[Inhoud]

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN HERTEJACHT EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Zal dit een kort of een lang hoofdstuk zijn? – Dat is een vraag, waarin ge, geachte lezer, geen stem hebt, hoezeer ge ook in de gevolgen moogt betrokken wezen; juist zooals ge (even als ik zelf) niets te maken hebt met het opleggen eener nieuwe belasting, uitgenomen de onbeduidende omstandigheid, dat gij ze betalen moet. Evenwel zijt ge zeker ruim zoo gelukkig in het tegenwoordige geval; want ofschoon het aan mij staat, mijn stof naar verkiezing te rekken, kan ik u echter niet voor den rechter dagen, zoo het u mocht goeddunken mijn verhaal niet te lezen. Laat mij dus eens overleggen. Het is waar, dat de jaarboeken en stukken, die ik in handen heb, slechts weinig van deze Hooglandsche jacht zeggen; maar daarentegen kan ik elders overvloedige bouwstoffen vinden, om er een beschrijving van te geven. Want de oude Lindsay1 van Pitscottie ligt naast me opengeslagen, met zijn beschrijving der jacht in het Atholsche bosch, en „zijn hoog en geribd paleis van groen hout, met allerlei soort van drank, die men krijgen kon in steden en in dorpen, als ale, bier, wijn, muskadel, malvoizij, hypocras en aqua vitæ; benevens wittebrood, bruinbrood, koek, ossenvleesch, schapenvleesch, lamsvleesch, kalfsvleesch, wild, ganzen, jonge varkens, kapoenen, konijnen, kraanvogels, zwanen, patrijzen, pluivieren, eenden, pauwen, zwarte faizanten, korhoenders, enz.”, niet te vergeten „de kostelijke ligging, het vaatwerk en tafellinnen,” en minst van allen „de bekwame hofmeesters, allerknapste baksters, voortreffelijke koks en suikerbakkers, zoo min als de ingelegde en gedroogde confituren voor het nagerecht.” Behalve de bijzonderheden, die men verzamelen kan in de beschrijving van dit Hooglandsche feest, (welks luister des Pausen Legaat noopte om een gevoelen te verzaken, dat hij tot hiertoe gekoesterd had, namelijk dat [126]Schotland het – ja, het uiterste einde van de wereld was); behalve deze bijzonderheden, zou ik immers mijn verhaal wel mogen opluisteren met behulp van Taylor den waterpoëet2, die deze jachtpartij beschreef op de heide van Mar:

Langs heide en mos, door poel en kreek,

waarin het vorschje kwaakt;

Op ruwen rotstop en gebergt,

waarlangs de bliksem blaakt;

Wordt haas en bok en ree gejaagd,

gejaagd door mensch en hond;

En in een tweetal uren dekt

een twintigtal den grond.

o Laagland! laag is steeds uw jacht,

als wat ge biedt aan ’t oog;

Maar als het Hoogland jaagt of speelt,

is ’t altijd stout en hoog.

Maar zonder mijn lezers langer te kwellen, of mijn uitgebreide belezenheid verder uit te kramen, zal ik me tevreden stellen met het aanhalen van een enkele bijzonderheid uit de merkwaardige jacht te Lude, welke in de Verhandeling over de Caledonische Harp van den geleerden heer Gunn voorkomt; en ik derhalve mijn geschiedenis vervolgen met al de kortheid, welke mijn eigene wijze van stellen (die wel iets heeft van hetgeen door geleerden de omschrijvende en uitvoerige manier, maar door het gemeen met den naam van omslachtige bestempeld wordt), mij vergunnen zal.

