[Inhoud]

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

WAVERLEY VERLENGT ZIJN VERBLIJF TE GLENNAQUOICH.

Nauwelijks had Flora haar lied geëindigd, of Fergus stond voor hen. „Ik wist, dat ik ook zonder de hulp van mijn vriend Bran, u hier zou vinden. Iemand met een eenvoudigen smaak, zoo als de mijne, en die niet naar het verhevene zoekt, zou aan de springende fontein van Versailles boven dezen waterval, met al zijn rotswerk en geplas de voorkeur geven; maar, kapitein Waverley, dit is Flora’s Parnassus, en deze stroom haar Helicon. Ze zou mijn kelders geen geringe dienst bewijzen, zoo zij haar coadjutor, Mac-Murrough, van de uitnemende kracht dezer bron kon overtuigen; hij heeft nog pas een halve flesch brandewijn opgedronken, om, zoo als hij zeide, de koude van den rooden wijn wat te temperen. Kom, laat mij de kracht er eens van beproeven.” Hij slurpte een weinig water uit de holte van de hand, en begon dadelijk met een theatrale houding:

„Gegroet, o schoone der woestijn!

Der Gaelsche zangkunst oogelijn!

In ’t fraai en vruchtbaar land verwekt,

Waar gras noch graan den grond bedekt.”

[122]

„Maar de Engelsche poëzij gelukt nooit onder den invloed eens Hooglandschen Helicons: Allons, courage! De Fransche taal zal mij beter van dienst zijn:

O vous qui buvez à tasse pleine

A cette heureuse fontaine,

Où l’on ne voit sur le rivage

Que quelques vilains troupeaux

Suivis de nymphes de village,

Qui les escortent sans sabots.”

In ’s hemels naam, lieve Fergus, verschoon ons van deze allervervelendste en laffe personages uit Arcadië. Laat, bid ik u, Coridon en Lindor niet op ons los.”

„Wel! zoo ge geen smaak kunt vinden in den herderstaf en de schalmei, dan zal ik u op een heldendicht onthalen.”

„Beste Fergus, gij hebt zeker meer geproefd uit Mac-Murrough’s beker, dan uit den mijnen.”

„Dat ontken ik, ma belle demoiselle, al moet ik ook verklaren, dat die mij het best van de twee zou behagen. Wie uwer ijlhoofdige Italiaansche romancedichters zegt er:

Io d’ Elicona niente

Mi curo, in fe de Dio, che’l bere d’acque

(Bea chi ber ne vuol) sempre mi spiacque.1

Maar zoo gij aan het Gaelsch de voorkeur geeft, kapitein Waverley, zal hier de kleine Cathleen Drimmindhu voor u zingen. – Kom, Cathleen, (mijn beste), begin slechts; geene komplimenten!”

Cathleen droeg zeer levendig een Gaelsch liedje voor, waarin een landman op tragi-komische wijze het verlies zijner koe betreurt. Schoon Waverley niets verstond van de taal waarin ze het zong, moest hij meer dan eens om het komieke van de voordracht lachen.”2

„Uitmuntend, Cathleen,” riep het Opperhoofd, „ik moet binnen kort een knap man voor u onder mijn clanslieden uitzoeken.”

Cathleen lachte, bloosde en verschool zich achter haar gezellin.

Op hun terugtocht naar het kasteel, drong het Opperhoofd bij Waverley met warmte aan een paar weken te blijven, ten einde getuige te wezen van een jachtpartij, waaraan hij en eenige andere Hooglandsche heeren voornemens waren deel te nemen. De tooverkracht van schoonheid en muziek had te diepen indruk op het hart van Waverley achtergelaten, dan dat hij in staat zou geweest zijn voor deze vriendelijke uitnoodiging te bedanken. Men kwam dus overeen, dat hij een briefje naar den baron van Bradwardine zou zenden, waarin hij zijn voornemen te kennen gaf, om een veertien dagen te Glennaquoich te blijven, terwijl [123]hij hem verzocht door den brenger (een gilly, of loopjongen, van het Opperhoofd) de brieven te laten bezorgen, die voor hem mochten gekomen zijn.

