[Inhoud]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EENE ONTDEKKING. WAVERLEY GERAAKT OP TULLY-VEOLAN TE HUIS.

Den volgenden ochtend stond Waverley vroegtijdig op, en deed zijn morgenwandeling rondom het huis en in den omtrek. Terwijl hij een pleintje tegenover het hondenhok overliep, ontwaarde hij zijn vriend Davie, die bezig was met zijne viervoetige lievelingen te verzorgen. Met een oogopslag herkende deze Waverley, waarop hij hem, onder het zingen van een fragment eener oude ballade, terstond den rug toekeerde, alsof hij hem niet had opgemerkt:

De jonkheid bemint met meer kracht en meer vuur:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar liefde van de ouden is hechter van duur,

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De gramschap der jeugd is als kaf, dat snel brandt:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar gloeiend metaal, als ze de oude overmant;

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

De jongling krakeelt na den afloop van ’t maal:

Verneemt gij des vogeltjes vroolijk muziek?

Maar de oude slaat ’s morgens de hand aan het staal,

En ’t lijstertje bergt er het kopje in zijn wiek.

Waverley kon niet nalaten op te merken, dat Davie een zekeren nadruk in deze regels legde, die er iets min of meer satirieks aan gaf. Hij trad dus naderbij, en poogde, door een aantal vragen uit te lokken, wat hij daarmede bedoelde; maar Davie was de man niet om zich te laten uithooren en bezat genoeg verstand, om zijn ondeugende streken onder den mantel zijner onnoozelheid te verbergen. Eduard kon niets uit hem krijgen, behalve dat de heer van Balmawhapple den vorigen dag naar huis gegaan was „met zijne laarzen vol bloed.” Dan, in den tuin ontmoette bij den ouden keldermeester, die niet meer poogde te verbergen, dat dewijl hij bij Sumack en Comp. te Newcastle in de kweekerij was opgeleid, hij somtijds een poos in den bloemtuin werkte, om den Heer en Freule Rose te verplichten. Na eene reeks van vragen ontdekte [71]Eduard ten laatste, met een pijnlijk gevoel van verrassing en schaamte, dat Balmawhapple’s onderwerping en verontschuldiging het gevolg waren geweest van eene ontmoeting met den Baron, eer zijn gast zijn bed verlaten had; bij welke ontmoeting de jongste strijder ontwapend en in den rechterarm gewond was geworden.

Geheel ter neêr geslagen door deze ontdekking, zocht hij zijn vriendelijken gastheer op, en beklaagde zich eerbiedig maar met nadruk bij hem over het hem aangedane onrecht, daar de baron hem verhinderd had, de zaak met den heer Falconer af te doen, hetgeen uit aanmerking van zijn jeugd en van den pas aangetrokken krijgsmansrok, slechts strekken kon om hem in een zeer ongunstig daglicht te plaatsen. De Baron rechtvaardigde zich uitvoeriger, dan hier behoeft te worden medegedeeld. Hij hield staande, dat, daar de twist beiden gold, Balmawhapple, overeenkomstig de wetten der eer, er niet buiten kon om beide genoegdoening te geven. Hij had dit gedaan tegenover hem, door een eervolle ontmoeting, en bij Eduard door zulk een herroeping, voegde de Baron er bij, die het gebruik van den degen onnoodig maakte, en die, nadat ze gedaan en aangenomen was, de geheele zaak als geëindigd moest doen beschouwen. Deze verontschuldiging of verklaring sloot Waverley den mond, al bevredigde ze hem niet volkomen; maar hij kon niet nalaten eenig ongenoegen te toonen tegen den Gezegenden Beer, die aanleiding tot den twist had gegeven, noch te verzwijgen, dat deze naar zijn meening den hem geschonken titel alles behalve verdiende. De Baron stemde toe, niet te kunnen ontkennen, dat „de beer, schoon door wapenkundigen voor een zeer vereerend teeken gehouden, nogtans wat korzelig en grommig van aard was, (zoo als men bij Archibald Simson, pastoor van Dalkeith, in zijn Hierogliphica Animalium lezen kan) en hij was dus het zinnebeeld geweest van een aantal twisten en oneenigheden in den huize Bradwardine, onder welke,” ging hij voort, „ik mijn eigen ongelukkig geschil kan aanhalen met mijn neef, in den derden graad van moeders zijde, sir Hew Halbert. Deze had de onvoorzichtigheid om mijn familie-naam te bespotten, alsof die quasi Beer-waardijn of Beren-hoeder geweest ware; een onheusche aardigheid, daar zij niet slechts doet vermoeden, dat de stichter van ons huis zulk een geringe betrekking als die van oppasser van wilde dieren bekleedde, een ambt, zooals gij opgemerkt zult hebben dat slechts aan de laagste plebejers wordt toevertrouwd; maar ze gaf bovendien nog te kennen, dat ons wapenschild niet verkregen zou zijn door eervolle daden in den oorlog, maar bij wijze van paranomasia, of toespeling op onzen familie-naam, iets dat de Franschen armoires parlantes, de Latijnen arma cantantia, dat is „sprekende wapens” noemen;1 daar dit inderdaad eene soort van blazoenering is, die beter voegt aan letterknechten, woordkramers en dergelijk bedelvolk, wier brabbeltaal op woordspelingen gegrond is, dan aan de edele, eervolle en nuttige heraldiek, die wapens toekent als vergelding van edele en grootmoedige daden, en niet om het oor te streelen met de ijdele quodlibets, die men in boeken met snakerijen vindt.”2 Van zijn twist met sir Hew sprak de baron geen woord meer, dan dat die op eene voegzame wijze beslist was. [72]

