[Inhoud]

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

NIEUWS UIT ENGELAND.

De brieven, die Waverley tot nu toe van zijn vrienden uit Engeland ontvangen had, waren niet van dien aard, dat ze eenige bijzondere vermelding in dit verhaal eischen. Zijn vader schreef hem gewoonlijk met de hoogdravende gemaaktheid van iemand, die te zeer verdiept was in openbare zaken, om tijd te kunnen vinden tot het behartigen van die zijner familie. Tusschenbeide maakte hij gewag van personen van rang in Schotland, aan wie hij zou wenschen, dat zijn zoon eenige beleefdheden bewees; maar Waverley, tot hiertoe geheel vervuld met de genoegens, die hij op Tully-Veolan en Glennaquoich genoot, had gemeend zich niet te moeten bekreunen om vluchtige wenken, vooral daar de afstand, zijn kort verlof en wat dies meer zij, gereedelijk tot verontschuldiging konden strekken. Sedert eenigen tijd echter behelsden des heeren Richards vaderlijke brieven zekere geheimzinnige wenken omtrent toekomstige grootheid en gezag, en gaven zijn zoon zekere vooruitzichten op de snelste bevordering, als hij maar in den krijgsdienst bleef. Sir Everhard’s brieven waren van geheel anderen inhoud. Ze waren kort; want de goede Baronet behoorde niet tot die onhebbelijke correspondenten, wier schrift het grootste blad postpapier vult, en geen plaats overlaat voor het zegel; maar ze waren vriendelijk en vol liefde, en sloten zelden zonder eenige toespeling op de paarden van onzen held, eenig onderzoek naar den staat zijner beurs en een bijzondere navraag naar de recruten, welke met hem Waverley-Honour verlaten hadden. Tante Rachel beval hem aan, zorg te dragen voor zijn gezondheid, zich in acht te nemen voor de Schotsche mistbuien, welke, zooals ze gehoord had, een Engelschman tot op de huid nat maken, nooit des avonds uit te gaan zonder overjas, en vooral flanel te dragen op het bloote lijf.

De heer Pembroke had onzen held slechts eens geschreven; maar deze brief was zesmaal langer dan de epistels uit onze ontaarde dagen, daar hij, in den gematigden omvang van tien bladzijden folio, dicht geschreven, een overzicht van een supplementoir kwartijn, van addenda, delenda en corrigenda bevatte op de twee verhandelingen, die hij Waverley geschonken had. Dit wilde hij beschouwd hebben als een enkel brokje, om den honger van Eduards weetgierigheid te stillen, tot hij gelegenheid zou vinden, om het boekdeel zelf te zenden, daar het veel te zwaar voor de post, en hij voornemens was er zekere belangrijke stukjes bij te voegen, onlangs bij zijn vriend den uitgever verschenen. Met dezen toch had hij een soort van letterkundige briefwisseling aangehouden, tengevolge waarvan de boekerij van Waverley-Honour met niet weinig prullen werd vermeerderd, en er jaarlijks een knappe rekening, zelden in minder dan drie eindcijfers bij de opsomming werd overgemaakt, waarop Sir Everhard Waverley van Waverley-Honour stond aangeteekend als schuldig aan Jonathan Grubbet, boekverkooper te Londen. Dusdanig waren tot hiertoe de brieven geweest, welke Eduard uit Engeland had ontvangen; maar het paket, dat hem op Glennaquoich ter hand gesteld werd, was [134]van geheel verschillenden en hoogstbelangrijken inhoud. Het zou den lezer onmogelijk zijn, – al deelde ik ook de brieven voluit mede, de wezenlijke reden, waarom ze geschreven waren, te begrijpen, zonder een blik in het binnenste van het Britsche kabinet, op het bedoelde tijdstip, geslagen te hebben.