Dit bracht het gesprek op den Baron, dien Fergus als edelman en soldaat hoog roemde. Zijn karakter werd nog wel zoo juist en fijn geschetst door Flora, die beweerde dat hij inderdaad het model was van een oud Schotschen ridder, met al zijn zonderlingheden en deugden. „Het is een soort van mensch, kapitein Waverley, die langzamerhand verdwijnt; want de edelste trek er van, was eerbied voor zich zelf, dien men tot nu toe nooit uit het oog verloren had. Maar thans worden de heeren, wier beginselen hun niet toelaten aan het tegenwoordige Bewind hun hof te maken, verwaarloosd en vernederd, en velen gedragen zich daarnaar, en onderwerpen zich, gelijk enkele lieden, die ge op Tully-Veolan ontmoet hebt, aan gewoonten en gezelschap, die onbestaanbaar zijn met hunne geboorte en in strijd met hun opvoeding. De onbarmhartige partijwoede schijnt de slachtoffers, die zij, hoe onrechtvaardig ook, brandmerkt, inderdaad te vernederen. Maar laat ons hopen dat er een helderder dag aanbreekt; dat een Schotsch landedelman een geleerde zal kunnen zijn, zonder de pedanterie van onzen vriend den Baron; een liefhebber van de jacht zonder de onfatsoenlijke manieren van den heer Falconer; en een oordeelkundig landbouwer, zonder een lompe tweebeenige os te worden, als Killancureit.”

Aldus voorspelde Flora een omwenteling, die inderdaad door den tijd is teweeg gebracht, ofschoon op eene geheel andere wijze, dan zij zich voorstelde.

Zij sprak vervolgens over de beminnelijke Rose, en hield de warmste lofspraken op haar schoonheid, manieren en inborst. „Een onwaardeerbare schat,” zeide Flora, „zal den man ten deel vallen die het voorwerp van Rose Bradwardine’s genegenheid wordt; het bezit van haar hand en haar hart zal hem voorzeker gelukkig maken. Ze is geheel en al bezield met haar „t’huis”, en ze smaakt in de uitoefening van al de vreedzame deugden der huiselijkheid haar hoogste genoegen. Haar echtgenoot zal voor haar zijn, wat haar vader nu is, het voorwerp van al haar zorg, teederheid en liefde. Ze zal niets zien, en aan niets anders denken dan door hem en aan hem. Zoo hij een verstandig en braaf man is, zal ze zijn verdriet met hem gevoelen, zijn zorgen verzachten, zijn vermaken deelen. Wordt ze de vrouw van een strengen echtgenoot, of van iemand, die haar verwaarloost, dan zal ze zich insgelijks naar zijn zin schikken, want ze zal zijn onvriendelijke behandeling niet lang beleven. En, helaas! hoe groot is de kans, dat zulk een onwaardig lot mijn arme vriendin te beurt zal vallen! Waarom ben ik geen Koningin, om den beminnelijksten en waardigsten jongeling van mijn rijk te kunnen bevelen zijn geluk, te gelijk met de hand van Rose Bradwardine, te zoeken!”

„Intusschen zou ik wel wenschen, dat ge haar geliefdet te bevelen, en attendant mijne hand aan te nemen,” zei Fergus lachende.

Ik weet niet door welke opwelling het kwam, dat deze wensch, hoewel in scherts geuit, Eduard eenigszins schokte, in weerwil van zijn toenemende genegenheid voor Flora, en zijn onverschilligheid omtrent Freule Bradwardine. Dit is een dier geheimen van het menschelijk hart, welke wij vermelden, zonder te pogen er een verklaring van te geven.

„Uwe hand, broeder?” antwoordde Flora, terwijl ze hem strak in het [124]gelaat zag. „Neen! ge hebt een andere bruid – de Eer; en de gevaren die ge loopen moet om het bezit harer mededingster, zouden de arme Rose het hart breken.”

Onder dit gesprek bereikten ze het kasteel, en Waverley had spoedig zijn brief voor Tully-Veolan gereed gemaakt. Daar hij wist dat de Baron op zulke zaken zeer nauwlettend was, wilde hij zijn schrijven verzegelen met het familiewapen, doch hij vond het cachet niet aan zijn horlogie, en begreep dat hij het op Tully-Veolan had laten liggen. Hij sprak met een paar woorden over dit geleden verlies, en verzocht intusschen het zegel van zijn gastheer te mogen gebruiken.