Om onderscheidene redenen werd de groote jachtpartij drie weken uitgesteld. De tusschentijd werd door Waverley met veel genoegen te Glennaquoich gesleten; want de indruk, dien Flora, bij de eerste ontmoeting, op hem had gemaakt, nam met iederen dag toe. Ze was juist iemand, om een jong mensch van levendige verbeelding te betooveren. Hare manieren, hare gesprekken, hare gaven in de poëzij en de muzijk, zetten aan haar persoonlijke bevalligheid nieuwe bekoorlijkheden bij. Zelfs in haar vroolijke oogenblikken was ze, in zijn schatting, boven de gewone dochters van Eva verheven, en scheen ze slechts voor enkele oogenblikken zich te vernederen tot die uitspanningen en nietigheden, waarvoor zoovele vrouwen schijnen te leven. Door den omgang met deze betooverende schoone, terwijl de jacht zijn morgenuren in beslag man, en de avond met dans en gezang voorbijging, werd Waverley met iederen dag meer ingenomen met zijn gullen gastheer, en meer verliefd op diens bekoorlijke zuster.

Eindelijk brak de bepaalde tijd voor de aangekondigde jachtpartij aan, en Waverley en het Opperhoofd vertrokken naar de plaats der vereeniging, een dagreize noordwaarts van Glennaquoich gelegen. Fergus had bij deze gelegenheid een gevolg van omstreeks driehonderd manschappen uit zijn clan, wel gewapend en uitgerust in hun besten tooi. Waverley [127]schikte zich in zoo verre naar de gewoonte des lands, dat hij de trews droeg, maar kon er niet toe besluiten om den kilt aan te nemen; ook droeg hij de brogues en de muts als de meest geschikte kleeding voor de jacht die hij bijwonen zou, en welke hem daarenboven minder blootstelde om als vreemdeling te worden aangegaapt, wanneer zij op de bepaalde plek aankwamen. Zij troffen ter bedoelde plaatse een aantal aanzienlijke Opperhoofden aan. Waverley werd plechtig aan deze voorgesteld en met hartelijkheid door hen ontvangen. Hunne vazallen en clanslieden, tot wier leenplicht het behoorde op zulke bijeenkomsten te verschijnen, kwamen zoo talrijk op, dat ze een klein leger vormden. Deze vlugge lieden verspreidden zich wijd en zijd over het land, terwijl ze om mij van den kunstterm te bedienen, een kring of tinchel vormden. Deze kring, die hoe langer hoe nauwer werd, dreef de herten in troepen bijeen naar het dal, waar de Opperhoofden en voorname jagers op hen loerden. In den tusschentijd bivakkeerden de groote heeren op de bloemrijke heide, in hun plaid gewikkeld, welke wijze om een zomernacht door te brengen, door Waverley lang niet onaangenaam gevonden werd.

Gedurende verscheidene uren na zonsopgang, heerschte er op de heuvels, bergruggen en passen de gewone stilte en eenzaamheid; de Opperhoofden, met hun gezelschap, vermaakten zich met allerhande tijdkortingen, waaronder de genoegens van „de schelp,” zooals Ossian die beschrijft, niet vergeten werden. Anderen waren ter zijde gezeten op een afgelegen heuvel; waarschijnlijk even diep verzonken in de behandeling van staatszaken en nieuwstijdingen, als Milton’s geesten in hunne metaphysische gesprekken. Eindelijk werd het signaal gegeven dat het naderen van het wild aankondigde. In de verte aangeheven kreten weergalmden van dal tot dal, naarmate de verschillende afdeelingen der Hooglanders, onder het beklimmen der rotsen, het doorworstelen van het kreupelhout, het doorwaden der beken, het kruipen door riet en struiken, meer en meer elkander naderden, en de verbaasde herten en andere wilde dieren, die voor hen henen vluchtten, in een nauwer omtrek voor zich uitdreven. Elk oogenblik vernam men het geluid van geweerschoten door duizenden echo’s teruggekaatst. Het bassen der honden voegde zich welhaast bij het koor, dat met ieder oogenblik luider en luider werd. Op het laatst begon de voorhoede der herten zichtbaar te worden, en toen ze bij twee of drietallen den bergpas kwamen afspringen, toonden de Opperhoofden hunne bedrevenheid in het uitkippen der vetste beesten, en hunne behendigheid in het dooden der dieren met hunne jachtroeren. Fergus legde een bijzondere vaardigheid aan den dag, en Eduard was mede zoo gelukkig, de opmerkzaamheid der jagers tot zich te trekken en hunne toejuiching te verwerven.