Het gebeurde – juist geen zeldzaam voorval – dat de Ministers van den dag in twee partijen waren verdeeld. De zwakste zocht, door ijverige intriges te vergoeden, wat ze in wezenlijk gehalte te kort schoot. Er waren onlangs eenige bekeerlingen gemaakt, hetgeen hun de hoop gaf, om hun mededingers de loef af te steken in de gunst huns Souvereins, en tevens een overwicht op hen te hebben in het huis der Gemeenten. Onder anderen hadden zij het de moeite waard geacht Richard Waverley tot de hunnen over te halen. Deze eerzame heer had – door een deftig, geheimzinnig gedrag, door veel oplettendheid ten aanzien der étiquette van het bestuur, zoo wel als het wezen er van, en een gemakkelijkheid in het houden van lange, holle redevoeringen, bestaande in onwedersprekelijke waarheden en gemeenplaatsen, opgeschikt met de brabbeltaal van officiëele kunsttermen, die beletten dat men de nietigheid der redeneering ontdekt, – zich eenigen naam en vertrouwen als staatsman verworven, ja, ging zelfs bij velen door voor een diep denker. Wel is waar, zeide men dat hij geen dier schitterende redenaars was, wier talenten in beeldspraak en vonken van vernuft vervliegen, maar dat hij iemand was in zaken grondig onderlegd, die zich, gelijk de dames bij het kiezen eener zijden stof zeggen, „goed zou houden,” en met grond kon geacht worden geschikt te zijn voor gewoon en alledaagsch gebruik, ofschoon men moest bekennen dat ze niet geschikt was „om er een zondagskleed van te laten maken.”

Dit gevoelen omtrent den heer Richard Waverley was zoo algemeen geworden, dat de partij in het Kabinet, waarvan we gesproken hebben, na diens gevoelens gepolst te hebben, zoo tevreden was over zijn gezindheid en bekwaamheden, dat ze hem voorstelde, in geval van zekere omwenteling in het Ministerie, hem een aanzienlijke plaats in de nieuwe orde van zaken te doen bekleeden, wel niet van den allereersten rang, maar toch aanmerkelijk hooger, wat het voordeel betrof, en het gezag, dan die welke hij thans innam. Er was geen weerstandbieden aan zulk een verleidelijken voorslag, hoewel ook de groote man, onder wiens bescherming hij in dienst geraakt was, en wiens banieren hij tot hiertoe gevolgd had, het voorname doel van den aanval der nieuwe bondgenooten was. Ongelukkig stierf dit schoone ontwerp der eerzucht, door een voorbarige openbaring, reeds in den knop. Al de aan het Gouvernement verbonden heeren die er in betrokken waren, en zwarigheid maakten om een vrijwillig ontslag te kiezen, ontvingen bericht, dat de Koning geen verder gebruik van hun dienst kon maken. Richard Waverley behoorde onder dit aantal, en daar hij in de oogen van den Minister zich aan zwarte ondankbaarheid schuldig geraakt had, werd hij met iets dat naar personeele minachting en schande zweemde, ontslagen. Het algemeen, en zelfs de aanhang, in welks val hij deelde, toonde weinig medelijden met de teleurstelling van dezen baatzuchtigen staatsman. Hij begaf zich dus naar buiten, met de aangename gedachte, dat hij tegelijkertijd zijn goeden naam, zijn crediet en – hetgeen hij lang niet het minst betreurde – zijn inkomen verspeeld had. [135]

Richard Waverley’s brief aan zijn zoon, bij deze gelegenheid, was een meesterstuk in zijn soort. Aristides zelf had zich niet over iets onbillijkers kunnen beklagen. Een onrechtvaardig Vorst en een ondankbaar land maakten den inhoud van elken schoon geronden volzin uit. Hij sprak van langdurige diensten en onvergolden opofferingen, schoon de eerste met zijn salaris meer dan betaald waren, en niemand raden kon waarin de laatste bestonden; tenzij misschien daarin, dat hij, niet uit overtuiging, maar uit winstbejag, de staatkundige beginselen zijner familie had verzaakt. In het slot werd zijn gevoeligheid, door zijn eigene welsprekendheid tot zulk een hoogte geprikkeld, dat hij eenige bedreigingen van wraak, hoe onbepaald en machteloos ook, niet kon bedwingen: en eindelijk maakte hij zijn zoon bekend met zijn wensch, dat deze zijn gevoeligheid over de harde behandeling, door zijn vader ondergaan, zou laten blijken, door op het oogenblik, dat deze brief tot hem kwam, zijn ontslag uit den dienst te nemen. Dit was, zeide hij, ook het verlangen van zijn oom, zoo als deze hem te geschikter ure zou doen weten.

