[Inhoud]

TWAALFDE HOOFDSTUK.

BEROUW EN VERZOENING.

Waverley was niet gewoon, dan met de grootste matigheid wijn te drinken. Hij sliep dus tot laat in den volgenden morgen, en ontwaakte toen met een pijnlijke herinnering aan het tooneel van den vorigen avond. Hij had een persoonlijke beleediging ondergaan, – hij, een man van eer, een krijgsman en een Waverley. Het was waar, hij die ze hem had aangedaan, was, op dat oogenblik, geen meester over het zeer geringe verstand, hetwelk de natuur hem geschonken had; het was evenzoo waar, dat, wanneer hij voor deze beleediging wraak nam, hij zoowel de wetten des hemels, als die van zijn land overtreden zou; het was eindelijk waar, dat hij, door dit te doen, wellicht het leven zou benemen aan een jonkman, die zich misschien behoorlijk van zijn maatschappelijke plichten kweet, en hij zou dus zijn familie ongelukkig maken; of hij zelf kon zijn eigen leven verliezen, – geen aangename kans zelfs voor den moedigste, wanneer men alles kalm en bedaard overlegt.

Al deze gedachten drukten hem zwaar op het hart; en toch keerde de eerste opvatting telkens met onweêrstaanbare kracht terug. Hij had een beleediging ondergaan; hij was van den huize Waverley, en tegelijk Officier. Er was geen keus; en hij begaf zich naar de ontbijtkamer met het voornemen, om afscheid van de familie te nemen en aan een zijner wapenbroeders te schrijven, om bij hem te komen in de herberg, halfweg Tully-Veolan en de stad, om zoodanige boodschap aan den Heer van Balmawhapple te zenden, als de omstandigheden schenen te vorderen. Hij vond Freule Bradwardine aan de ontbijttafel, die met warm, zoowel tarwe- als gerstengebak, in de gedaante van brooden, koeken, beschuit en wat dies meer zij, beladen was, evenzoo met eieren, rendiersham, lams- en ossenvleesch, gerookte zalm, gekonfijte kweeën en al de overige lekkernijen, welke [59]zelfs Johnson overhaalde, om de weelde van een Schotsch ontbijt boven dat van alle andere landen te verheffen. Een schotel havermeelpap tegenover een zilveren kan, die een mengsel van room en karnemelk bevatte, stond voor den baron gereed; maar Rose verhaalde, dat hij vroeg in den morgen uitgegaan was, na bevel te hebben gegeven dat men zijn gast niet storen zou.

Waverley nam, bijna zonder een woord te spreken plaats, en met zulk een verstrooid en afgetrokken voorkomen, dat Freule Bradwardine geen gunstig denkbeeld kon opvatten van zijn gezellige gaven. Hij antwoordde slechts met een enkel woord op een paar aanmerkingen, welke ze zich veroorloofde omtrent algemeene onderwerpen; zoodat ze, zich bijna teruggestooten gevoelende in hare pogingen om hem bezig te houden, en zich heimelijk verwonderende, dat onder een rooden rok geen betere opvoeding schuilde, hem aan zijn eigene overdenkingen overliet, welke bestonden in het verwenschen van doctor Doubleits geliefd gesternte van den Grooten Beer, als de oorzaak van al het onheil, dat reeds had plaats gehad en waarschijnlijk nog volgen zou. Op eens echter schrikte en kleurde hij geweldig, daar hij, de oogen naar buiten slaande, den baron en den jongen Balmawbapple arm in arm en schijnbaar in druk gesprek voorbij zag gaan. „Heeft mijnheer Falconer hier van nacht geslapen?” vroeg hij driftig. Rose, die niet zeer ingenomen was met de weinige korte woorden, welke de jonge vreemdeling tot haar richtte, antwoordde droog weg „neen,” en het gesprek was wederom ten einde.