Maar nu begon de gansche hoop van herten zich in het dal te vertoonen en maakte, in een zeer nauwen doorgang bijeen gejaagd, zulk een ontzaglijke phalanx uit, dat hun gewei op een afstand, op de aangrenzende hoogte, een bladerloos bosch scheen te vormen. Hun aantal was zeer groot; en, op het zien van de dreigende houding die ze aannamen, terwijl ze zich in slagorde schaarden met de grootste der herten vooraan, onder het aangapen van de groep, welke hun den doortocht van het dal betwistte, begonnen de bedrevenste jagers gevaar te voorspellen. Doch nu ving tevens het werk der verwoesting aan alle [128]kanten aan. Honden en jagers waren aan het werk, en geweerschoten weerklonken uit iederen hoek. De herten, tot wanhoop gedreven, deden ten laatste een vreeselijken aanval juist op de plek, waar de beste schutters zich geplaatst hadden. Er werd terstond gewaarschuwd in het Gaelsch, dat men zich op het aangezicht zou werpen; maar Waverley, voor wiens Engelsche ooren de klank verloren ging, was bijna het slachtoffer geworden van zijn onkunde in deze aloude taal. Fergus, die het gevaar bemerkte, sprong op en wierp hem juist op het oogenblik tegen den grond, dat de geheele kudde op hem losbrak. Daar de aandrang onwederstaanbaar was, en de wonden van een hertengewei hoogst gevaarlijk zijn3, zoo kan men gerust zeggen, dat de vlugheid van het Opperhoofd, bij deze gelegenheid zijn gast het leven gered had. Hij hield hem met vaste hand op den grond uitgestrekt, tot de geheele kudde over hen heen was gevlogen. Nu wilde Waverley opstaan; maar hij voelde dat hij eenige belangrijke kneuzingen ontvangen had, en bij nader onderzoek bleek het, dat hij zijn enkel geweldig verstuikt had.

Dit stoorde de vreugde der bijeenkomst; ofschoon de Hooglanders, aan zulke voorvallen gewoon en daarop voorbereid, zelven geen last geleden hadden. In een oogenblik was er een hut opgericht, waarin Eduard op een leger van heide werd nedergelegd. De chirurgijn, of hij die zich als zoodanig aanmeldde, scheen de hoedanigheden van een paardendocter en een toovenaar in zich te vereenigen. Hij was een oude, uitgedroogde Hooglander, met een eerwaardigen grijzen baard, en wiens geheele kleeding uit een rok van donkere tartan bestond, waarvan de panden tot op de knie afdaalden, en, daar hij van voren dicht was, tevens tot wambuis en broek diende4. Hij naderde Eduard met groote deftigheid, en wilde, ofschoon onze held van pijn kromp, niet tot eenige kunstbewerking overgaan, om ze te verligten, voor en aleer hij zijn bed driemaal was rondgegaan, waarbij hij zich van het oosten naar het westen, volgens den loop der zon bewoog. Dit, de Deasil5 genoemd, scheen door den dokter en de omstanders beschouwd te worden als een zaak van het uiterste belang, alvorens de kuur volbracht werd; en Eduard, wien de pijn buiten staat stelde, iets daartegen in te brengen, en die zich ook inderdaad weinig heil daarvan voorspelde, onderwierp zich stilzwijgend.