Dientengevolge was de eerste brief, die nu door Eduard werd geopend, van Sir Everhard. De ongenade, waarin zijn broeder gevallen was, scheen uit zijn rechtgeaarden boezem alle herinnering aan hunne oneenigheden te hebben uitgewischt; en verwijderd als hij was van alle gelegenheden om te vernemen, dat deze ongenade inderdaad slechts het rechtvaardige, zoowel als het natuurlijke, gevolg van Richards mislukte streken was, hield de goede, maar lichtgeloovige edelman het terstond voor een nieuw en verschrikkelijk bewijs der onrechtvaardigheid van het bestaande Bewind. Het was waar, zeide hij, en hij mocht dit zelfs voor Eduard niet verbloemen, dat zijn vader zulk een beleediging, als nu voor het eerst aan iemand van zijn huis werd aangedaan, niet zou hebben ondergaan, zoo hij zich daaraan niet had blootgesteld door het aannemen van een post onder het tegenwoordig stelsel. Sir Everhard twijfelde niet, of hij zag en gevoelde nu de grootheid van dezen misslag, en het zou zijne (Sir Everhards) eerste bemoeiing zijn te zorgen, dat zijn verdriet niet door geldzorgen vermeerderd werd. Het was voor een Waverley genoeg aan openbare vernedering bloot gestaan te hebben; het materiëele nadeel was door het hoofd der familie licht te verhelpen. Maar het was zoowel des heeren Richards gevoelen, als het zijne, dat Eduard, de stamhouder van het geslacht van Waverley-Honour, in geen betrekking behoorde te blijven, die hem aan een dergelijke behandeling blootstelde als die, welke zijn vader getroffen had. Hij verzocht dus zijn neef, de meest geschikte en te gelijkertijd de spoedigste gelegenheid aan te grijpen, om zijn ontslag als officier bij het Ministerie van oorlog in te zenden, en daarbij te kennen, dat er niet veel plichtplegingen bij noodig waren, waar men zoo weinig complimenten omtrent zijn vader had gebezigd. Hij belastte hem te gelijkertijd met vele groeten voor den baron van Bradwardine.

Een brief aan tante Rachel sprak zelfs nog duidelijker. Zij beschouwde het ongeluk van broeder Richard als een billijke straf voor de verzaking zijner gehoorzaamheid aan den wettigen, schoon verbannen Souverein, en voor de laagheid die hij gehad had, den eed van trouw aan een vreemdeling te doen; een zwakheid, welke haar grootvader, sir Nigel Waverley, nooit had willen betoonen, noch tegenover het parlement der Rondhoofden, noch tegenover Cromwell, toen zijn leven en fortuin in [136]het grootste gevaar verkeerden. Zij hoopte dat haar lieve Eduard de voetstappen zijner voorvaderen zou volgen, en zoo spoedig mogelijk de kenteekenen zijner dienstbaarheid aan de overheerschende dynastie zou afleggen, daar zij het onrecht, door zijn vader geleden, beschouwde als een vermaning van den Hemel, dat elke afwijking van den weg der getrouwheid aan den wettigen Vorst haar eigene straf medebrengt. Ook zij besloot met hare groeten aan den heer Bradwardine, en verzocht Waverley haar te berichten, of zijn dochter Rose oud genoeg was, om een paar heel fraaie oorbellen te dragen, die zij als een blijk harer genegenheid wenschte te zenden. Insgelijks verlangde de goede dame te mogen weten, of de heer Bradwardine nog zoo veel Schotsche snuif gebruikte en zoo onvermoeid danste, als toen hij, omtrent dertig jaar geleden, op Waverley-Honour was.