Op dit oogenblik verscheen de heer Saunderson met een verzoek van zijn meester, om den Kapitein Waverley in een ander vertrek te mogen spreken. Met een hart, dat iets sneller dan gewoonlijk sloeg, niet uit vrees, maar uit onzekerheid en onrust, verliet Eduard de ontbijtzaal. Hij vond de beide heeren bij elkander staan; op het gelaat des Barons lag eene zelfvoldane waardigheid, terwijl iets, dat naar gemelijkheid of schaamte, zoo niet naar beide zweemde, het blozend gelaat van Balmawhapple benevelde. De eerste stak den arm onder dien van den laatste, en terwijl hij dus met hem scheen te wandelen, hoewel hij hem in waarheid geleidde, traden ze op Waverley toe, en nadat ze midden in het vertrek waren blijven staan, hield de Baron met groote deftigheid de volgende redevoering: „kapitein Waverley – mijn jonge en achtenswaardige vriend, mijnheer Falconer van Balmawhapple, die mijne jaren en ondervinding, als niet geheel onbedreven in alles wat de wetten van het tweegevecht of de monomachia betreft, geheel en al vertrouwt, heeft mij verzocht zijn tolk bij u te zijn, om u het leedwezen te betuigen, waarmede hij zich zekere uitdrukkingen op ons symposion van gisteravond herinnert, welke u, die voor het oogenblik het thans bestaande bewind dient, niet anders dan hoogst onaangenaam konden zijn. Hij bidt u, mijnheer, om de herinnering aan deze vergrijpen tegen de wetten der wellevendheid, als iets wat zijn meer onbeneveld verstand afkeurt, in vergetelheid te begraven, en de hand te ontvangen, welke hij u als een pand van vriendschap aanbiedt; en ik heb niet noodig u te verzekeren, dat niets minder dan het gevoel van dans son tort te zijn, gelijk een moedig Fransch ridder, monsieur le Bretailleur mij eens bij eene dergelijke gelegenheid toevoegde, alsmede de hooge dunk van uwe verdiensten zulk eene bekentenis van hem konden uitlokken; want hij en geheel zijn geslacht zijn, en daarenboven sedert onheugelijke tijden, [60]mavortia pectora geweest, zooals Buchanan zegt, een stoute en oorlogzuchtige stam.”

Onmiddellijk, en met ongedwongen beleefdheid, nam Eduard de hand aan, welke Balmawhapple, of liever de Baron, in zijn karakter van bemiddelaar, hem toestak. „Het was hem onmogelijk,” zeide hij, „zich iets te herinneren, wat een fatsoenlijk man wenschte niet gezegd te hebben, en hij schreef het gebeurde gaarne toe aan de overdadige feestelijkheid van den vorigen dag.”

„Dat is zeer hupsch gesproken,” antwoordde de Baron; „want het lijdt geen twijfel dat, als iemand ebrius of dronken is, iets dat bij zulke plechtige en feestelijke gelegenheden kan en somtijds zal gebeuren in den loop van het leven van een man van eer, en dat, indien dezelfde man, wanneer hij weder frisch en nuchteren is, de beleedigende woorden herroept, door hem in zijn opgewondenheid gesproken, men er het voor houden moet vinum locutus est, dat de woorden ophouden de zijne te zijn. Ondertusschen zou ik meenen dat deze verontschuldiging niet geldt, in het geval van iemand die ebriosus, of een dronkaard uit gewoonte is; omdat, indien zulk een persoon het grootste gedeelte van zijn tijd in een staat van beschonkenheid verkiest door te brengen, hij geen recht heeft om zich vrij te maken van de plichten door het wetboek der beschaving opgelegd, maar behoort te leeren zich vreedzaam en hoffelijk te gedragen, wanneer hij onder den invloed van den geestrijken prikkel is. En laat ons thans aan het ontbijt gaan, en niet meer aan deze afgedane zaak denken.”

Hoe men ook er over denke moet ik toch bekennen, dat Eduard, na zulk eene voldoende verklaring, grooter eer aan de lekkernijen van freule Bradwardine’s ontbijttafel bewees, dan in den beginne. Balmawhapple, integendeel, scheen verlegen en neergedrukt; en Waverley merkte nu voor het eerst op, dat zijn arm in een band hing, hetgeen de linkschheid en verlegenheid verklaarde, waarmede hij zijn hand had aangeboden. Op eene vraag van freule Bradwardine, mompelde hij dat zijn paard gevallen was; en daar hij scheen te verlangen om zoowel dit onderwerp als het gezelschap te ontwijken, stond hij op zoodra het ontbijt afgeloopen was, maakte eene buiging voor het gezelschap, en na de uitnoodiging, van den Baron om te blijven eten van de hand gewezen te hebben, besteeg hij zijn paard en keerde naar huis terug.

Thans gaf Waverley zijn voornemen te kennen om Tully-Veolan te verlaten, tijdig genoeg om na afloop van het middagmaal de pleisterplaats te bereiken, waar hij nachtverblijf dacht te houden; maar het ongekunstelde en diepe leedwezen, waarmede de goedhartige en vriendelijke oude heer dit besluit aanhoorde, benam hem den moed, om bij zijn voornemen te volharden. Zoodra dan ook Waverley beloofd had nog eenige dagen te blijven deed hij zijn best om de redenen te ontzenuwen, waarom hij zich verbeeldde, dat zijn gast vroeger had willen vertrekken. „Ik zou u niet gaarne in den waan laten, kapitein Waverley, dat ik door gewoonte of voorbeeld een voorstander ben van dronkenschap, ofschoon het zijn kan dat, bij ons feest van gisteren avond, sommige onzer vrienden, zoo misschien niet geheel ebrii, of dronken, om een zacht woord te gebruiken, ebrioli waren, waarmede de ouden bedoelden, wat wij noemen „iets aangeschoten.” Meen echter niet dat ik dit van u denk Waverley, gij hebt u eerder, als een voorzichtig jongmensch van overmaat onthouden; ook [61]kan het in waarheid niet van mij gezegd worden, die, ofschoon ik aan de tafel van menig grooten generaal en maarschalk, bij hunne plechtige feesten tegenwoordig ben geweest, de gave bezit, om mijn wijn in mate te gebruiken, en gedurende den geheelen avond, zooals gij ongetwijfeld moet hebben opgemerkt, de grenzen van een gematigde vroolijkheid niet te buiten ging.”