Na zoo uitvoerig te zijn geweest met betrekking tot de uitspanningen op Tully-Veolan, gedurende de eerste dagen van Eduard’s bezoek, om den lezer des te beter met de bewoners bekend te maken, gelooven wij ons te kunnen onthouden om alles wat er later voorviel, even nauwkeurig te boek te stellen. Men kan gissen dat een jonkman, die vroolijker gezelschap gewoon was, weldra eindigen zou met zich te vervelen in den omgang: met zulk een geweldigen voorstander der „heraldiek”, als de Baron; maar Eduard vond een aangename afwisseling in het verkeer met Freule Bradwardine, die met gretigheid naar zijne aanmerkingen over letterkunde luisterde, en wier antwoorden zoowel een juist oordeel als een gekuischten smaak verrieden. Hare zachtheid had haar gewillig, en zelf met genoegen, de door haar vader voorgeschreven lectuur doen volgen, ofschoon hij haar veroordeeld had, niet slechts tot het lezen van verscheidene folianten, die over de historie handelden, maar ook van zekere reusachtige boekdeelen, vol godgeleerde stellingen en twisten. Wat de wapenkunde betreft, had hij zich gelukkig tevreden gesteld met haar zulk een oppervlakkig denkbeeld er van mede te deelen, als ze zich verschaffen kon uit de lezing van Nishet’s twee deelen in folio. Rose was inderdaad de oogappel haars vaders; hare aanhoudende levendigheid, hare oplettendheid om hem al die kleine diensten te bewijzen, welke juist hun het meeste genoegen verschaffen, die er nooit aan denken om ze te vorderen; hare schoonheid, die den Baron de trekken zijner geliefde vrouw voor den geest riep, hare ongeveinsde vroomheid en hare edele grootmoedigheid, zouden voldoende zijn geweest om de genegenheid van iederen vader te wettigen.

