[Inhoud]

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN OPHELDERING.

De wenk, door het Opperhoofd aangaande Flora gegeven, was niet zonder bedoeling. Hij had met groot genoegen Waverley’s ontkiemende genegenheid voor zijn zuster opgemerkt; ook zag hij geenerlei zwarigheid tegen hun vereeniging, behalve het ambt, door Eduards vader bij het Ministerie bekleed, en Eduards eigene positie bij het leger van George II. Deze beletselen waren thans weggeruimd, en op een wijze, waardoor oogenschijnlijk de weg werd gebaand, om ten minste den zoon aan een andere partij te verbinden. In elk ander opzicht was het huwelijk allerverkieslijkst. De veiligheid, het geluk en de eervolle verzorging van zijn zuster, die hij hartelijk lief had, scheen door de voorgestelde vereeniging verzekerd te zijn. En zijn hart zwol, wanneer hij bedacht, hoe de belangrijkheid van zijn eigen persoon zou toenemen in de oogen des verbannen Konings, dien hij zoo trouw diende, door eene verzwagering met een dier oude, machtige en rijke Engelsche geslachten van dezelfde staatkundige richting, en bij wie het van zooveel belang voor het huis der Stuarts was, de eenigszins voor hunne zaak verzwakte gehechtheid te verlevendigen. Fergus zag geen zwarigheid hoegenaamd in dit ontwerp. Blijkbaar had Waverley liefde voor freule Mac-Ivor opgevat, en daar hij een goed uiterlijk bezat, en zijn neigingen oogenschijnlijk met die van Flora overeenstemden, verwachtte hij geen tegenstand van haar kant. Inderdaad, vervuld met zijn denkbeelden van aartsvaderlijke macht, en die welke hij in Frankrijk had opgedaan, waar het de beschikking over meisjes tot het huwelijk gold, zou eenige tegenkanting van zijn zuster, hoe lief Flora hem ook wezen mocht, het laatste beletsel zijn geweest, waarop hij rekende, al ware hem ook de verbindtenis minder verkieslijk toegeschenen.

Met deze gevoelens bezield, bracht het Opperhoofd Waverley thans bij Flora, niet zonder eenige hoop, dat de oogenblikkelijke opgewondenheid van zijn gast hem de stoutmoedigheid verleenen zou, om, wat hij „den roman der vrijerij” noemde, maar kortweg af te doen. Zij vonden Flora met haar getrouwe gezellinnen, Una en Cathleen, bezig met het vervaardigen van hetgeen Waverley hield voor bruidsgeschenken. Terwijl hij de onrust die hem bezielde, zooveel mogelijk ontveinsde, vroeg hij, voor welke heugelijke gelegenheid freule Mac-Ivor zulke omslachtige toebereidselen maakte.

„Het is voor Fergus’ bruiloft,” zeide ze glimlachende.

„Zoo! – hij heeft zijn geheim goed bewaard. – Ik hoop dat hij mij veroorloven zal zijn bruidsjonker te zijn.”

„„Dat is de post eens mans, maar niet de uwe,” zooals Beatrix zegt,”1 hernam Flora.

„En wie is de schoone dame, als het geoorloofd is te vragen, freule Mac-Ivor.” [141]

„Heb ik u al niet lang geleden gezegd, dat Fergus geene andere bruid verlangt, dan de Eer?” was Flora’s antwoord.

„En zou ik dan onwaardig wezen om zijn bondgenoot en raadsman te zijn?” zeide onze held, sterk kleurende. „Sta ik zoo laag bij u aangeschreven?”

„Volstrekt niet, kapitein Waverley. Ik zou veel geven, indien het den Hemel behaagde, u tot de onzen te tellen! Als ik eene uitdrukking bezigde, die u mishaagt, het is

Omdat gij niet behoort tot onzen raad,

Maar tegen ons als vijand over staat”

„Die tijd is voorbij, zuster, en ge moogt Eduard Waverley (niet langer Kapitein) geluk wenschen, dat hij bevrijd is van de slavernij eens overheerschers, waarvan deze zwarte en onheilspellende kokarde het zinnebeeld is.”

„Ja,” zeide Waverley, terwijl hij de kokarde van zijn hoed nam, „het heeft den Koning, die mij dit teeken schonk, behaagd het terug te nemen op een wijze, die mij niet veel reden geeft, om het verlies te betreuren.”