Nadat deze plechtigheid behoorlijk volbracht was, tapte de oude Esculaap Eduard, door middel van een kopglas, met vrij wat behendigheid, [129]eenig bloed af, en begon, terwijl hij gedurig bij zich zelven in het Gaelsch mompelde, zekere kruiden te koken, waarvan hij een pap maakte. Daarop legde hij deze op de deelen, die geleden hadden, terwijl hij geen oogenblik met het mompelen van gebeden of bezweeringen ophield. Waverley kon niet onderscheiden, welke van beide het waren, daar zijn oor niets opving dan Gasper-Melchior-Balthazar-maxprax-frax, en dergelijke brabbeltaal. Het pappen miste de gewenschte uitwerking niet: de pijn en de zwelling verminderden, hetgeen door onzen held aan de kracht der kruiden of het gevolg der warmte, doch door de omstanders eenstemmig aan de tooverspreuken, welke de operatie hadden vergezeld, werd toegeschreven. Men gaf Eduard te verstaan, dat geen enkele der geneesmiddelen geplukt was, dan bij volle maan, en dat de kruidkenner, onder het inzamelen, onophoudelijk een tooverspreuk had opgezegd, die in het Engelsch aldus luidde:

O wees gegroet, gij heilig kruid,

Ontkiemd op heilgen grond;

’t Was op d’ Olijfberg, dat men u

Het allereerste vond.

Voor menig kneuzing hebt gij baat,

Gij heeldet menig wond;

In naam van onze Lieve Vrouw

Raap ik u van den grond.6

Eduard merkte, niet zonder verwondering, op, dat zelfs Fergus, in weerwil van zijn kennis en opvoeding, in de bijgeloovige denkbeelden zijner landgenooten scheen te deelen, hetzij omdat hij het onstaatkundig achtte den twijfelaar uit te hangen in een zaak die algemeen geloof vond, of, wel zoo waarschijnlijk, omdat, daar de meeste menschen niet diep noch ernstig over zulke zaken nadenken, er een overblijfsel van bijgeloof in zijn ziel was overgebleven, dat tegen de vrijheid zijner uitdrukkingen en handelingen bij andere gelegenheden moest opwegen. Waverley maakte derhalve geen aanmerkingen op de wijze van behandelen, maar beloonde den hoogleeraar in de geneeskunst met een mildheid, die zijn stoutste verwachtingen verre te boven ging. Hij uitte, bij deze gelegenheid, zoo vele onsamenhangende zegenwenschen in het Gaelsch en in het Engelsch, dat Mac-Ivor, eenigszins geërgerd over het buitensporige zijner erkentelijkheid, daaraan op eens een einde maakte, door uit te roepen: „Ceud mile mhalloich ort!” dat wil zeggen: „Honderd duizend vloeken over u!” en zoo dreef hij den weldoener der menschheid de hut uit.

Zoodra Waverley alleen gelaten werd, deed hem de uitputting, door pijn en vermoeidheid veroorzaakt – want de inspanning van den ganschen dag was zwaar geweest – in een diepen, maar koortsachtigen slaap vallen, die inzonderheid het gevolg was van een drankje, door den ouden Hooglander uit een afkooksel van zekere kruiden uit zijn apotheek toebereid.

Den volgenden morgen vroegtijdig – daar de jacht geëindigd, en hunne vroolijkheid een weinig gestoord was door Waverley’s ongeval, [130]waarin Fergus en al zijn vrienden de grootste deelneming betoonden – werd het de vraag, hoe men met den gewonden jager zou handelen. De zaak werd beslist door Mac-Ivor, die een draagbaar had doen vervaardigen, „van berk en hazelaar”7 welke door zijn lieden zoo bij uitstek voorzichtig en behendig werd gedragen, dat het niet onwaarschijnlijk is, dat zij de voorouders geweest zijn dier Gaelsche knapen, welke thans het geluk hebben, de schoonen van Edinburgh in hare draagstoelen naar tien verschillende partijen op éénen avond te brengen. Toen Eduard op hunne schouders geheven werd, kon hij niet nalaten zich te verlustigen in den romantischen indruk, die het opbreken van dit woudleger te weeg bracht.8