Zijne bezorgdheid voor haar scheen zich nogtans niet te richten naar dien kant, waar ze, volgens het algemeene gevoelen, met het meeste nut wordt aan den dag gelegd; namelijk door te pogen haar, door middel van een rijke huwelijksgift of eene aanzienlijke partij, een positie in de wereld te bezorgen. Volgens een aloude familiebeschikking moesten meest al de landgoederen van den Baron na zijn dood op een verren bloedverwant overgaan; en men was algemeen van gedachte, dat freule Bradwardine slechts met een klein fortuintje zou blijven zitten, daar haars braven vaders geldzaken te lang aan het uitsluitend beheer van den heer Mackwheeble waren toevertrouwd geweest, om de menschen in den waan te laten, dat hij veel voor zijn dochter zou overgelegd hebben. Het is waar, gezegde rentmeester had zijn patroon en diens dochter naast zich zelven lief, (schoon op een onvergelijkelijken afstand). Hij was van gedachte, dat het niet onmogelijk was de landgoederen van de mannelijke linie op de vrouwelijke te doen overbrengen, ja, had inderdaad hieromtrent een advies verkregen, (en wel gelijk hij zich beroemde, gratis) van een uitstekend Schotsch rechtsgeleerde, dien hij behendig op dit punt gebracht had, terwijl hij hem over een geheel andere zaak raadpleegde. Maar de Baron wilde zelfs geen oogenblik naar zulk een voorstel luisteren. Integendeel placht hij er een boosaardig genoegen in te vinden, om te roemen, dat de baronij van Bradwardine een mannelijk leen was, daar het eerste charter in dien lang vervlogen tijd gegeven was, toen men de vrouwen nog niet bevoegd achtte om een leen te houden, omdat, volgens Les coustumes de Normandie, c’est l’homme ki se bast et ki conseille; of, gelijk het nog onbeleefder luidt bij andere autoriteiten, in het aanhalen van wier dikwijls ellenlange, barbaarsche namen hij vermaak [73]schiep, omdat een vrouw den opper- of leenheer niet kan dienen in den oorlog, uit hoofde van het decorum harer kunne, noch hen met raad bijstaan, uit hoofde van haar bekrompen verstand, noch zijne geheimen bewaren tengevolge van de zwakheid harer natuur. Hij placht ook soms zegevierend te vragen, of het passend zou zijn een vrouw, en wel een vrouw van het huis Bradwardine, bezig te zien in servitio exuendi, seu detrahendi, caligas regis post battaliam? dat wil zeggen, met het uittrekken van des konings laarzen na een gevecht, hetgeen de leendienst was, waarvoor hij de baronij van Bradwardine bezat. Neen! neen!” vervolgde hij, „zonder twijfel, procul dubio, zijn een aantal vrouwen, even waardig als Rose, uitgesloten geweest, om voor mijn eigene opvolging plaats te maken; en de Hemel beware mij, dat ik iets doen zou om de bedoeling mijner voorvaderen tegen te werken, of inbreuk te maken op het recht van mijn bloedverwant, Malcolm Bradwardine van Inchgrabbit, een vereerenswaardige, ofschoon vervallen tak van mijn geslacht.”

Nadat de Rentmeester, als eerste Minister, deze beslissing van zijn Souverein ontvangen had, durfde hij niet verder op zijn eigene meening aandringen, maar hield zich tevreden met, bij alle gepaste gelegenheden, als hij zich in gezelschap bevond met Saunderson, den minister van binnenlandsche zaken, te klagen over de eigenzinnigheid van den Baron, terwijl hij dan steeds plannen ontwikkelde, om Rose te doen huwen met den jongen heer van Balmawhapple, die een aardig, slechts weinig bezwaard landgoed bezat, en een onbesproken jongman was, daar hij zich zoo zedig hield als een heilige – wanneer men den brandewijn slechts van hem en hem op een afstand van den brandewijn hield – en wien in een woord niets onvolkomens aankleefde, dan dat hij van tijd tot tijd met wat ligt gezelschap, zooals Jinker den paardekooper en Gibby Gaethrowit den speelman van Cupar omging, „van welke dwaasheden hij genezen zal, mijnheer Saunderson, ja, genezen,” – zeide de baljuw.…

„Als zuur bier in den zomer,” voegde David Gellatley er bij, die toevallig dichter bij het conclave was, dan zij wisten.

