[Inhoud]

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE ZUSTER VAN DEN HOOFDMAN.

De gezelschapskamer van Flora Mac-Ivor was op de eenvoudigste wijze gemeubeleerd; want op Glennaquoich werd iedere andere soort van uitgaven zooveel mogelijk vermeden, opdat het Opperhoofd steeds in staat zou zijn, op een onbekrompen wijze gastvrijheid uit te oefenen, en het getal zijner aanhangers en vazallen onverminderd te behouden en te vermeerderen. Maar er was geen zweem van deze zuinigheid in de kleeding der dame zelve te bespeuren, die wat de stof betreft, keurig en zelfs rijk was, en opgemaakt op een wijze, welke gedeeltelijk overeenkwam met de Parijsche mode, en gedeeltelijk met de eenvoudiger dracht der Hooglanders, en met oordeel en smaak gekozen was. Het haar was niet misvormd door de kunst des kappers, maar viel in losse krullen langs haar hals, alleen teruggehouden door een rijk met diamanten bezetten haarband. Hierin schikte ze zich naar de vooroordeelen der Hooglanders, die niet verdragen konden, dat het hoofd eener vrouw, vóor haar huwelijk, bedekt werd.

Flora Mac-Ivor geleek sprekend op haar broeder Fergus; zoo sterk zelfs, dat zij Viola en Sebastiaan1 hadden kunnen spelen, met hetzelfde schitterend gevolg, als mevrouw Henry Siddons2 en haar broeder de heer William Murray, in deze rollen. Zij hadden hetzelfde antieke regelmatige profiel; dezelfde donkere oogen en wenkbrauwen; blanke huid; behalve dat Fergus door de zon een weinig bruiner geworden was; terwijl Flora al de fijnheid, waardoor haar geslacht zich onderscheidt, bezat. Maar de hooghartige en eenigszins strenge regelmatigheid [111]van Fergus’ trekken was op eene wonderbaarlijke wijze in die van Flora verzacht. Hunne stemmen hadden ook veel overeenkomst met elkaâr, maar verschilden van toon. Die van Fergus, inzonderheid als hij aan zijn manschappen bij hunne krijgsoefeningen bevelen gaf, herinnerde Eduard aan een lievelingsplaats in de beschrijving van Emetrius:

„Wiens stem in ’t ronde klonk, luid als de krijgstrompet

Met zilver-zuivren klank.”

Die van Flora, daarentegen, was zacht en liefelijk; „eene uitnemende gaaf bij een vrouw;” maar wanneer ze daarentegen over het een of ander uitverkoren onderwerp sprak, zoo als ze dikwijls met een natuurlijke welsprekendheid deed, bezat ze zoo wel de klanken, die ontzag en ernst inboezemen, als die van wegslepende overreding. De scherpe blik van het vurige, zwarte oog, die, in het Opperhoofd, het ongeduld verried zelfs over de stoffelijke hinderpalen die hij ontmoette, had in dat van zijn zuster een zekeren liefelijken ernst. De oogen des broeders schenen den roem, de macht, kortom al datgene te zoeken, wat hem boven anderen verheffen kon; terwijl die van de zuster, zich harer verstandelijke meerderheid bewust, eerder diegenen schenen te beklagen dan te benijden, welke naar eenige andere onderscheiding streefden. Hare gevoelens waren volkomen in overeenstemming met de uitdrukking van haar gelaat. Door de vroegste indrukken harer opvoeding, was haar hart zoowel als dat van haar broeder, met de innigste gehechtheid voor het verjaagde huis van Stuart bezield. Zij achtte het een heiligen plicht van haar broeder, van zijn clan, van iederen bewoner van Groot-Brittanje, om ten koste van welk persoonlijk gevaar ook, tot de herstelling mede te werken, waarop de aanhangers van den Ridder van St. George niet hadden opgehouden te hopen. Hiervoor was ze gereed alles te doen, alles te lijden, alles ten offer te brengen. Maar hare getrouwheid aan het verbannen geslacht, zoo ze die van haar broeder ook al in geestdrift te boven ging, won het tevens in zuiverheid van hem. Aan kleine intriges gewoon, in duizenderlei nietige en baatzuchtige overleggingen met anderen gewikkeld, even eerzuchtig van aard als hij zelf, was Fergus’ staatkundige trouw, zoo al niet besmet dan toch verdacht wegens de uitzichten op persoonlijk belang en bevordering, zoo ligt daarmede te verbinden; en op het oogenblik, dat hij zijn zwaard ontblootte, zou het moeielijk zijn te zeggen, of hij het meer deed met oogmerk om Jacobus Stuart tot koning, of Fergus Mac-Ivor tot graaf te maken. Het is waar, deze gemengde gevoelens durfde hij zich niet bekennen, maar dit nam niet weg dat ze inderdaad bestonden.