De verschillende stammen vergaderden, elk op den doedelzak van zijn eigen clan, ieder door zijn aartsvaderlijk Hoofd aangevoerd. Enkele van dezen, die reeds begonnen waren zich te verwijderen, zag men tegen de heuvelen opklimmen, of de bergpassen afdalen, die naar het tooneel hunner afgeloopen jachtpartij geleidden; terwijl het geluid der doedelzakken nog in hunne ooren weergalmde. Anderen vertoonden een nog bonter schilderij op de vlakte, en vormden daar verschillende afwisselende groepen, terwijl hunne vederen en loshangende plaids in het morgenkoeltje fladderden, en hunne wapens in de opgaande zon schitterden. De meeste hunner Opperhoofden kwamen afscheid van Waverley nemen, en hunne levendige hoop betuigen, dat zij elkander nogmaals, en spoedig, mochten wederzien; maar Fergus droeg zorg dit vaarwel te bekorten. Nadat zijn eigen manschappen ten laatste verzameld en gemonsterd waren, gaf Mac-Ivor het sein tot den aftocht, maar beval hun een anderen weg te nemen dan dien, waarlangs ze gekomen waren. Hij gaf Waverley te verstaan, dat, daar het grootste gedeelte zijner onderhoorigen, thans op de been, bestemd was tot een verren tocht, en dat, zoodra hij Waverley in het huis zou bezorgd hebben van iemand dien hij wist dat hem alle mogelijke oplettendheid zou bewijzen, hij zelf in de noodzakelijkheid zou wezen zijne manschappen het grootste gedeelte van den weg te vergezellen, maar dat hij niet verzuimen zou, zich zoodra mogelijk bij zijn vriend te vervoegen.

Waverley was eenigszins verrast, dat Fergus van deze verdere bestemming zijner lieden geen melding had gemaakt, toen ze op de jacht trokken; maar zijn toestand veroorloofde hem niet vele vragen tot Fergus te richten. Het grootste gedeelte der clanslieden ging vooruit, onder geleide van den ouden Ballenkeiroch en van Evan Dhu Maccombich, blijkbaar vol geestdrift en vroolijkheid. Eenige weinigen bleven achter, om het Opperhoofd tot wacht te strekken, die ter zijde van Eduards draagbaar liep en hem met onvermoeide zorg gadesloeg. Omstreeks den middag, na een tocht, dien de aard van het vervoermiddel, de pijn zijner kwetsuren en de ongelijkheid van den weg, onuitsprekelijk moeielijk maakten, werd Waverley gastvrij ontvangen in het huis van een heer, een bloedverwant van Fergus, die hem al de gemakken had bereid, waartoe de eenvoudige leefwijze, toen in de Hooglanden algemeen, hem in staat stelde. In dezen nieuwen gastheer, een oud man van bij [131]de zeventig jaren, bewonderde Eduard een overblijfsel van de oorspronkelijke eenvoudigheid. Hij droeg geen kleederen, dan die zijn landgoed opleverde; het laken was van de wol zijner eigene schapen, geweven door zijn eigen knechts, en geverwd met behulp der kruiden en mossoorten, die op de omliggende heuvels groeiden. Zijn linnen was door zijn dochters en dienstmeiden, van zijn eigen vlas gesponnen; ook bood zijn tafel, schoon overvloedig voorzien, en afgewisseld met wild en visch, geen enkelen schotel aan, die niet het voortbrengsel was van zijn eigene goederen.