„God dank!” riep de schoone met geestdrift, „en o, mochten ze blind genoeg zijn, om iederen man van eer, die hen dient, op dezelfde onwaardige wijze te behandelen, opdat ik minder te betreuren moge hebben, als het oogenblik der worsteling gekomen is!”

„En nu, zuster, haast u zijn kokarde door een van veel levendiger kleur te vervangen. Mij dunkt, het behoorde tot het werk der dames van den ouden tijd, hun ridders te wapenen en tot groote daden uit te zenden.”

„Niet, voordat de dolende ridder de rechtvaardigheid en het gevaar der zaak wel overwogen had, Fergus. Mijnheer Waverley is op het oogenblik te zeer geschokt door nog versche aandoeningen, dan dat ik hem thans tot een besluit van groot gewicht zou willen opwekken.”

Waverley, in den aanvang iets verontrust door de gedachte, van de leus aan te nemen van diegenen, die door de meerderheid in het land voor oproerstokers gehouden werden, kon evenwel zijn gevoeligheid niet verbergen over de koelheid, waarmede Flora den wenk haars broeders van de hand wees. „Ik zie dat Freule Mac-Ivor den ridder haar aanmoediging en gunst onwaardig acht,” zeide hij, eenigszins bits.

„Dat niet, mijnheer Waverley ’’ hernam ze met veel zachtheid. „Waarom zoude ik mijns broeders hooggeschatten vriend een gunst weigeren, die ik wel aan den geheelen clan schenk? Van ganscher harte zou ik iederen man van eer voor de zaak werven, waaraan mijn broeder zich heeft toegewijd. Maar Fergus heeft zijn besluit met open oogen genomen. Zijn leven is van zijn wieg af aan deze zaak gewijd geweest; voor hem is de roeping heilig, al ware ze ook voor hem een roeping tot den dood. Maar hoe kan ik wenschen, dat gij, mijnheer Waverley, zoo onbekend met de wereld, zoo ver van iederen vriend, die u kan raden en u behoort te leiden, op een oogenblik daarenboven van verontwaardiging en toorn – hoe kan ik wenschen, dat gij u op eens in zulk een wanhopige onderneming zoudt storten?”

Fergus, die geen begrip van dergelijke kieschheid had, stapte door de kamer, terwijl hij zich op de lippen beet. Vervolgens voegde hij freule Mac-Ivor, met een gedwongen glimlach toe: „Nu, zuster, ik laat u uwe [142]nieuwe rol van bemiddelares tusschen den Keurvorst van Hannover en de onderdanen van uw wettigen Souverein en weldoener alleen spelen,” waarop hij het vertrek verliet.

Er volgde een oogenblik van pijnlijke stilte, welke ten laatste door freule Mac-Ivor werd afgebroken. „Mijn broeder is onrechtvaardig,” zeide ze, „omdat hij niet dulden kan, dat men zijn getrouwen ijver zelfs schijnbaar tegenwerkt.”

„En deelt gij dan zijn vurige geestdrift niet?”

„Zou ik niet?” hernam Flora. – „God weet dat de mijne, zoo mogelijk, de zijne nog overtreft. Maar ik word niet, zoo als hij, door de drukte der krijgstoerusting, en de tallooze bijzonderheden welke de beraamde onderneming vereischt, verhinderd de groote beginselen, waarop ons ontwerp is gegrond in overweging te nemen, die zeker slechts door maatregelen kunnen bevorderd worden, welke in zich zelven waar en goed zijn. Maar het zou het een noch het ander zijn, wanneer ik van uwe tegenwoordige stemming gebruik maakte, mijnheer Waverley, om u tot een onherroepelijken stap te brengen, waarvan gij het gegronde noch gevaarlijke bedaard hebt kunnen wikken en wegen.”

„Onvergelijkelijke Flora!” riep Eduard, terwijl hij haar hand greep; „hoezeer heb ik zulk een raadgeefster noodig!”

„Eene veel betere,” zeide Flora, terwijl ze haar hand zachtkens terugtrok, „zal de heer Waverley altijd in zijn eigen hart vinden, zoo hij maar naar deze zachte stem wil luisteren.”