In Flora’s borst integendeel brandde het vuur der getrouwheid aan den vorst zuiver, en zonder met eenig baatzuchtig gevoel vermengd te zijn; ze zou even ligt de godsdienst tot het masker van eer- en baatzuchtige bedoelingen gemaakt hebben, als dergelijke plannen te verbergen onder de gevoelens, die ze geleerd had voor vaderlandsliefde aan te zien. Zulke voorbeelden van verknochtheid waren niet zeldzaam onder de voorstanders van het ongelukkige huis van Stuart, waarvan een aantal merkwaardige bewijzen den meesten mijner lezers voor den geest zullen treden. Maar de bijzondere oplettendheid van den Ridder van St. George en van zijn gemalin voor de ouders van Fergus en zijn zuster, en inzonderheid voor beiden toen ze weezen waren, had hunne getrouwheid versterkt. [112]Fergus was, na den dood zijner ouders, eenigen tijd page geweest in het gevolg van des Ridders gemalin, en, om zijn schoonheid en levendige geaardheid, werd hij steeds door haar met de hoogste onderscheiding behandeld. Deze nu strekte zich insgelijks uit tot Flora, die gedurende eenigen tijd, voor rekening van de Prinses, in een klooster van den eersten rang werd geplaatst, en van daar overgebracht in haar eigen hofgezin, waar ze twee jaren sleet. Beiden, broeder en zuster, bleven daarna voortdurend de innigste dankbaarheid voor deze vriendelijkheid der Prinses koesteren.

Na aldus de voornaamste beginselen en drijfveeren van Flora’s karakter geschilderd te hebben, behoef ik het overige slechts te schetsen. Ze was met groote bekwaamheden bedeeld, en had de bevallige manieren, welke men verwachten kan van iemand, die op jeugdigen leeftijd in het gezelschap eener prinses heeft verkeerd; maar ze had niet geleerd wat ze inderdaad voelde onder een zeker vertoon van beleefdheid te verbergen. Toen ze zich in de eenzame streken van Glennaquoich gevestigd zag, bemerkte ze dat de kennis, die ze van de Fransche, Engelsche en Italiaansche letterkunde bezat, zeer weinig, en dan nog slechts ongeregeld, voortgezet kon worden; en, daar ze den overigen tijd wenschte aan te vullen, wijdde ze een gedeelte daarvan aan de muziek en de dichterlijke overleveringen der Hooglanders. Ze begon werkelijk een genoegen in deze tijdkorting te vinden, hetwelk haar broeder, wiens gevoel voor letterkundig genot niet zoo ontwikkeld was, eer voorwendde, om zich bij het volk bemind te maken, dan dat hij het, zooals zijn zuster, werkelijk smaakte. Het uitstekende welgevallen, haar door diegenen betuigd, bij wie ze zich om onderricht vervoegde, bevestigde haar in haar voornemen om hare nasporingen voort te zetten.

De liefde tot haar clan, die ze als een erfdeel in haar hart koesterde, had even als hare trouw aan het koninklijke huis, een zuiverder beginsel dan die van haar broeder. Fergus was een te degelijk staatsman, en beschouwde zijn aartsvaderlijk gezag te zeer als een middel om zijn eigene grootheid te bevorderen, dan dat wij hem het voorbeeld van een Hooglandsch Opperhoofd noemen zouden. Flora ijverde insgelijks, om hunne patriarchale heerschappij aan te kweeken en uit te breiden; maar het was met de grootmoedige bedoeling, om diegenen voor armoede, of ten minste voor gebrek en vreemde onderdrukking te bewaren, over wie haar broeder, volgens de begrippen van dien tijd, door zijn geboorte geroepen was te heerschen. Wat ze van haar inkomen besparen kon, want ze trok een gering jaargeld van de prinses Sobieski3, werd besteed, niet om de geriefelijkheden des levens voor den boerenstand te vermeerderen – want dat was een woord, hetwelk ze verstonden noch waarschijnlijk wenschten te verstaan, – maar om in hunne volstrekte behoeften, bij ziekte of ouderdom te gemoet te komen. Op iederen anderen tijd sloofden deze lieden zich veeleer af, om iets te winnen, dat ze met den Hoofdman zouden kunnen deelen, als een bewijs van hunne gehechtheid, dan dat ze van hem op eenigen anderen bijstand [113]rekenden boven hetgeen de eenvoudige gastvrijheid van zijn kasteel, en de algemeene verdeeling en onderverdeeling zijner landgoederen onder hen opleverden. Ze waren zoo zeer aan Flora gehecht, dat, toen Mac-Murrough een lied had vervaardigd, waarin hij al de bijzondere schoonheden van het district opsomde, hij eindigde met haar den voorrang boven alles toe te kennen, en wel door het beeld, „dat de schoonste appel aan den hoogsten tak hing.” Hij ontving daarvoor, in geschenken van enkele leden des clans, meer zaaigerst, dan voldoende was om zijn Hooglandschen Parnassus, dien men gewoon was den Bardentuin te noemen, tienmalen te bezaaien.