Daar hij voor zich geen aanspraak maakte op de rechten als Hoofd van een clan of als leenman, achtte hij zich gelukkig door het bondgenootschap en de bescherming van Vich Ian Vohr en eenige andere stoute en ondernemende Hoofden, een bescherming die hem het vreedzaam, ingetogen leven, dat door hem geleid werd, waarborgde. Het is waar, dat de op zijn gronden geboren jongelieden dikwijls in verzoeking kwamen hem, voor de dienst bij zijn meer bedrijvige vrienden, te verlaten; maar eenige oude bedienden en landhuurders schudden gewoonlijk de grijze lokken, als ze hun meester over gebrek aan moed hoorden berispen, en maakten de aanmerking, dat „als de wind stil is, de bui zacht neêr komt.” Deze goede oude man, wiens liefdadigheid en gastvrijheid geene grenzen kenden, zou Waverley met vriendelijkheid hebben ontvangen, al ware hij de gemeenste Saksische boer geweest, alleen omdat zijn toestand hulp vereischte. Maar nu hij in hem een vriend en gast van Vich Ian Vohr ontmoette, waren zijn zorgen even onvermoeid als ontelbaar. Er werden nieuwe pappen op het gekwetste been aangebracht, en nieuwe tooverspreuken aangewend. Eindelijk na meer bezorgdheid dan misschien voordeelig voor de gezondheid des lijders was, nam Fergus voor eenige dagen afscheid van Waverley, om vervolgens, gelijk hij zeide, naar Tomanrait terug te keeren, waar hij dan hoopte, Waverley in staat te vinden een der Hooglandsche hitten van zijn gastheer te bestijgen, en op die wijze naar Glennaquoich terug te reizen.

Den volgenden dag, zoodra zijn goede oude gastheer hem bezocht, vernam Eduard, dat zijn vriend met het krieken van den dag vertrokken was, terwijl hij geen anderen bediende dan Callum Beg, de soort van page, die hem gewoonlijk oppaste, had achtergelaten, met last om Waverley ten dienst te staan. Op de vraag aan zijn gastheer, of deze wist waarheen het Opperhoofd vertrokken was, zag de oude hem strak aan, met iets geheimzinnigs en droefgeestigs in den glimlach, die zijn eenig antwoord was. Waverley herhaalde zijn vraag, waarop de gastheer met een spreekwoord antwoordde:

„Het bracht den schelmschen bode aan lang geen prettig end

Als hij den weg ging vragen, hem al te goed bekend.”9

Hij was op het punt er nog meer bij te voegen, maar Callum Beg zeide, zooals het Eduard voorkwam, min of meer beleefd, dat Ta Tighearnach (dat is, het Opperhoofd) niet wilde, dat men den Saksischen heer met veel gepraat kwelde, daar hij zich verre van wel bevond. Hieruit maakte Waverley op, dat hij zijn vriend ongenoegen zou doen, bij [132]een vreemdeling naar het doel der reis te vernemen, dat hij zelf niet goed gevonden had hem mede te deelen.

Het is niet noodig de genezing van onzen held van dag tot dag na te gaan. De zesde morgen was aangebroken, en hij was in staat met een stok te loopen, toen Fergus met omtrent twintig man terugkeerde. Hij scheen zeer opgewonden, wenschte Waverley geluk met zijn aanvankelijke herstelling, en daar hij bevond dat deze in staat was te paard te zitten, stelde hij hem voor, onmiddellijk naar Glennaquoich terug te keeren. Waverley nam dit voorstel gretig aan; want het beeld zijner schoone had, gedurende al den tijd zijner gevangenschap, zijn droomen opgeluisterd.

Nu reed hij verder door moer en door mos,

Langs heuvel en menig eng dal.

Terwijl Fergus gedurende den geheelen weg onafgebroken aan de zijde van zijn vriend bleef, en zijn trawanten, die met een onvermoeiden tred voortliepen, zich alleen verwijderden, om een schot op een ree of een veldhoen te doen, begon Waverley’s hart sterk te kloppen, toen zij den ouden toren van Ian nan Chaistel naderden en hij de schoone gestalte onderscheiden kon, die hen te gemoet kwam.

Fergus begon oogenblikkelijk, met zijn gewone vroolijke opgewondenheid, haar toe te roepen: „Open uwe poorten, onvergelijkelijke prinses, voor den gewonden Moor Abindarez, dien Rodrigo de Narvaez, constabel van Antiquera, naar uw kasteel voert, of open ze zoo ge dit liever doet, voor den beroemden markies van Mantua, den ongelukkigen metgezel van zijn half stervenden vriend Baldovinos van het gebergte10. Och, zacht ruste uwe ziel, Cervantes! hoe zou ik, zonder uwe woorden aan te halen, mijn taal buigen om romantische zielen te behagen!”

