, zijn koorkleed verscheurde en zijn woning beroofde van vier zilveren lepels, terwijl ze desgelijks eetwaren en twee vaten, een met tafel- en een met sterk bier, behalve drie flesschen brandewijn meêpakten.5 Mijn baljuw en zaakwaarnemer, de heer Duncan Mackwheeble is de vierde op onze lijst. Het is niet bekend wegens de onzekerheid van de oude spelling, of hij behoort tot het geslacht van Wheedle of van Quibble;6 maar beide hebben uitstekende rechtsgeleerden voortgebracht”

Terwijl hij hen aldus beschreef naar uitzicht en geslacht,

Trad ieder binnen, en ’t diner werd spoedig opgebracht.


1 Hoog en laag recht, van kerker en van kaak. 

2 Epulæ (feestmaal) is voor den Senaat; prandium (maaltijd) is voor het volk. 

3 De vaas zal lang den geur bewaren. 

4 Zwarte wacht. Vier-en-twintig jaren lang is dit corps bekend geweest onder den titel van het 42ste regiment. Maar bij de oprichting haalde dit 42ste en het Gaelsch freicudan dhu, en black-watch, „zwarte wacht” in het Engelsch, een naam, die zijn ontstaan verschuldigd was aan de donkere kleur der uniform (zwart, groen en blauw) die erg afstak bij het scharlakenrood der linietroepen. De onafhankelijke compagniën van de „black-watch,” waren samengesteld uit personen die in andere regimenten een hoogeren rang bekleedden; over het algemeen waren het allen jonge edellieden of edellieden zonder fortuin; men had er zelfs onder die er bedienden op nahielden om hunne wapenen te dragen. 

5 Zie Aanteekening I. Episcopale kerk van Schotland. 

6 Wheedle. To wheedle, verleiden, met mooie woorden fleemen. Quibble, haarklooverij, woordenspel. De baron vermaakte zich door dit woordenspel, met zijn baljuw en de advocaten bijeen te nemen.