Zoowel door omstandigheden, als uit verkiezing, was de omgang van Freule Mac-Ivor zeer beperkt. Haar vertrouwdste vriendin was Rose Bradwardine geweest, aan wie ze zeer gehecht was; en bij elkander zouden zij den kunstenaar twee uitstekend fraaie modellen van de vroolijke en droefgeestige zanggodin hebben opgeleverd. Inderdaad werd Rose zoo teeder door haar vader bemind, en was de kring harer wenschen zoo beperkt, dat er nooit een bij haar opkwam waaraan hij niet geneigd was te voldoen en zelden was er een, welks vervulling niet binnen het bereik zijner macht viel. Met Flora was het geheel anders. Toen ze nog een kind was, had ze allerlei lot-wisselingen ondergaan; uit een staat van glans en luister was ze tot volslagen eenzaamheid en betrekkelijke armoede vervallen; en de denkbeelden en wenschen, die ze hoofdzakelijk koesterde, hadden betrekking op groote nationale gebeurtenissen en omwentelingen, die niet zonder gevaar en bloedstorting tot stand te brengen waren, en waaraan inderdaad niet dan met hoogen ernst gedacht kon worden. Hare houding was bijgevolg hoog ernstig, ofschoon ze hare talenten gaarne aanwendde tot vervroolijking van het gezelschap, en ze zeer hoog stond aangeschreven in de achting van den ouden Baron, die gewoon was met haar de Fransche duetten van Lindor en Chloris enz. te zingen, die omstreeks het einde der regeering van „Louis le Grand” in de mode waren.

Men geloofde algemeen, hoewel niemand den baron van Bradwardine hiervan iets had durven laten blijken, dat Flora’s beden geen gering aandeel hadden aan het bedwingen van Fergus’ gramschap, bij gelegenheid van hun twist. Ze vatte haar broeder van de zwakke zijde aan, door eerst stil te staan bij den ouderdom van den Baron, en door vervolgens het nadeel aan te wijzen, dat de groote zaak lijden kon, zoo ook bij den smet voor zijn goeden naam te duchten, waar er sprake was van wijze gematigdheid, zoo noodig voor een staatkundig agent, indien hij voornemens bleef den twist tot het uiterste te laten komen. Zonder deze bedenkingen zou het waarschijnlijk op een tweegevecht zijn uitgeloopen, zoowel omdat de Baron, bij een vroegere gelegenheid, het bloed van den clan gestort had, hoewel de zaak in der tijd geschikt was – als op grond van den grooten roem, dien den grijsaard in het voeren van den degen had verworven, en dien Fergus niet nalaten kon te benijden. Om die reden had ze te meer op hunne verzoening aangedrongen, waarin het Opperhoofd te gereeder toestemde, daar ze eenige door hem uitgedachte plannen begunstigde.

Aan deze jonge dame, die thans over het vrouwengebied van de theetafel heerschte, stelde Fergus kapitein Waverley voor, en zij ontving hem met de gewone door de wellevendheid voorgeschreven vormen. [114]


1 Shakespeare’s Viola, die de kleederen van haar broeder aantrekt en zich voor hem laat doorgaan. 

2 Hier wordt niet de beroemde treurspelspeelster mevrouw Henry Siddons, te Edinburgh, bedoeld. 

3 De kleindochter van den grooten Sobieski. Haar vader Jacobus Sobieski, haalde zich de ongenade van Oostenrijk op den hals, door zijn toestemming tot haar huwelijk met den Pretendent te geven.