Thans kwam Flora bij hen, en terwijl ze Waverley welkom heette, betuigde ze haar leedwezen over het hem overkomen ongeluk, waarvan ze de bijzonderheden reeds vernomen had, terwijl ze hare bevreemding te kennen gaf, dat haar broeder geen betere zorg gedragen had, om den vreemdeling te waarschuwen tegen de gevaren van een tijdverdrijf, waartoe hij hem uitgenoodigd had. Eduard haastte zich het Opperhoofd te verontschuldigen, daar hij inderdaad, met gevaar van zijn eigen leven, dat van Waverley gered had.

Na het wisselen dezer eerste groeten, sprak Fergus drie of vier woorden tot zijn zuster, in het Gaelsch. Oogenblikkelijk kwamen haar de tranen in de oogen; maar het schenen tranen van dankbaarheid of vreugde te zijn; want ze blikte hemelwaarts en vouwde de handen, als tot een plechtig gebed of dankzegging. Na een stilte van weinige minuten, overhandigde zij Eduard eenige brieven, die gedurende zijn afwezigheid van Tully-Veolan waren opgezonden, en tegelijkertijd reikte zij er eenigen aan haren broeder over. Den laatsten gaf ze insgelijks drie of vier nommers van den Caledonischen Merkuur, de eenige courant, die toen ten noorden van de Tweed verscheen.

De beide heeren verwijderden zich om de ontvangen brieven te lezen; en Eduard zag weldra in, dat de zijnen zaken van zeer groot belang bevatten. [133]


1 Sir Robert Lindsay van Pitscottie, van wien Sir Walter Scott de volgende aanhaling ontleent, leefde in de vijftiende eeuw; hij is de schrijver van een geschiedenis, of liever van een kroniek van Schotland, die men ook aan Sir David Lindsay, zijn tijdgenoot, toeschrijft. De jacht, waarvan hier sprake is, was een der groote jachtpartijen van Jacobus V, in 1528. 

2 John Taylor, bijgenaamd de waterpoëet, omdat hij leerjongen bij een schuitvoerder op de Theems was. Taylor diende ook op de vloot van den graaf van Essex, bij het beleg van Cadix (1596). 

3 De wonden, door de hoorns van een hert toegebracht, werden over het algemeen voor veel gevaarlijker gehouden dan die door de slagtanden van een wild zwijn veroorzaakt:

Zijt gij door hoorn of hert gewond,

het brengt u op de baar;

Maar trof een wilde zwijns-tand u,

dan dreigt u geen gevaar.

4 Dit gewaad, dat veel op dat vaak door kinderen in Schotland gedragene, geleek, en potonie (dat wil zeggen polonaise) geheeten werd, is een vrij oude wijziging aan de Hooglandsche kleeding. 

5 De oude Hooglanders maken nog den deasil rondom lieden in wie ze belangstellen. Om iemand in een tegenovergestelde richting, of met swither sins, (in het Duitsch wider-sins) heengaan, is een soort van betoovering, die ongeluk aanbrengt. W. S. 

6 Deze metrische bezweering, of iets dat daar veel mede overeenkomt, is door Reginald Scott, in zijn werk over Tooverij aan de vergetelheid ontrukt. W. S. 

7

’s Morgens vlochten zij hun draagbaar

Beide uit berk en hazelaar. Chery Chase.

W. S. 

8 Zie Aanteekening AA. Hooglandsche jacht. W. S. 

9 Overeenkomende met het Laaglandsche gezegde: Menigeen vraagt naar de poort, die hij maar al te goed kent. W. S. 

10 Uit het eerste boek der avonturen van Don Quichot.