Deze brieven, gelijk te wachten was, wekten Waverley’s verontwaardiging in hooge mate op. Ten gevolge van zijn slecht geregelde studie, bezat hij geen enkele bepaald staatkundige meening, die hij tegenover de smart en den toorn kon stellen, die hij bij zijns vaders veronderstelde verongelijking gevoelde. Van de ware oorzaak zijner ongenade was Eduard ten eenemale onkundig, daar zijn leefwijze hem geen aanleiding gegeven had, om de staatkunde van den dag te onderzoeken, of de intrigues, in welke zijn vader zulk een levendig deel had genomen, te ontwarren. Om de waarheid te zeggen, de eenige indrukken, die hij van de bestaande partijschappen ontvangen had, waren, ten gevolge van het gezelschap, op Waverley-Honour, eer ongunstig dan gunstig voor het tegenwoordig Bewind en de regeerende dynastie. Hij deelde dus zonder de minste aarzeling de verontwaardiging zijner bloedverwanten, die het meeste recht hadden, om hem regels voor zijn gedrag voor te schrijven; en misschien deed hij dit niet minder gaarne, als hij zich de verveling in zijn garnizoen voor den geest riep, en de onbeduidende rol die hij onder de officieren van zijn regiment had gespeeld. Zoo hij evenwel nog eenigen twijfel omtrent de zaak had kunnen koesteren, zou ze beslist zijn geworden door den volgenden brief van zijn Chef, dien wij, daar hij zeer kort is, hier letterlijk zullen inlasschen.

„Mijnheer!

Daar ik de grenzen van mijn plicht eenigszins overschreden heb door een toegevendheid, die het licht ons door de natuur geschonken, en veel meer dat des Christendoms, ons voorschrijft omtrent misslagen, welke uit jeugd en gemis aan ondervinding voortspruiten, en dit geheel zonder vrucht gebleven is, word ik mijns ondanks gedwongen, bij de tegenwoordige crisis, het eenige middel te bezigen, dat nog in mijn macht is. Derhalve beveel ik u bij dezen naar **, het hoofdkwartier van uw regiment, terug te keeren, binnen drie dagen na datum dezes schrijvens. Zoo gij in gebreke blijft aan dit bevel gehoor te geven, moet ik u bij het Ministerie van oorlog aangeven als afwezig zonder verlof, en te gelijk andere stappen doen, die onaangenaam zullen zijn voor u, zoo wel als voor,

Mijnheer,

Uw gehoorzamen dienaar,
J. Gardiner, luitenant-kolonel,
kommandeerende het ** regiment dragonders.”

[137]

Eduards bloed kookte, terwijl hij dezen brief las. Hij was sedert zijn vroegste kindsheid gewend geweest, volkomen meester van zijn tijd te zijn, en had zich dus gewoonten eigen gemaakt, die de regels der krijgstucht hem even onaangenaam hadden gemaakt in dit, als in sommige andere opzichten. Het denkbeeld, dat ze in zijn geval niet zeer streng zouden toegepast worden, had zich bovendien bij hem gevestigd, wat ook tot hiertoe, door de toegevendheid van zijn Luitenant-Kolonel gerechtvaardigd werd. Ook was er, voor zoover hij wist, niets gebeurd, dat zijn Overste kon bewogen hebben, zonder eenige andere waarschuwing, dan de wenken, waarvan wij op het einde des veertienden hoofdstuks melding maakten, op eens een harden, en zooals Eduard het noemde, onbeschaamden toon van dictatoriaal gezag aan te nemen. Terwijl hij dit in verband bracht met de brieven, juist door hem van zijn familie ontvangen, kon hij niet anders veronderstellen, dan dat het er op aangelegd was, om hem, in zijn tegenwoordige omstandigheden, de hand des gezags even zwaar te doen gevoelen als zijn vader, en dat het geheel een afgesproken plan was, om elk lid der familie Waverley te vervolgen en te vernederen.

Zonder uitstel dus schreef Eduard eenige koele regels, waarin hij zijn Kolonel voor vroegere beleefdheden bedankte, en zijn leedwezen betuigde, dat hij had kunnen goedvinden de herinnering daaraan uit te wisschen, door jegens hem een geheel anderen toon aan te nemen. De strekking van zijn brief, zoowel als hetgeen Eduard begreep zijn plicht te zijn, in de tegenwoordige crisis, drongen hem zijn ontslag in te zenden. Hij sloot dus zijn formeelen afstand van een betrekking in, die hem tot zulk eene onaangename briefwisseling noodzaakte, en verzocht kolonel Gardiner de goedheid te willen hebben, om dien aan de bevoegde autoriteit op te zenden.