Het was niet doenlijk eene stelling te bestrijden, op zulk positieven toon opgeworpen door hem, die zeker de meestbevoegde rechter in de zaak was, hoewel, wanneer Eduard zijn oordeel uit zijn eigene herinneringen had geput, hij de meening zou hebben uitgesproken, dat de Baron niet alleen ebriolus was, maar zelfs bijna ebrius, of, plat gezegd, de meest beschonkene van allen, uitgezonderd misschien zijne tegenpartij, de heer van Balmawhapple. Evenwel ging de Baron, nadat hij het verwachte, of liever gevorderde compliment over zijne matigheid had ontvangen, voort: „Neen, mijnheer, schoon ik zelf van een sterk gestel ben, heb ik een afschuw van de dronkenschap, en verfoei hen die den wijn gulæ causa, dat is om de keel te streelen naar binnen zwelgen; hoewel ik de wet van Pittacus van Mitylene niet goedkeur, die een misdaad, onder den invloed van Liber Pater1 gepleegd, dubbel strafte, en ik mij zelfs niet in alle opzichten kan vereenigen met het harde oordeel van den jongeren Plinius, in het veertiende boek van zijn Historia Naturalis. Neen, mijnheer, ik maak opderscheid, ik weet onderscheid te maken, en keur den wijn alleen in zoo verre goed, dat hij opgeruimd maakt, of in de taal van Flaccus, recepto amico.”

Dus eindigde de verantwoording, die de baron van Bradwardine noodig achtte voor het overdadige van zijn feestelijk onthaal; en men zal ligt gelooven, dat Eduard hem niet tegensprak of iets, dat hij zeide in twijfel trok.

Vervolgens noodigde hij zijn gast tot een morgenrid uit, en beval dat David Gellatley hen op het jachtpad, met de beide honden Ban en Buscar, zou wachten. „Want, eer het saizoen begint, zou ik u gaarne iets van ons jachtveld laten zien, en zoo God wil, zullen we alligt een ree ontmoeten. De ree, kapitein Waverley, mag in alle jaargetijden gejaagd worden; want, daar het dier nooit op zijn vet behoeft te roemen, is het ook nooit onsmakelijk, ofschoon het waar is, dat zijn vleesch niet gelijk staat met dat van het hert2. Maar ge zult zien, hoe mijne honden loopen; en daarom zullen ze met David Gellatley ons vergezellen.”

Waverley gaf zijn verwondering te kennen, dat zijn vriend David in staat was zoo iets waar te nemen; maar de Baron gaf hem te verstaan, dat deze arme hals niet gek, nec naturaliter idiota was, zoo als men in rechten zeide; maar eenvoudig een in de hersenen gekrenkte guit, die zeer wel in staat was iederen arbeid te volbrengen, die met zijn luimen strookte, en zijn gekheid tot een voorwendsel maakte om al ’t overige te vermijden. „Wij zijn aan hem gehecht,” ging de Baron voort, „doordien hij Rose, met gevaar van zijn leven, uit een dreigenden nood heeft gered, en de ondeugende lummel moet daarom eten van ons brood, en [62]drinken uit onzen beker, en doen wat hij kan, of wat hij wil: hetgeen, zoo de vermoedens van Saunderson en den rentmeester gegrond zijn, in dit geval wel zoowat uitdrukkingen van dezelfde beteekenis zijn.”