Freule Bradwardine, zooals wij haar hebben beschreven, eenvoudig en weetgierig als iemand gewoonlijk is, die van de wereld afgezonderd leeft, greep gretig iedere gelegenheid aan, om den kring harer letterkundige kennis uit te breiden, die haar door Eduard’s verblijf werd aangeboden. Hij zond naar zijn garnizoen om eenige van zijn boeken, en deze openden Rose een bron van genot, waarvan zij tot nu toe geen denkbeeld had gehad. De beste Engelsche dichters in ieder genre, en andere werken over fraaie letteren, maakten een gedeelte dezer kostbare bezending uit. Haar muzijk, zelfs haar bloemen, werden verwaarloosd; en Saunderson treurde niet alleen, maar begon zelfs tegenzin in den arbeid te krijgen, waarvoor hij ter nauwernood meer een bedankje ontving. Deze nieuwe genoegens werden van tijd tot tijd verhoogd, doordat zij ze met iemand van gelijken smaak deelde. Eduard’s gereedheid tot verklaren, tot voorlezen, tot uitleggen van moeielijke plaatsen, maakte zijn hulp onbetaalbaar; en zijn romantische richting betooverde een meisje, dat te jong en onbedreven was om er de gebreken van op te merken. Voor de onderwerpen die hem belang inboezemden, en wanneer hij geheel op zijn gemak was, bezat hij dien vloed van natuurlijke en min of meer bloemrijke welsprekendheid, welke evenzeer als voorkomen, beschaafde manieren, roem of fortuin in staat zijn, om het hart eener [74]vrouw te winnen. Er lag dus in dezen bestendigen omgang een toenemend gevaar voor de gemoedsrust der arme Rose, daar haar vader te zeer werd afgetrokken door zijn studieën, en te zeer vervuld was met zijn eigene waardigheid, om er aan te denken, dat zijn dochter iets te vreezen had. De dochters van den huize Bradwardine waren, naar zijn gevoelen, gelijk die van den huize van Bourbon of Oostenrijk, ver boven de wolken der hartstochten verheven, die het brein van mindere vrouwelijke wezens mochten benevelen; zij bewogen zich in een anderen sfeer, werden door andere gewaarwordingen bezield, en gedroegen zich naar andere regels, dan die eener ijdele en grillige genegenheid. Met éen woord, hij sloot zijn oogen zoo vast voor de natuurlijke gevolgen van Eduard’s gemeenzaamheid met freule Bradwardine, dat al zijn buren tot het besluit kwamen, dat hij ze geopend had voor de voordeelen van een huwelijk tusschen zijn dochter en den rijken Engelschman, en zij hem voor minder dwaas verklaarden, dan hij zich doorgaans betoond had, in zaken waarin zijn belang op het spel stond.

Zoo de Baron evenwel werkelijk aan zulk een verbindtenis had gedacht, zou Waverley’s natuurlijke onverschilligheid een onoverkomelijke hinderpaal voor zijn plan zijn geweest. Nu onze held meer met de wereld in aanraking gebracht was, had hij geleerd met groote schaamte en verlegenheid aan zijne geheime legende van de heilige Cecilia te denken; en het onaangename van dit gepeins scheen, althans voor eenigen tijd, op te wegen tegen de natuurlijke ontvlambaarheid van zijn hart. Bovendien bezat Rose Bradwardine, hoe schoon en beminnelijk zij, volgens onze beschrijving, ook was, juist niet die soort van schoonheid of bekoorlijkheden, die in staat zijn om eene romaneske verbeelding in de eerste jeugd te boeien. Zij was te open, te vertrouwelijk, te goed – ongetwijfeld beminnelijke eigenschappen, maar doodelijk voor dat wonderbaarlijke, waarmede een jongeling, met een levendige verbeelding begaafd, vermaak vindt de koningin van zijn hart op te sieren. Was het Eduard mogelijk zich neder te werpen, te beven, voor het beschroomde, nog speelzieke jonge meisje, of wel haar te aanbidden, die hem nu eens vroeg hare pen te vermaken, dan weder eene stanza van Tasso te vertolken, en straks weder hoe zij een lang, heel lang woord in hare overzetting daarvan spellen moest? Al deze dingen hebben voor het hart op een zekeren leeftijd iets betooverends, maar niet wanneer een jongeling het leven pas intreedt, en naar een voorwerp zoekt, welks genegenheid hem in zijn eigene oogen verheft, in plaats van af te dalen tot eene die om deze zelfde onderscheiding tot hem opziet. – Vandaar, ofschoon er geen vaste regel voor zulk een grilligen hartstocht als de liefde bestaat, kan men ten minste aannemen, dat een jeugdig minnaar gewoonlijk door de eerzucht in zijn eerste keus wordt geleid; of, hetgeen op hetzelfde neêrkomt, dat hij (gelijk in het geval der legende van de heilige Cecilia voormeld), die zoekt in omstandigheden, welke ruim baan laten aan le beau ideal, hetwelk de wezenlijkheid van een vertrouwelijken en innigen omgang verzwakt en beperkt. Ik heb een zeer wel opgevoed jongeling gekend, die van zijn vurige liefde voor een schoon meisje genezen werd, wier talenten niet in overeenstemming waren met haar gelaat en hare gestalte, door de vergunning een geheelen namiddag in haar gezelschap door te brengen. Even zeker is het ook, dat, indien Eduard zulk een gelegenheid had gehad om zich met jufvrouw Stubbs te onderhouden, [75]tante Rachels voorzorg geheel onnoodig zou zijn geweest; want hij zou dan even min op haar als op de keukenmeid hebben kunnen verliefd worden. En, ofschoon freule Bradwardine een geheel ander meisje was, is het te vermoeden, dat juist hun gemeenzame omgang hem belette iets anders voor haar te gevoelen, dan de genegenheid van een broeder voor zijn beminnelijke en talentvolle zuster; terwijl de aandoeningen van de arme Rose, langzamerhand en zonder dat zij het wist, van een veel teederder genegenheid getuigden.