„Neen, freule Mac-Ivor, dat kan ik niet gelooven: duizend omstandigheden die er mij toe gebracht hebben, mij geheel aan mijn eigene denkbeelden over te geven, hebben mij meer aan de ingevingen der verbeelding, dan aan die der rede onderworpen. Indien ik slechts durfde hopen – als ik slechts denken kon – dat ge u verwaardigen wildet, een toegenegene, toegevende vriendin voor mij te zijn, die mij kracht zou geven om mijn fouten te herstellen, mijn volgend leven –”

„Bedaar, waarde heer! nu brengt u de vreugde, dat ge aan de handen van een Jacobietischen werver ontsnapt zijt, tot overdrevene dankbaarheid.”

„Liefste Flora, speel niet langer met mij! Gij kunt de taal van een hartstocht niet miskennen, welken ik, ook zonder het te willen, aan den dag heb gelegd; en nu ik het ijs heb gebroken, laat mijne stoutmoedigheid mij niet benadeelen. – Mag ik, met uw verlof, uw broeder zeggen –”

„Om alles ter wereld niet, mijnheer Waverley.”

„Wat moet ik daaruit opmaken?” zeide Eduard. „Bestaat er eenige noodlottige hinderpaal? – heeft een vroegere genegenheid –?”

„Neen, Mijnheer,” hernam Flora. „Ik ben het aan mij zelve verschuldigd te zeggen, dat ik nooit iemand ontmoet heb, die mij aanleiding gaf aan zoo iets als waarvan er thans sprake is, te denken.”

„Misschien is onze korte kennismaking; – als freule Mac-Ivor zich verwaardigen wilde mij tijd te geven –”

„Ik heb zelfs die verontschuldiging niet. Kapitein Waverley’s karakter is zoo open, – is, in het kort, van dien aard, dat men het niet miskennen kan, noch wat sterkte noch wat zwakheid betreft.”

„En om die zwakheid veracht ge mij?” zeide Eduard.

„Vergeef mij, mijnheer Waverley – en herinner u, dat het slechts een half uur geleden is, dat er nog een hinderpaal tusschen ons bestond van [143]onoverkomelijken aard, daar ik aan een officier in dienst des Keurvorsten van Hannover slechts kon denken, als aan een onverschillige kennis. Veroorloof mij dus over zulk een onverwachte zaak, na te denken, en in minder dan een uur zal ik gereed zijn u zoodanige redenen van mijn besluit te geven, die afdoende zijn, al mogten ze ook niet aangenaam schijnen.” Hiermede ging Flora heen, terwijl ze Waverley achterliet om na te peinzen over de wijze, waarop zij zijn aanzoek had ontvangen.

Eer hij bij zichzelven kon nagaan of hij afgewezen was of niet, trad Fergus het vertrek weêr binnen. „Hoe! à la mort, Waverley?” riep hij, „kom met mij naar het voorplein, en ge zult een gezicht genieten, de fraaiste beschrijvingen in uwe romans waardig. Een honderdtal geweeren, vriend, en even zoo vele sabels, daar pas van goede vrienden gekomen, en twee of driehonderd stevige knapen bijna vechtende, wie ze zal bezitten. – Maar laat mij u van naderbij bezien. – Wel! een echte Hooglander zou zeggen, dat ge door een boos oog betooverd waart. – Of kan het zijn, dat dit dwaze meisje u uit het veld heeft geslagen? – Denk om haar niet, beste Eduard; de wijssten van haar geslacht zijn dwazen, waar het de ernstige belangen des levens geldt.”

„Inderdaad, waarde vriend,” antwoordde Waverley, „al wat ik tegen uwe zuster inbrengen kan, is, dat zij te knap, te verstandig is.”

„Als dat alles is, dan verwed ik er een louis d’or onder, dat deze bui overdrijven zal, eer wij vier en twintig uren verder zijn. Geen vrouw ter wereld is ooit zoo lang achtereen verstandig; en, zoo u dit genoegen doet, sta ik er voor in, dat Flora morgen zoo onredelijk zal zijn als iedere andere. Gij moet leeren, waarde Eduard, de vrouwen en mousquetaire te behandelen.” Dit zeggende, nam hij Waverley onder den arm, en sleepte hem voort, om zijne krijgstoerustingen te zien.


1 In „Veel leven om niets” van Shakespeare