Toen hij dezen hooghartigen brief geschreven had, wist hij niet recht, in welke bewoordingen hij zijn ontslag moest aanvragen, en hij besloot Fergus Mac-Ivor dienaaangaande te raadplegen. In het voorbijgaan moeten wij aanmerken, dat de stoute en vlugge wijze van denken, handelen en spreken, welke dit jonge Opperhoofd eigen was, hem een aanmerkelijken invloed op Waverley had verschaft. Met ten minste gelijke verstandsvermogens begaafd, en met veel meer smaak, bezweek Eduard nogtans voor de onversaagde en vastberadene werkzaamheid van een geest, die zoowel door de gewoonte om naar een voorbedacht en geregeld stelsel te handelen, als door uitgebreide wereldkennis gescherpt was.

Toen Eduard bij zijn vriend kwam, had de laatste nog de courant in handen, die hij doorgeloopen had, en ging hem te gemoet met de verlegenheid van iemand, die onaangenaam nieuws heeft mede te deelen. „Bevestigen uwe brieven het onaangename bericht, kapitein Waverley, dat ik in dit blad vind?”

Hij reikte hem het blad over, waarin met de bitterste bewoordingen, waarschijnlijk overgenomen uit een Londensch dagblad, verslag werd gedaan van zijns vaders ongenade. Aan het einde van het stuk stond deze opmerkelijke zinspeling:

„Wij vernemen dat deze Richard, welke al het genoemde gedaan heeft, het eenig voorbeeld niet is van de weifelende eer van W.v.r.l.y-H.n.r. Zie de Staats-courant van heden.”

Met bevende en koortsachtige drift zocht onze held de aangehaalde [138]plaats, en vond daarin vermeld: „Eduard Waverley, kapitein bij het ** regiment dragonders, geschorst wegens afwezigheid zonder verlof;” en op de lijst der bevorderingen bij hetzelfde regiment, ontdekte hij vervolgens deze woorden: „Luitenant Julius Butler, kapitein, ter vervanging van Eduard Waverley, geschorst.”

Het hart van onzen held gloeide van de verontwaardiging, welke onverdiende en blijkbaar opzettelijke beleediging wel moest opwekken bij iemand, die naar eer had gestreefd, en nu zoo schandelijk aan openbaren hoon en minachting werd prijs gegeven. Toen hij de dagteekening des briefs van zijn Kolonel met die van het artikel in de courant vergeleek, ontwaarde hij, dat aan de bedreiging om van zijn afwezigheid rapport te maken, letterlijk gevolg was gegeven, en naar het scheen zonder het geringste onderzoek, of Eduard zijn aanmaningen ontvangen had, of gezind was zich daarnaar te gedragen. Het geheel scheen dus een vastberaamd plan, om hem in de oogen van het publiek te vernederen; en het denkbeeld, dat dit geslaagd was, vervulde hem met zulke bittere aandoeningen, dat hij, na verscheidene pogingen om ze te verbergen, zich ten laatste in de armen van Mac-Ivor wierp, en vrijen loop liet aan de tranen, door schaamte en verontwaardiging hem afgeperst.

Het behoorde niet tot de gebreken van het Opperhoofd, dat hij onverschillig was omtrent het onrecht zijnen vrienden aangedaan; en voor Eduard koesterde hij, onafhankelijk van zekere plannen, die hij gesmeed had, en waarin deze voor een gedeelte betrokken was, een hartelijke en oprechte belangstelling. Deze handelwijze kwam hem even vreemd voor, als Eduard ze gevonden had. Hij wist, wel is waar, beter dan Waverley, de redenen, waarom hij zoo stellig bevel had ontvangen om zich bij zijn regiment te vervoegen. Maar dat de bevelvoerende Officier, geheel strijdig met zijn algemeen bekend karakter, zonder verder onderzoek naar omstandigheden of onoverkomelijke beletselen, op zulk een barsche en ongewone wijze was te werk gegaan, bleef hem een onoplosbaar raadsel. Hij troostte intusschen onzen held zoo goed hij kon, en begon diens gedachten met het uitzicht op wraak voor zijn beleedigde eer te streelen.