„Zeker,” zeide freule Mac-Ivor, „Donald Bean Lean zou niet –”

„Ik sta met mijn leven borg voor hem in zulke omstandigheden,” antwoordde haar broeder: „daarenboven zou hij gewis het horloge niet vergeten hebben.”

„Hoe het zij, Fergus,” zeide Flora, „en wat ik ook toegeef, het verbaast mij toch, dat ge dien man kunt voorspreken.”

„Ik hem voorspreken! – Mijn vriendelijke zuster zou u wel diets maken, kapitein Waverley, dat ik zijn medeplichtige ben, – of, om duidelijker te spreken, dat de roover, bij wijze van schatting, een deel van zijn buit heeft moeten afstaan aan den landheer, over wiens gebied hij met zijn prooi getrokken is. Twijfel er geen oogenblik aan, zoo ik geen middel weet te vinden om Flora’s tong te breidelen, dan zal nog de generaal Blakeney een sergeant met eenige manschappen uit Stirling zenden, (dit zeide hij op trotschen en spotachtigen toon) om Vich Ian Vohr, zoo als men mij noemt, in zijn eigen kasteel gevangen te nemen.”

„Kom, kom, Fergus! moet onze gast niet gevoelen, dat dit alles kinderpraat en gekheid is? Ge hebt lieden genoeg tot uw dienst, zonder bandieten er onder op te nemen, en uw eigen eer is boven allen blaam verheven. – Waarom zendt ge dezen Donald Bean Lean, dien ik om zijn lage vleierij en dubbelhartigheid, nog meer dan om zijn rooverij haat, niet dadelijk uw land uit? Niets ter wereld zou mij kunnen bewegen om zulk een mensch te dulden.”

Niets ter wereld, Flora?” zei het Opperhoofd, met nadruk.

Niets, Fergus! zelfs dat niet, wat mij het naast aan het hart ligt. Bespaar me het ongeluk van zulke onwaardige bondgenooten te hebben.”

„Maar, hoor, zuster!” hernam het Opperhoofd op vroolijken toon, „ge denkt niet aan mijn achting voor la belle passion. Evan Dhu Maccombich is verliefd op Donald’s dochter Alice, en ge kunt niet verwachten, dat ik hem in zijn liefde zal dwarsboomen. Wel, de geheele clan zou zeggen, dat het schande was! Ge kent een hunner wijze gezegden, dat een bloedverwant een gedeelte is van iemands lichaam; maar dat een zoogbroeder een gedeelte is van iemands hart.”

„Nu, Fergus, er is met u geen twisten; ik wensch maar dat alles goed afloopen moge.”

„Een vrome wensch, mijn lieve en profetische zuster! en het best mogelijke middel om een eind te maken aan een zwak argument. Maar, hoort ge de doedelzakken niet, kapitein Waverley? Misschien zult ge meer lust hebben, om bij den klank dier muziek te dansen, dan door de harmonie te worden doof gemaakt, zonder deel te nemen in de lichaamsbeweging, waartoe ze ons uitngodigen.” [125]

Waverley nam Flora’s hand. Het dansen, zingen en feestvieren werd druk voortgezet, en besloot den vroolijken dag op het kasteel van Vich Ian Vohr. Eduard trok zich eindelijk terug; maar, door een aantal nieuwe en strijdige gewaarwordingen geslingerd, kon hij gedurende langen tijd geen rust vinden, terwijl hij in dien niet onaangenamen toestand gehouden werd, waarbij de verbeelding het roer in handen neemt, en de geest veeleer lijdelijk voortdrijft op den snellen en ongeregelden stroom der gedachten, dan wel eenige moeite doet, om ze aan te vatten, te schikken of te onderzoeken. Hij viel laat in slaap, en in zijn droomen stond het beeld van Flora Mac-Ivor voor hem.


1

Ik stoor mij weinig aan den Helicon.

Drink water al wie wil; ik gun hem graag de bron.

2 Dit oude Gaelsche lied is nog heden ten dage algemeen, zoo wel in de Hooglanden als in Ierland, bekend. Het is in het Engelsch vertaald, en als ik mij niet bedrieg, onder het toezicht van den pseudoniem Tom d’ Urfey, uitgegeven onder den titel van Coley, my cow