Ik had moeten vermelden, dat Eduard, toen hij naar Dundee om de vermelde boeken had gezonden, verlof verzocht en verkregen had, om zijn afwezigheid te verlengen. Maar de brief van zijn commanderenden officier bevatte eene vriendelijke aanbeveling, om zijn tijd niet uitsluitend door te brengen met lieden, van wie, hoe achtenswaardig zij in het algemeen ook wezen mochten, men niet veronderstellen kon, dat zij een bewind zeer genegen waren, hetwelk ze weigerden te erkennen, door het doen van den huldigingseed. De brief gaf verder, hoewel met de meeste kieschheid, te kennen, dat, schoon zekere familieverbindtenissen het voor kapitein Waverley noodzakelijk mochten maken met heeren omtegaan, die onder onaangename verdenking lagen, de betrekkingen en het verlangen van zijn vader hem nogtans moesten beletten deze beleefdheid tot vertrouwelijkheid te laten aangroeien. Ook waarschuwde men hem, dat, terwijl zijn staatkundige grondbeginselen gevaar liepen door den omgang met lieden van deze soort, hij zich eveneens wachten moest verkeerde indrukken te ontvangen van de episcopaalsche geestelijkheid, die zoo verkeerd te werk ging met de koninklijke prerogativen in gewijde zaken te laten gelden.

Deze laatste wenk verleidde waarschijnlijk Waverley, om dien even als de voorafgegane raadgevingen, aan vooroordeelen van zijn Overste toe te schrijven. Hij was er gevoelig voor, dat de heer Bradwardine met de meest nauwgezette kieschheid ieder gesprek vermeden had, dat slechts de minste strekking had, om invloed uit te oefenen op hem, of hem tot zijn staatkundige gevoelens over te halen, schoon hij zelf niet alleen een bepaalde voorstander van de verbannen familie was, maar hem ook, op verschillende tijden, belangrijke zendingen door haar waren opgedragen. Daar hij dus volkomen overtuigd was, dat hij geen gevaar liep van zijn getrouwheid aan de dynastie te worden afgebracht, kwam het Eduard voor, dat hij den ouden vriend zijns ooms onrecht zou doen, door een huis te verlaten, waar hij genoegen smaakte en verschafte, enkel om zich te schikken naar een bevooroordeeld en kwalijk gegrond vermoeden. Hij antwoordde, uit dien hoofde, in zeer algemeene bewoordingen, terwijl hij zijn chef verzekerde, dat zijne getrouwheid volstrekt niet bedreigd werd, en bleef bij voortduring een geëerd gast en bewoner van het huis Tully-Veolan. [76]


1 Sprekende wapens. 

2 Zie Aanteekening M. Sprekende wapens. W. S.