Eduard greep dit denkbeeld met vuur aan. „Wilt gij een uitdaging voor mij aan kolonel Gardiner brengen, mijn waarde Fergus, en mij levenslang verplichten?”

Fergus zweeg een poos. „Het is een vriendschapsdienst, waarover ge zoudt mogen beschikken, als die van nut kon zijn, of er toe leiden om uwe eer te herstellen; maar in het tegenwoordige geval twijfel ik, of uw Overste u een ontmoeting zou toestaan, op grond dat hij maatregelen genomen heeft, die, hoe hard en pijnlijk ook, toch binnen de grenzen van zijn plicht lagen. Daarenboven is Gardiner een strenge Hugenoot, die zekere denkbeelden koestert omtrent het zondige der tweegevechten, welke men hem niet gemakkelijk kan doen verzaken, vooral daar zijn moed boven alle verdenking verheven is. En bovendien, ik – ik – om de waarheid te zeggen – ik durf, om zeer gewichtige redenen, mij op dit oogenblik, niet zoo dicht bij deze of gene garnizoensplaats van het tegenwoordig bewind begeven.”

„En moet ik dan rustig en stil het mij aangedane onrecht dragen?”

„Dat zal ik mijn vriend nooit aanraden. Maar ik zou liever zien dat de wraak het hoofd en niet de hand trof; – het overheerschend en [139]onderdrukkend bewind, dat deze opzettelijke en herhaalde beleedigingen beoogde en bestuurde, maar niet de officiëele werktuigen, die het bezigt om ze ten uitvoer te brengen.”

„Het bewind!”

„Ja,” hernam de onstuimige Hooglander, „het troonoverweldigend huis van Hannover, dat uw grootvader evenmin zou gediend hebben, als dat hij gloeiend goud tot loon en dank van den Satan zelven zou hebben aangenomen.”

„Maar sedert den tijd van mijn grootvader hebben twee geslachten van deze dynastie den troon bekleed.”

„Juist, – en omdat wij hun zoo lang lijdelijk gelegenheid gegeven hebben, om hun aangeboren aard te toonen, – omdat gij zoo wel als ik in stille onderwerping hebben geleefd, en ons zelf zoo naar den tijd geschikt hebben, dat wij officiersaanstellingen van hen aannamen, en hen dus in staat stelden ons in het openbaar te krenken, door ze terug te nemen, mogen wij daarom geen beleedigingen wreken, die onze vaderen slechts voorzien, maar die wij werkelijk ondergaan hebben? Of is de zaak van de ongelukkige familie Stuart minder rechtvaardig geworden, omdat haar recht is afgedaald op een erfgenaam, die men niet beschuldigen kan van een slecht Vorst te zijn, zooals vader? – Herinnert ge u de regels van uw lievelingsdichter niet?

Trad Richard ongedwongen van den troon,

Geen vorst beschikt over iets in heel zijn teven,

Dan over wat ’s Heeren gunst hem heeft gegeven;

En had hem God begiftigd met een zoon,

Het koningsrecht ware aan dien zoon verbleven.

Gij ziet, mijn waarde Waverley, dat ik zoowel dichters kan aanhalen, als Flora en gij. Maar kom, bedaar wat, en laat het aan mij over, u een eervollen weg aan te wijzen tot een spoedige en roemvolle wraak. Laat ons Flora opzoeken, die ons misschien meer nieuws te vertellen heeft van hetgeen er in onze afwezigheid is voorgevallen. Zij zal zich verheugen te hooren, dat gij van uwe slavernij ontslagen zijt. Maar voeg eerst een postscriptum bij uw brief, waarin gij den datum aangeeft, waarop gij de eerste oproeping van dezen Calvinistischen kolonel ontvangen hebt; en geef uw leedwezen te kennen, dat zijn overhaaste maatregelen u belet hebben ze te voorkomen, door het inzenden van uw vrijwillig ontslag. En laat hem dan blozen over zijn onrechtvaardigheid!”

Na dit alles werd de brief, die een dienststuk behelsde, waarin hij zijn ontslag vroeg, verzegeld; en Mac-Ivor verzond dien, met eenige brieven van hemzelven, door een bijzonderen bode, met last om ze op het naastbijgelegen postkantoor in de Laaglanden te bezorgen. [140]