Freule Bradwardine verhaalde vervolgens aan Waverley dat deze arme hals machtig verzot was op muziek; dat hij door droefgeestige melodieën diep getroffen, en tot buitensporige blijdschap vervoerd werd door vroolijke en levendige liederen. Hij was in dit opzicht met een verbazend geheugen begiftigd, en kende een groot aantal stukken en brokken van allerlei wijzen en liedjes, die hij soms met verwonderlijke slimheid te pas bracht, als middelen van betoog, verklaring of satire. David was zeer gehecht aan de weinigen, die hem vriendschap betoonden – en even gevoelig voor elke verachtelijke of kwade behandeling, die hij ondervond, terwijl hij volkomen in staat was, als hij maar gelegenheid er toe vond, zich te wreken. Het gemeene volk, dat doorgaans even hard over elkander als over hunne meerderen oordeelt, hoewel het vrij wat medelijden voor den armen „stumpert” betuigde, zoo lang men hem in vodden langs het dorp liet loopen, zag hem niet zoodra behoorlijk gekleed, verzorgd en zelfs eenigermate als gunsteling behandeld, of het haalde al de voorbeelden van gevatheid en doorzicht aan, zoowel in zijn handelingen als in zijn antwoorden welke de dorps-jaarboeken opleverden, en grondde daarop de veronderstelling, dat David Gellatley niet verder mal was, dan noodig scheen om hem voor zwaren arbeid te vrijwaren. Dit gevoelen was nogthans even juist als dat der negers, die uit de slimme en ondeugende kuren der apen opmaken, dat zij de gave der spraak bezitten, en dit vermogen opzettelijk onderdrukken, uit vrees dat men hen tot werken zal dwingen. David Gellatley was in goeden ernst de halfgekrenkte hals, die hij scheen, en buiten staat tot eenige aanhoudende en gestadige inspanning. Hij bezat juist oordeel genoeg om hem voor zinneloosheid te bewaren; zooveel natuurlijk verstand als hem tegen volslagen onnoozelheid vrijwaarde; eenige behendigheid in zaken die op de jacht betrekking hadden, (waarin wij even groote dwazen hebben zien uitmunten); uitnemende zachtheid en menschelijkheid in het behandelen van aan hem toevertrouwde dieren, een warm hart, een verbazend geheugen, en een oor voor de muziek.

Weldra vernam men nu paardengetrappel op het voorplein, alsmede Davie’s stem, die, zich tot de groote jachthonden keerende, zong:

Spoedt u! jaagt langs veld en weide,

Stuift den vliet door die ginds plast!

Vliegt langs heuvelzoom en heide,

En waar ’t boschje ’t lachendst wast;

Waar de stroomen ’t helderst vloeien,

Waar de varen ’t weligst groeien,

Waar de dauw het langste glanst,

Waar dien ’t korhoen liefst gaat drinken,

Waar de Fee het laatst bij ’t blinken

Van het maanlicht heeft gedanst.

Op naar legers, die men zelden

Slechts zoo koel en eenzaam zag!

Op langs weiden, heuvlen, velden,

Bij ’t ontwaken van den dag!

[63]

„Behooren de verzen, die hij daar zingt, tot de oude Schotsche poëzie, freule Bradwardine?”

„Ik geloof het niet,” hernam zij „Dit arme schepsel heeft een broeder gehad, en de Hemel, alsof hij der familie het ongeluk van den armen David wilde vergoeden, had hem talenten geschonken, die men in het dorp voor iets buitengewoons hield. Een oom poogde hem op te leiden voor de Schotsche kerk, maar hij kon niet de minste bevordering vinden, omdat hij slechts een boerenzoon was. Hij keerde hopeloos, en met een gebroken hart van de Akademie terug, en kreeg de tering. Mijn vader ondersteunde hem tot zijn dood, die voorviel eer hij zijn negentiende jaar bereikt had. Hij speelde op de fluit, en werd algemeen voor iemand gehouden die een bijzonderen aanleg voor de poëzie had. Hij legde veel liefde en medelijden voor zijn broeder aan den dag, die hem volgde als zijn schaduw, en wij houden het er voor dat David van hem een menigte liederen verzamelde, die weinig op die uit deze streek gelijken. Maar als wij hem vragen, waar hij zulk een brok, als hij daar zingt, opgedaan heeft, antwoordt: hij òf met een geweldigen lachbui, òf wel door in tranen en jammerklachten uit te barsten, maar nooit vernam men eene andere verklaring, of heeft men hem zijns broeders naam na diens dood hooren noemen.”

„Zeker,” zeide Eduard, die altijd belang stelde in elk verhaal dat eenigszins romantisch klonk, „zeker zou men meer van hem vernemen, als men er meer bijzonder op aandrong.”

„Misschien wel,” antwoordde Rose; „maar mijn vader wil niemand veroorloven zijne gevoeligheid op dit punt te krenken.”

Gedurende dezen tijd had de Baron, met behulp van Saunderson, een paar geweldig groote jachtlaarzen aangetrokken, en noodigde thans onzen held uit hem te volgen, terwijl hij met zware stappen den breeden trap afging, in het voorbijgaan, telkens op de hooge ballustrade met den knop van zijn zware karwats sloeg, en zich het air gevende van een jager van Louis XIV bromde:

„Pour la chasse ordonnée, il faut préparer tout,

Ho la ho! Vite! vite debout!”


1 Bacchus. 

2 De in keukenzaken ervarenen zijn niet van baron Bradwardine’s gevoelen, en houden het er voor dat dit wild droog en slecht is, behalve in de soep en als Schotsche karbonnaden gebruikt. W. S.